De laatste tomaten

Het is goed geweest. Van half juli tot eind november plukten we dagelijks vruchten. Vorige zondag oogstte ik de laatste tomaten, net voor de eerste vorst. Hoe gaat dat hier, elk jaar weer?

Ik pluk eerst alle vruchten, groen en rijp. Van de veertig rassen die ik begin mei plantte, waren er zondag nog dertig actief. Vooral kerstomaten, maar ook nog enkele grotere rassen, zoals Bolstar Granda. In onze situatie (zandgrond, en kerstbomen bij de buren) kies en test ik diep wortelende rassen. Die zoeken het water, tot anderhalve meter diep. Zuinig/slim water geven – lees: om de maand, en vanaf augustus geen druppel water meer – is daarbij essentieel.

Na de pluk trek ik alle planten uit, en ik hak ze in stukken, met de sikkel, en gooi al dat groen op een hoop. Hier en daar verdwijnt een stukje jute opbindtouw in de hoop: geen probleem. Het meeste opbindtouw recupereer ik voor volgend jaar.

Die dertig resterende planten zijn nog relatief gezond, met maar een beetje schimmel hier en daar. Dat komt door mijn zuinige waterbeleid, en door het constante luchten. Straks, als alles opgeruimd is, gaat de tomatenserre dicht:  voor het eerst sinds juni. Lees hier wat ik al eerder schreef over mijn duurzame tomatenteeltwijze.

Ik sorteer de vruchten: vijftien kilo onrijpe, één kilo rijpe. Van die rijpe maak ik meteen nog een pittige saus. Die onrijpe, in veel tinten groen tot lichtrood-/geel/-oranje, die schonk ik vele jaren lang aan een Amerikaanse vriendin: zij maakte er green tomato chutney van.

Sinds vorig jaar fermenteer ik die onrijpe tomaten, ongeveer zoals zuurkool dus. Met gember, hete peper, knoflook, enkele rammenassen, wat groen preiblad, dat wordt het dit jaar.  Het kan ook eenvoudiger, hoor.

Zijn onrijpe tomaten dan niet giftig? Ze bevatten kleine concentraties van zowel tomatine als solanine. Bij het rijpen verdwijnen die, bij het verhitten niet. En bij het fermenteren? Daar vind ik geen informatie over. Nu, die hoeveelheden tomatine en  solanine zijn miniem. Trouwens: Amerikanen eten al eeuwen lang fried green tomatoes, en er zijn chefs die met tomatenbladeren koken.  Tomatine blijkt overigens goed voor cholesterol- en prostaatproblemen. En een van onze kippen was ooit haar hele leven gek op tomatenbladeren: geen probleem.

Onrijpe tomaten laten narijpen, is dat een optie? Ik heb het vroeger jaren lang gedaan, en het resultaat viel steeds tegen. Kwantitatief: al die moeite, en dan rotten er nog veel vruchten. Kwalitatief: met kerst konden we dan enkele net-rode tomaten eten, maar de smaak was zoek.

Het loof van alle tomatenplanten gooi ik in de kippenren. Laat dat daar maar rustig voorverteren, samen met andere biomassa. Begin mei volgende jaar komt die halfverteerde compost allemaal terug naar de tomatenserre, en die voedt dan de nieuwe generatie. Al meer dan twintig jaar is dat een logische, ecologische cyclus.

Zo meteen begint de winter in de tomatenserre.  Achter glas tuinier ik immers het hele jaar rond, en ik wens je hetzelfde.

Advertenties

Suikererwt

Suikererwten kweken we liever dan doperwten en peultjes.  En omdat ze nogal onbekend zijn, geef ik ze hier graag extra aandacht.

Sugar Snaps, zoals ze ook wel heten, brengen het beste van twee werelden bij mekaar: hun peulen zijn zo dik als die van doperwten, dus dik gevuld, maar je kunt ze (bijna*) in hun geheel eten. Da’s dus veel minder (dop-)werk en veel meer opbrengst.  

Dit erwtentype is bij het grote publiek nog niet goed bekend, en helemaal onterecht. Toch bestaan suikererwten al lang. In de VS kweken de Amish misschien al honderd jaar een suikererwt, maar die circuleerde blijkbaar enkel in die gemeenschap. En intussen, ook in de VS, ontdekten erwtenveredelaars een ras met bijzondere kwaliteiten: zo kwam Sugar Snap op de markt, in 1979. Twee meter hoog, heel productief, en een volle, zoete smaak, en enkele weken lang oogstbaar: onder de suikererwten is dit nog steeds mijn favoriet. Sindsdien zijn er nog veel andere suikererwtenrassen ontwikkeld.

Ik leerde Sugar Snap rond 1995 kennen dankzij Daniel Willaeys, een Velt-pionier in Halle-Zoersel. Intussen vind je dit en andere rassen al op verschillende websites.

Het moeilijkste aan suikererwten is het zaaien. De zaden zijn helemaal gerimpeld, en kiemen niet in koude grond. Daarom is het klassieke advies: zaai ze pas buiten in april/mei. En daar wringt het voor mij, want laat zaaien geeft late oogst – op zich geen probleem – met gegarandeerd wormpjes van de erwtenpeulboorder. Zouden we dan niet beter heel vroeg en binnen zaaien?

Vandaar: ik laat de zaden in januari (!) binnen kiemen, en dat doen ze vlot. Zodra ze gekiemd zijn, plant ik ze in potjes in de serre.  In maart of april plant ik ze dan buiten: ze kunnen, net zoals alle erwtenplantjes, wel wat kou hebben. Met de nieuwe, halflage rassen zoals Sugar Rae, Sugar Ann, Sugar Bon, Ambrosia (vrij platte peul) en Delikett (fijn rond peultje) kunnen we zo vanaf half mei erwtjes eten. Het klassieke ras Sugar Snap oogsten we 3 weken later.  Tot zover de theorie: in een warm voorjaar rijpen al die rassen bijna tegelijk af, is mijn ervaring.

Het tweede moeilijkste aan suikererwten vind ik: de oogst naar de keuken brengen. Gewoon plukken en happen, tijdens het  tuinieren, da’s pas genieten.
*Bij sommige rassen moet je een draadje afhalen, bij andere niet.

De eeuwige pluktuin

Energetische instant-tuinefficiëntie bereik je met doorlevende eetbare planten: je plant, je plukt – meer moet dat niet zijn. Jaarlijks hernieuwen die planten zich immers vanzelf. Echte permaculteurs lopen zeer hoog op met doorlevend eetbaars: zero input, constante output – wat wil een mens nog meer? Een deel van onze Lusthof is dan ook voorbehouden aan een waaier aan vaste planten met smaak. De gemiddelde lezer – lapje grond, te drukke agenda om serieus te tuinieren – denkt nu allicht: Zo’n luilekkerhof wil ik ook!

Je hoort vaak van voedselbossen – kijk eens op www.voedselbos.be . Over bomen zal ik het hier nauwelijks hebben, want ik mik even op kleinere tuinen. Ik ga dan ook veel doorlevend lekkers uit lagere regionen opsommen: bessen, kruiden en groenten, snap je. Het onderscheid tussen die twee laatste vind ik academisch en dus overbodig.

Welkom dus in onze eeuwige pluktuin – een term van tuinmaat Hugo D’Hooghe uit Brasschaat. Verwacht niet meteen dat je hieruit je volledige dagelijkse kost kunt halen, maar veel(eer) extraatjes qua smaak en voedingswaarde. Bonus: de meeste hier volgende soorten zijn nog sierlijk ook.

Op 10 cm, in januari. Plukklaar zoekplaatje met moeslook, penningkruid, monarda, aangevuld met tweejarigen landkers, selder, zwartmoeskervel en roodlof.

Probleem één, voor veel bezoekers/lezers: je weet niet waar eerst kijken, en je kent de meeste planten niet. De baksteenburger kent immers meer merken van bier, sportgoden, automodellen, … dan eetbare planten. Hoe dat komt laat ik aan je gezond verstand over, maar het heeft iets te maken met onderwijs en opvoeding, media en reclame.

Het plukplezier begint al op vorstvrije winterdagen. Ik negeer in bovenstaand plukzoekplaatje even tweejarigen zoals landkers, roodlof en selder  en ook madeliefje en paardenbloem (sorry, die komen wel eens in een ander artikel aan bod). Ik stel hier even de volgende vaste planten voor in januaritoestand:

  1. Bergamotplant (Monarda didyma) geeft een heerlijk, bloemig tijmaroma aan slaatjes, thee en andere gerechten. De bloemen zijn roze, rood of paars, naargelang de cultivar, zijn erg in trek bij insecten en in de keuken. Rode monardabloemetjes geven hier elke zomer kruidige pit aan pastasalades. Dit is een flinke kruiper, hoor. Daarmee geef ik al aan dat een aantal doorlevende eetplanten ook zouden kunnen gaan woekeren – àls je ze niet opeet, tenminste.
  2. Allium zebdanense. Ik verzamel wel wat wilde alliums: hun smaak varieert van knof- tot bieslook, met soms een preitoets. Dit sierlookje bloeit in april, sierlijk wit; andere soorten geven een leuke spreiding in tijd en kleur. Jawel, alles aan deze lookjes is eetbaar: bloemetjes, bladeren, eventuele bolletjes… Komende herfst vind je wel plantgoed van alliums (sieruien) in tuincentra en –catalogi: gewoon wat proberen, een keertje proeven.
  3. Penningkruid (Lysimachia nummulata): kruipt vlot de tuin rond; de blaadjes hebben een prettig smaakje, het hele jaar door; eet ook de gele bloemen ’s zomers.
  4. Zwartmoeskervel (Smyrnium Olusatrum). Eigenlijk twee- tot driejarig, maar ik smokkel ‘m hiertussen. Indrukwekkende weerstand tegen alles behalve langdurige droogte; pittige selderachtige smaak. Wordt 100 cm hoog en is een heel oude eetplant.

Op 20 cm hoogte. Aan de voet van pruim Opal groeien citroenkruid, bieslook en monarda

Mei aan de voet van een pruimenboom – die dorre stengels dienen als bescherming tegen krabbende katten. Dit is een makkelijker zoekplaatje, hé, met maar enkele planten.

Wat ik vooral wil tonen: als je al plaats hebt voor een boom, geef ‘m dan wat pittige kruiden aan de voet. Die zouden de boom op één of andere manier helpen, lees ik in oude en nieuwe boeken. Ik volg mijn groene vinger en plant het volgende:

  1. Bergamotplant, Je ziet: dit is één van mijn favoriete thee-ingrediënten.
  2. Bieslook (Allium schoenoprasum). De gewoonste doorlevende uiensmaker. Makkelijk te kweken; scheur om de paar jaar, eet de bloemetjes natuurlijk ook, …
  3. Citroenkruid (Artemisia abrotanum). Kruidige citrusgeur en –smaak, met mate te gebruiken in thee – da’s mijn disclaimer. Op elke hoogte en op elk moment te snoeien; stop takjes van dit kruid in de grond en ze groeien: zo kun je zelfs een heel geurhaagje aanleggen.

De resterende foto’s dateren van eind juni: net voor veel doorlevenden in bloei schieten.

Op 30 cm hoogte. Berglook gaat goed samen met wilde rucola.

  1. Wilde rucola (Diplotaxis tenuifolia) smaakt steviger dan de eenjarige. Vol omega 3 en andere supergezonde stofjes, lees ik – de meeste doorlevende groenten zijn niet of nauwelijks veredeld, en zitten bijgevolg nog vol robuuste pit voor tuin en lijf. Voortdurend plukken en snoeien houdt wilde rucola productief en lekker. Haal simpelweg een paar wilde rucolaplantjes in je supermarkt of tuincentrum – ze hebben meestal zo’n heel diep ingesneden blad. Laat ze één keer bloeien (zwavelgeel, mooi!) en zaad vormen: zo ben je voor de rest van je dagen voorzien van wilde rucola
  2. Berglook (Allium carinatum). Van september tot maart knip ik blaadjes, bieslookgewijs; in april/mei oogst ik verfijnde potlooddikke preitjes (meteen ook de smaak verklapt); in juni/juli eten we de bloemhoofdjes (anders strooit berglook te kwistig met broedbolletjes); in augustus graaf ik de zilveruitjesachtige bolletjes op. Zo heb ik ze ook gevonden op vakantie in Frankrijk, eind vorige eeuw, en sindsdien niet meer weg te krijgen uit onze tuin. Al maar goed ook, want deze wilde allium zou ik niet meer willen missen.

Op 50 cm hoogte. Maggiboom en wilde venkel, daarachter brave hendrik.

  1. De Chinese maggiboom (Toona sinensis ofwel Cedrella sinensis) vind je als siergewas bij tuincentra, of ook bij vreeken.nl. Een traaggroeiend boompje, naar mijn ervaring, maar wàt een smaak: één blaadje geeft je soep en andere hartige gerechten een heerlijk bouillonaroma.
  2. Wilde venkel (Foeniculum vulgare) is de oerouder van de eenjarig gekweekte knolvenkel. Die intussen klassieke groente vraagt de nodige zorg om zo’n dikbilstengel te vormen, en die oogst je dan één keer. De wilde variant levert van het vroege voorjaar tot augustus vingerdikke stengels, als je tenminste blijft oogsten, want anders schiet hij prachtig door. De zaadjes kun je natuurlijk ook oogsten voor thee, en de holle stengels dienen na de winter voor de bouw van insectenhotels. Het zaad van deze doorlevende venkel plukte ik twintig jaar geleden aan een vier meter hoge plant in een naburige berm. Twee dagen later was deze plant met de klepelmaaier tot moes gemept. Wat geluk en wat aandacht helpen nogal eens om zaadjes te vinden van lekkere planten.
  3. Brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus) is een stevige verwant van spinazie en melde: het blad is wat taaier en smaakt sterker. Alweer vanaf maart te oogsten, het hele seizoen door, als je maar blijft snijden. Typisch voor veel van die doorlevende rakkers is met hun lange penwortel goed verankerd zitten: ze hebben weinig last van klimaatkuren, vinden voldoende voeding in de diepere lagen, en komen elk voorjaar onverstoorbaar weer boven. Ik kreeg zo’n brave hendrik op een ruilbeurs vele jaren geleden. Heel soms laat ik ‘m in zaad komen, want met de zaadjes kan ik weer andere tuiniers plezieren. De kiemkracht van veel zulke wilde eetbaren is overigens vaak vluchtig: hoe verser het zaad, hoe sneller je zaait, hoe beter. Gewoon meteen na de oogst – typisch tijdens de nazomer – op de gewenste plaats uitstrooien werkt het beste.

Ziezo, dit waren al elf vaste klanten in de voortdurende eettuin: een volgende keer meer van dat. Hun cyclus kan niet eenvoudiger zijn: groeien, terug in de grond kruipen – meestal tijdens de winter, maar er zijn er ook met zomerrust. Doorlevend luilekker tuinieren is zo zen. Als je oogsten werk vindt, dan heb je veel werk aan deze doorlevende smaakmakers. Ze hebben een oerverleden en een mooie toekomst!

Het moeilijkste aan de meeste van die doorlevende eetbare planten is vaak de zoektocht naar plant- of zaaigoed. Kijk dan bijvoorbeeld eens bij Den Oude Kastanje: zij hebben al een pittig assortiment. Ook in onze tuin kun je van november tot maart is er altijd plantgoed: kom op bezoek, en met een schepje vul ik een hele doos voor je.

Graan uit de tuin

Graan, dat kweken boeren op grote velden, maar wie kweekt dat nu op  (heel) kleine schaal, dus in een groentebed? In de Lusthof, gewoon bij wijze van experiment, dus wel.  Met naaktzadige gerst en met amarant heb ik al enkele jaren ervaring. Aan jou om aan te vullen.

Amarant, multifunctioneel en hip

amour-rejetee-oogst-2
Amour Rejetée: de naam alleen al!

Zet eens amarant in je tuin, om de volgende drie redenen tegelijk:

  • Z’n vormen- en kleurenrijkdom zijn nogal uitdagend: niet meteen iets voor de huidige trend van beton-buxussiertuinen, maar eerder richting cottage garden en van dat. Niet dat ik me ooit iets van tuintrendvoorschriften aantrek, hoor.
  • Als bladgewas: je kunt amarantblad eten als spinazie, melde, … Beetje neutraal en saai, als je het mij vraagt.
  • Hype, hype, hoera: amarant is een hippe graansoort in de winkel wegens glutenvrij en superfood en ook al omdat alle negen aminozuren erin zitten. Daar kunnen echte granen en peulvruchten niet tegen op!
    Z’n nichtje, quinoa, is zo mogelijk nog hipper, maar – naar het schijnt – moeilijk correct uit te spreken, en indien zelf gekweekt ook moeilijk saponine-/bittervrij te krijgen. Quinoa is dus niet aan mij besteed.
    Wil je weten hoe klein amarantzaadjes zijn? Er gaan er naar het schijnt 500000 in één kilo!

Soorten, rassen en teelt

O, amarant is eigenlijk geen graan, maar we doen vandaag even alsof. Dit pseudograan  is van de ganzenvoetfamilie, snap je, dus verwant met spinazie, biet en melde, en die quinoa van daarnet.

Amarantsoorten komen van nature voor in alle subtropische en tropische streken, en van al die soorten – onder meer het onkruid papegaaienkruid – kun je het blad en de zaden eten. Voor het zaad zijn er drie soorten, die allemaal uit Zuid-Amerika komen: Amaranthus hypochondriacus, A. caudatus en A. cruentus. Ik heb ervaring met de rassen Autumn Palette (100 cm hoog, met opstaande lichtgele bloei en lichtbeige zaden) en Amour Rejetée (150 cm, met hangende rode pluimen en rode zaden).

Ik zaai in maart, in potjes: tien planten volstaan voor een mooi rijtje en een goeie opbrengst. Dat voorkweken doe ik ten eerste omdat de kiemplantjes nogal lijken op een aantal plaatselijke verwanten: melganzenvoet, aardbeispinazie en boomspinazie bijvoorbeeld. Maar ook omdat ik die vorstgevoelige Latijns-Amerikaanse zaadamarantjes een extra maand voorsprong wil geven binnen. Uitplanten doe ik dus net na de ijsheiligen.

Gerst, maar dan naaktzadig

Wie gerst zegt, zegt bier, toch? Daar bestaan inderdaad veel rassen en velden voor, maar bepaalde types gerst (naakte, dus zonder het moeilijk te verwijderen velletje) worden al eeuwen gebruikt in tsampa, het Tibetaanse basisvoedsel. O, en ook gerst is natuurlijk een bijzonder voedsel – wat had je gedacht?

img_0015
Lawina wordt amper 80 cm hoog, en rijpt snel.

Enkele jaren geleden kreeg ik op een ruilbeurs een twintigtal zaden van Lawina, een recent Duits naakt gersteras – meer bepaald een zomergraan, dus in het voorjaar te zaaien. Voor de zekerheid zaaide ik die twintig zaden begin maart in potjes in de serre: achteraf gezien  slim, want een maat van mij zaaide vollegronds, en constateerde dat de vogels tuk waren op àlle graantjes. Gerstplantjes kunnen eind april wel veilig de grond in.

Mooi, zorgeloos

Beide gewassen trekken de aandacht, hoor. De bloeiwijzen van amarant hangen of staan prominent in de tuin, en de gerst ziet er eerst heel grasachtig uit, tot stilaan de jonge aar tevoorschijn komt. Elke dag kijken, dat kan ik je aanraden, maar verder heb je er geen werk meer aan tot aan de oogst.

Oogsten, dorsen, schonen

Wanneer oogsten we? Eén: als de eerste zaden vanzelf uit die aren/bloeiwijzen vallen. Regelmatig observeren dus. Twee: op een droge dag. Een verregende zomer kan dus de hele oogst vernielen.

Lawina heb ik al twee keer begin juli geoogst, en de twee amarantrassen die ik persoonlijk ken, waren begin september rijp.

amour-rejetee-oogst-3
Even wrijven en de amarantkorrels komen vanzelf los. Nu nog het kaf verwijderen.

We snijden de aren gewoon met een sikkel af, en laten dan de hele oogst op een zeil drogen, onder een of ander dak: in de serre, in de garage – of overdag in de volle zon. De gerstaren zijn fijn en drogen snel, maar de aren amarant zijn dikker en moeilijker droog te krijgen.

Dorsen is al zo oud als de landbouw: ik trappel op de vele aren – bij voorkeur in een grote metselkuip. En/of ik wrijf, met stevige tuinhandschoenen aan, de oogst tussen mijn handen, en/of door een grove zeef. Na nog een paar uren wrijven, zeven en wannen is het zaad schoon genoeg. Een leuk werkje, met mooi resultaat!

In de keuken

img_0008
Lawina met rode biet, tofu, tzatziki, komkommer: mmm!

De eerste gerstschotel was een culinaire voltreffer: de smaak deed helemaal denken aan de spelt die vrienden in Italië kweken: vol, notig, zoet. De bereiding was simpel, hoor; gewoon zoals rijst, dus één deel graan plus twee delen water, en een mespuntje zout.

Zo heb ik ook amarant bereid, maar het resultaat was heel anders: het gerecht rook naar (de verwante!) rode biet, en dat is een grappige verrassing., en de gekookte zaadjes vormden al gauw een kleverige massa. Hier in huis was ik de enige die die brij dan at – en de smaak viel prima mee.  Nu, tegenwoordig doe ik gewoon een handje vol amarantzaadjes in elk desembrood dat ik bak. Dat geeft leuke puntjes in het brood, en een goeie smaak.

De moeite?

amour-rejetee-oogst-7Van 10 planten oogstte ik 4100 gram amarantzaad; van 50 gerstplanten hadden we ongeveer 600 gram graan. Tja, in de biowinkel koop je die hoeveelheden voor een paar euro’s, dus als ik mijn tijd moet rekenen, ben ik er veel aan kwijt. Dan zijn aardappelen veel makkelijker en winstgevender. Slotsom: volgend jaar kweken we weer amarant en gerst, en wellicht nog een ander graan. De winter is lang, en we gaan weer ruilen met zoveel andere liefhebbers.

Zaad kopen of ruilen?

Van Lawina kun je 20 zaden bestellen – zo ben ik ook begonnen –  van amarant Amour Rejetée een halve theelepel (dat zijn al 500 zaadjes). Of evenveel van een driekleurig amarantmengsel.

Slow composting

Kippenrencompost

Makkelijker dan zo’n echte composthoop opzetten: we gooien gewoon al ons organisch afval in onze langgerekte kippenren, en die doen daar hun ding mee. Misschien beoefen je die luie methode ook al lang – maar lees verder en kijk hoe wij daar een heel systeem van maken, met onderweg en uiteindelijk een aantal fijne resultaten.

Biodiversiteit, ook bij het composteren

Onze ingrediënten zijn zo divers mogelijk: zo krijgen we de goeie mix van bijvoorbeeld groene en bruine materialen, maar zelfs daarin gaan we lekker breed. Ik som wat op:

  • Grasmaaisel – ook van de buren (en die gebruiken geen herbiciden of zo op hun gazon)
  • Keukenafval: als daar nog wat lekkers tussen zit, halen onze kippen plus haan dat er wel uit. Qua theezakjes weren we die driehoekige, synthetische dingen, want die verteren niet. Noten- en eierschalen, én fijngemaakte mosselschelpen: die gaan er zeker in, in weerwil van bepaalde reglementen en angsten.
  • Tuinafval – en dat is geen afval, dat weet je. Dus: alle groenteloof, inclusief aardappel- en tomatenloof (je moet of kunt de schimmelsporen immers toch niet vernietigen; je moet gewoon resistente aardappelrassen planten, en je tomatenblad zo droog mogelijk houden). Ook zoveel mogelijk snoeihout: zo dik als de snoeischaar  aankan, en gewoon in stukjes van 10 tot 15 centimeter lang. We hakselen niet, nee.
  • Kippenmest, gekregen houtsnippers en snoeisel van coniferen: hup, allemaal de ren in!

Met dat alles krijg je wel een goed evenwicht – en een moddervrije ren.

composteren-in-de-kippenren-6
Takjes van zwarte framboos, appeltwijgjes, en zoveel meer: onderweg naar de serre.

Schep & scharrel

Ik start in mei met een hoopje aan het kippenhok, en dat wandelt -nee: kruipt! – dan noordwaarts, naar de serres toe. Vijftien meter, heel op het gemak, maanden lang. Dat kruipen gaat zo: met de riek gooi ik, om de week of wanneer ik zin heb, de hoop een heel klein beetje verderop, richting serres. En dat maanden lang. Soms ontstaat er even een hoopje – en dat kan wel ’s broeien: dan zitten de kippen zich erop te warmen – maar even later scharrelen ze die hoop alweer uit mekaar, op zoek naar compostwormen, pissebedden en zoveel meer. Af en toe strooi ik een handvol gesteentemeel of bentoniet bovenop de hele laag: de pieren zijn er gek op.

Onderweg

Het hele proces gaat er dus traag aan toe: alles mag rustig half of heel verteren. Onze bessenstruiken, aan de castanea afsluiting, zitten ondergronds mee te genieten van zoveel eten dat voorbij schuift.

In het voorjaar schep ik de hele bovenste kippenrenlaag (20 cm dik) de tomatenserre in. Daar blijft dat spul een heel jaar verteren én eten geven aan de tomaten. Op het eind van het jaar komt het afgewerkte product (nu een laag van 10 cm dik) dan kruiwagengewijs naar de moestuin.

img_0021
Zo komt de compost dan uit de tomatenserre: heel af en toe nog een herkenbaar takje, hé.

Hoe lang is die compost dan onderweg geweest? Neem een frambozentakje dat ik in augustus 2016 in de kippenren verknip: omstreeks december 2017 komen z’n bijna helemaal verteerde restanten terecht in de moestuin.

Ach, het is tegenwoordig bon ton om te zeggen dat humus niet bestaat. Het is gewoon allemaal energie die onderweg is van de ene levende plant naar de andere, en in onze tuin gebeurt dat maximaal en bijzonder traag. De reis is belangrijker dan de bestemming, weet je wel.

Werk?

Ik krui en schep heel geregeld wat: fitness op m’n dooie gemak. Ik kan het je aanraden.

 

Onze laatste druif

Op mijn verjaardag (12/10) eten we, uitzonderlijk, de laatste trossen van onze blauwe druif. Glenora is pitloos, meeldauwresistent en heel groeikrachtig. Onze hele voorgevel – pal op het zuiden  en acht meter breed – hangt in september (en nu ook tot in oktober) vol. De druiven noch de trossen zijn zo groot als die van de gestookte rassen in Overijse en zo, maar –  volgens onze bescheiden mening – veel lekkerder. Véél!

glenora.JPG
Tweehonderd trossen, een hele maand lang

Hoeveel werk hebben we daaraan? Eén uur wintersnoei, één uur zomersnoei, wat leiden. En dan een maand lang oogsten, da’s het meeste werk. Niks behandelen, krenten, bemesten of wat dan ook.

Hier pal op het zuiden geeft de druivenrank zomerschaduw aan het huis, mooie ranken in de winter en een heerlijke herfstverkleuring. Wil je stekken van dit ras? Kom dan ‘s, begin december. Wat mij betreft, mogen er aan elke (Vlaamse) zuidgevel druiven hangen.glenora-oogst-4

Meters kalebas

Fleskalebas (Lagenaria siceraria) bestaat in vele vormen, en groeit vooral in de tropen. Daar maken ze van de rijpe kalebassen muziekinstrumenten, alle soorten kommen en kruiken, en ook peniskokers, hé. Gewoon de rijpe vrucht op het gewenste formaat doorsnijden, de pitten en het verdroogde vruchtvlees eruit halen: meer werk is het niet.

Van nature is het (jonge) vruchtvlees van fleskalebas bitter: zo verdedigt de plant zich tegen eventuele eters. Maar – net zoals bij courgette en pompoen – heeft de mens in de loop der eeuwen niet-bittere rassen geselecteerd – maar ook de gekste vormen. Bij Vreeken, bijvoorbeeld, vind je een heel scala aan rassen (en zaden) – waaronder enkele culinaire rassen. Die – en enkel die – zijn lekker, zonder een spoortje van bitter. De smaak neigt eerder naar asperge, muskus, noten: een heel bijzondere smaak dus die je niet bij andere komkommerachtigen aantreft. In (Zuid-)Italië is deze fleskalebas vrij bekend, onder de namen cucuzzi, of zucca rampicante, etc. Hier is het seizoen nogal kort, en vooral heftig.

img_2087
Lang, smal en plukklaar!

De opkweek en de verdere teelt zijn ongeveer zoals bij pompoen; geef  fleskalebas vooral meer warmte, plaats en tijd. Een serre is interessant voor het opkweken, maar daarna voorzie je best een warme, vruchtbare buitenplek met klimmogelijkheden. In het begin van de zomer gaat de groei tergend traag, maar vanaf de nazomer is er geen houden meer aan. De witte bloemen worden gevolgd door heel veel jonge lichtgroene vruchten, en het is in dit stadium dat je ze best plukt en eet. Zoals bij courgette dus: zolang je je duimnagel vlot door de schil heen kunt duwen, hoef je de vruchten niet te schillen – daarna wel.

img_2085

Eén succesrecept: fruit een ui, voeg blokjes fleskalebas toe, bouillon en flink wat peper. Laat koken tot alles gaar is en mix: deze soep smaakt naar asperge, maar dan lekkerder – zegt onze jongste dochter, en wij zijn het met haar eens.

We oogsten en eten kalebas van september tot de eerste vorst. Bewaren is niet echt aan de orde, dus we delen ons teveel uit.

img_2083
De oogst van één week, van één plant

 

 

 

%d bloggers liken dit: