Onkruid vergaat niet (deel 3)

Vandaag drie belangrijke trucs om ongewenste planten onder de knoet te houden.

Onkruidwerende teelten.

Als je een braakliggend stuk grond hebt, zegt de ouwe buurman steevast: Daar moet ge het eerste jaar patatten op zetten. En dat werkt, ja, mits slim toegepast. Neem om te beginnen een laat ras, dat maakt extra veel loof. Weet je nog: onkruidzaden kiemen als ze licht zien? Wel, dat loof bedekt de grond maanden lang, en zo krijgen eenjarige onkruiden weinig kans. Nog beter: plant resoluut het aardappelras Sarpo Mira. Dat maakt ontzettend veel loof en ferme aardappelen, en is vooral helemaal bestand tegen de aardappelziekte.

sarpo mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog volop in blad
Sarpo Mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog fris in blad

Pompoenen werken op dezelfde manier: hun weelderige ranken zorgen van juni tot oktober ook voor een totale bodemverduistering. Niet meer naar omkijken tot de oogst dus.
Het enige dat je met aardappel en pompoen moet doen, is na het planten een paar keer schoffelen tussen de rijen, tot het gewas alles dichtgroeit. Rastip, alweer: neem Hokkaido’s of gelijkaardige kleinvruchtige, en vooral lekkere rassen.

Een derde teelt met dezelfde onkruidonderdrukkende kwaliteiten is phacelia: da’s een Californische groenbemester. Geen eetbare plant voor ons, maar de zachtpaarse bloemen zijn perfect bijenvoer. Zaai tussen april en half augustus, in rijtjes met telkens 25 cm tussen. Dit plantje kiemt razendsnel, je schoffelt twee keer tussen de rijen en daarna is je tuin één zee van fijn ingesneden blad. Een paar weken later: volop bijengezoem!

Deze drie superonkruidwerende planten zijn eenjarig. Na de eerste herfstvorst mag het loof als een dekentje blijven liggen: die mulch verteert de hele winter, en houdt je bodem nog steeds onkruidvrij. Het volgende voorjaar hark je de resten bij mekaar: goed materiaal voor je composthoop. Je grond is dan zo goed als onkruidvrij.

Zaai duidelijke rijtjes.

Je kunt op veel manieren zaaien: in rechte rijen, in kunstige bochten, of breedwerpig overal een beetje. Vrijheid blijheid, hoor. Ik strooi graag wat in het rond, kijk maar.cropped-pluktuin-290311-4.jpgMaar hoe weet een beginnende tuinier dan welke kiemplantjes de goeie en de slechte zijn? Om het nog erger te maken: wortel, peterselie, pastinaak en veel andere gewone groenten kiemen tergend traag – en onkruidzaden vreselijk snel. Rijen helpen dan, want tot nader order groeien onkruiden niet vanzelf in rechte rijtjes.

Met een plantkoord en een schoffeltje kun je heel ouderwets een mooie rechte rij maken. Of: je legt de steel van je hark (of zo) op de rulle grond, drukt even aan, en – presto! – je hebt een kaarsrecht geultje. Van mij mag je ook rondere, organische rijtjes trekken in je grond, het is maar waar je je goed bij voelt.

Markeer die rij in ieder geval. Met een labeltje, stokje – en hou ook in een schriftje of Excel bij wat waar wanneer de grond in ging: ikzelf vertrouw niet meer blindelings op mijn geheugen.
Ik ga nog een stapje verder met dat markeren van de rijen: in elke rij, om de tien tot twintig centimeter, stop ik een stokje. Gewoon een stukje aardpeerstengel van vorig jaar, of een gesnoeid twijgje van om het even welke boom of struik – behalve wilg, want die wortelt meteen: niet de bedoeling! Ons wortelbed ziet er dan na het zaaien uit als vier rijen vol stokjes. Ik kan dan, een week na het zaaien, al een keer rustig schoffelen tussen die rijen: het eerste onkruid kiemt immers snel, en worteltjes traag.
Wat ook helpt: zaai, in dat wortelgeultje, om de tien of twintig centimeter één radijszaadje. Dat kiemt snel en maakt de rij zo zichtbaarder.

Schoffel slim.

Hier in het Hageland zeggen grijze-tuiniers-met-grijze-tuinschort: de grond krabben (met een krabber). Elders spreken tuiniers van hakken, of schoffelen. Vooral dat laatste woord hou ik aan, en ik bedoel daarmee: heel oppervlakkig de onkruidplantjes en de bodem wegschrapen. Het snijvlak van de schoffel glijdt en snijdt door de (wortel van de) ongewenste planten heen, net op of onder het oppervlak. Dieper, heviger hakken haalt alleen maar nieuwe, kiemgrage onkruidzaden boven: niet doen, dus.

Schoffels en hakken bestaan in alle maten en kwaliteiten. Ik ben gek op mijn twee puntschoffels, waarmee je duwt in plaats van trekt. Ik heb ze van www.sneeboer.nl, ze hebben een ergonomisch superlange steel plus handvat.

werken met de duwschoffel, dat gaat nogal vooruit (1)Hierboven die met een roestvrij stalen blad van 20 cm breed voor het grove werk, en dan gebruik ik ook een fijner blad van 10 cm breed. Naar mijn ervaring werkt zo’n duwschoffel ongeveer vijf keer sneller dan een gewone trekschoffel.

Al even handig, maar dan als handschoffeltje, is mijn razor hoe van Burgon and Ball. Scheermesschoffel, letterlijk. Een Japanse kruising tussen sikkeltje en handhakje, superlicht en –scherp. Ik heb dat nieuwe speelgoed nog maar enkele maanden en ik kan het niet meer missen. En ik hou het dunne stalen blad op snee met een wetsteentje.

razor hoe (5)
Goed gereedschap is het halve werk, goed gebruik het andere, en timing is alles. Droog weer is dodelijk voor weggeschoffelde planten: ik schoffel dus bij voorkeur in de ochtend van een aangekondigde zonnige en/of winderige dag. Op tijd en regelmatig ook, wanneer de ongewenste plantjes nog klein zijn. Een jeugdherinnering hierbij: buurman Henri, gepensioneerd en ADHD-er, stond elke morgen al het minste onkruidje op te wachten met zijn schoffel. Realistischer is een tot twee keer per week schoffelen, hoor.

schoffelen, voor en tijdens en na (1).JPG
En mag dat onkruid dan blijven liggen? Schiet dat niet meteen weer op? Wees gerust, wees slim en bespaar je de moeite van het oprapen: als je ze in jonge toestand, én bij droogte, wegschoffelt, overleven die ongewenste kiemplantjes je schoffelbeurt niet. Ik laat ze liggen, als een soort van mulch.

Onkruid vergaat niet (deel 2)

Wat ik me al heel lang afvraag: Waarom vreten slakken wel sla, maar geen onkruid? En waarom groeit onkruid sneller dan mijn groenten? Voor het antwoord nemen we eerst de teletijdmachine.

HPIM4281
Biggenkruid is verwant met paardenbloem, en dus vaak ook ongewenst. Lekker in een slaatje.

Jagers-verzamelaars

Kom mee, naar een Syrische vallei, elfduizend jaar geleden. Jij en ik gaan vandaag op zoek naar wilde peenwortels voor het avondmaal. Mandje in de ene hand, graafstok in de andere. Hé, wat zie je er knap uit, met enkel je konijnenbontbroekje aan!

Waar de rivier vorig jaar vruchtbaar slib afzette, daar groeit een hele strook wilde peen. We gaan er regelmatig een maaltje wortels graven: die zijn dun, wit en vezelig. Een heel klein beetje zoet ook – daar is het ons om te doen – en vooral heel aromatisch. Mijn moeder kookt ze vooral samen met wilde granen.

We graven met onze stokken, ik vertel een mop. Maar dan neemt het gesprek een historische wending (Ik vertaal simultaan uit het oer-Syrisch)

  • Hé, gast, deze peen is dubbel zo dik als de andere! (noot van de vertaler: dus 1.6 cm plaats van 0.8 cm)
  • Kom, we graven hem helemaal uit. Moeder zal content zijn!
  • Of wacht, we laten hem zitten.
  • Hoe bedoel je: laten zitten?
  • Ja, dan maakt ie volgend jaar zaad en dan komen daar allemaal dikkere penen van.
  • Als jij dat denkt, goed. Maar ik had ‘m liever meteen opgegeten.
    Zet er een stokje naast, dan herkennen we ‘m volgend jaar.

Fast forward naar twee jaar later, dus 10998 jaar geleden, zelfde plaats:

  • Wat had ik je gezegd?
  • Geniaal, man. Zeg, als die dikkere penen weer zaad maken, dan kom ik er eens plukken.
  • En dan?
  • Dan strooi ik dat zaad ook op andere stukken grond.
  • Syrieus, gast? Als dat lukt, kunnen we alle dagen penen eten.

Slow veredelen

Dat waren de eerste veredelaars, zo ongeveer ging het eraan toe. Ook met andere eetbare wilde gewassen: vooral een- en tweejarigen, die de verzamelaar vanzelf al plukte. Heel af en toe zit er in zo’n populatie planten een afwijkertje, want mutaties komen in de beste families voor. En het is een kwestie van goed kijken, dat zal bij alle latere veredelaars blijken.

Archeologen bevestigen het: veredeling ging allemaal heel traag, die eerste duizenden jaren. Dagelijks overleven was de kunst, er was niet veel tijd voor experimenten als hierboven. Zaden en kennis uitwisselen, dat wel. Generaties gaven tradities door, en zaden werden al gauw handig om te ruilen. De bruid kreeg de familiezaden mee om haar nieuwe akker in te zaaien.

De mens selecteerde wilde planten op gewenste eigenschappen, eerst onbewust en dan bewust. De voorouder van tarwe laat zijn zaden gewoon vallen als ze rijp zijn, en op een dag vond iemand een aar waar alle korrels nog aan vast hingen. Veel praktischer om te oogsten, en dat gold ook voor andere wilde granen en peulvruchten.

Welke kenmerken willen we nog, behalve oogstgemak? Zoet (we zijn er verzot op) en productief: dat zijn de twee belangrijkste eigenschappen waarop wij wilde planten selecteerden. En zo werden we van jagers-verzamelaars stilaan boeren.

küttiger wortelen (4)
Een Zwitsers wortelras: Küttiger Rüebli. Wit en fors, niet zo zoet als onze bekende worteltjes.

Sla

Neem nu wilde sla: die plant ken je, zonder het te weten. Ze staat op bouwpuin, in bermen, en groeit tot anderhalve meter hoog. Dat grijsgroenbladige onkruid is vreselijk bitter en heeft stekels op de nerven. Jakkes! En dat is ook de bedoeling. Planten zijn geëvolueerd zonder pootjes om weg te lopen van planteneters. In de loop van miljoenen jaren (Darwin alweer) hebben enkel de onvreetbaarste planten zich voortgeplant. Ze verweren zich met chemie (vieze smaak tot zelfs gif) en scherpe onderdelen. Dat werkt over het algemeen prima! (Natuurlijk is er altijd wel één plantenetertje dat mee evolueert. Coloradokevers vinden giftig aardappelloof heerlijk.)

Sla dus. De Oude Egyptenaren selecteerden al een slavariant die veel zaad voortbracht. Dat gold als afrodisiacum, vooral omdat (half-)wilde sla een flink erecte plant vormt, met suggestief melksap in de bladeren. De Grieken en later de Romeinen selecteerden die oersla dan weer op bladproductie: het bittere blad was goed voor de spijsvertering, zeiden ze. Romeinse sla dus, maar om appetijtelijk te worden, moesten ze dat bittere blad bewerken met zout en/of azijn.

Onze kropsla dan, tweeduizend jaar later, is al helemaal weggeselecteerd van die bittere, wilde voorouders. Kijk: toen ik kind was, haalde mijn moeder zorgvuldig de bittere nerven uit de kropsla. Nu doet ze dat niet meer. Ligt dat aan mijn moeder of aan de sla? Het tweede: zelfs in de laatste halve eeuw hebben veredelaars sla nog zoeter/sappiger en vooral minder bitter gemaakt. Overigens: mijn moeder haalde indertijd ook de pikante schil van de radijzen, nu niet meer. Tegenwoordig gaat dat veredelen steeds sneller en doeltreffender. Goed voor de kok en zijn eters!

Valse competitie

Maar ook goed voor de tuinier? Goed voor rups, luis en slak, ja! Als zij een onkruid – naar keuze: taai, bitter of stekelig – naast een gecultiveerd gewas – zoet en sappig – zien staan, dan is hun keuze snel gemaakt. Vorig jaar kweekte ik een rij voederbiet naast onze rode biet: je mag drie keer raden waar de haas zijn tanden in zette. Onze smaakpapillen zijn niet uniek in het dierenrijk: iedereen gaat voor snelle suikers en de gemakkelijke hap.

We hebben dus, door al dat selectiewerk, de plant onder meer haar tanden en klauwen ontnomen. Veel van die bittere wilde stoffen zijn ook gezond voor ons, en we hebben ze weg geselecteerd.
Maar ook een deel van de groeikracht: daarvoor neem ik die wilde sla weer. Stel dat je een rijtje wilde sla zou zaaien naast een rijtje kropsla: welke zou er snelst kiemen? Die wilde, ja. Welke zou er snelst groeien, doorschieten en zaad maken? Weer die wilde sla. Welke sla wortelt het stevigst? Alweer die wilde voorouder: moderne sla is veredeld om met druppelbevloeiing op te groeien.

HPIM3984
Ik selecteer ook sla: op krokant blad, ziekte- en schietresistentie, én goede beworteling.

Geef toe: onze gecultiveerde gewassen zijn verwend, helemaal soft geworden. Toch delen ze in de moestuin dezelfde niche met wilde een- en tweejarige onkruiden. Wild en tam, ze willen allemaal vruchtbare, zonnige, losgemaakte grond. Heb je nu het antwoord op de vragen in de inleiding?

Voorlopig besluit

Na vorig onkruidartikel en dit heb je ongeveer door wat de strategie is van onkruiden en hoe ze zich verhouden tot onze groenten. Ziezo, je kent de vijand dus al een beetje beter. In een volgend artikel bekijken we dan concrete anti-onkruidmaatregelen voor je moestuin.

 

De eerste radijsjes

Ze zijn zo vroeg dit jaar, en zo lekker. Toen ik twintig was, zei Broeder Theo tegen me: Een goeie tuinier zet met Sint Jozef radijsjes op tafel. En ja, serreradijsjes op 19 maart, dat lukt me de laatste jaren behoorlijk. Ik zaai begin december, meestal drie rassen. French Breakfast en Saxa zijn vaste waarden, en andere rassen test ik ook elk jaar. De ene winter is de andere niet, en soms wint het ene ras, dan het andere. Maakt niet uit.

Wat ze in ieder geval nodig hebben in de beschutting van de serre: regelmatige aanvoer van vocht. Onze serregrond, in al zijn donkere humuskruimels, buffert al prima water, en ik broes om de paar dagen nog een extra plens over het radijzenrijtje heen.

eerste radijs in serre, in bak 50 cm hoog, french breakfast (8)
French Breakfast is met kop en schouders de eerste radijs dit jaar, en dat doet ie wel vaker.

Maar waarom oogsten we zoveel vroeger dan anders? De warme dagen in februari, allicht. Maar ook de nieuwe bak in de serre, geïnspireerd door Achter Glas, het serreboek dat Jos Vanhoecke voor Velt schreef.

Wat leert Jos mij en jou? In de winter en de lente loont het om in een verhoogde bak te zaaien in de serre. Zijn bak bestaat uit een demonteerbare zaaitafel, 85 cm boven de grond en met 10 cm zaaigrond erin. Mijn bak bestaat uit vier betonnen platen van 50 cm hoog, die helemaal gevuld is met grond.

Wat doet dat dan? (Serre-)lucht warmt sneller op dan (serre-)bodem: op een zonnige februaridag haalt je thermometer makkelijk 20 graden op ooghoogte, maar onder je voeten blijft het kil: tussen 5 en 10 graden, bijvoorbeeld. Als je dan bakken-met-grond hogerop brengt, warmen die duidelijk meer op dan de gelijkvloerse grond. In grond op hoogte kiemt en groeit alles veel sneller dan beneden. Vandaar die hypervroege radijsjes.Ik zaai morgen nog Amsterdamse worteltjes in dezelfde bak, en als die in mei geoogst zijn, komen er paprikaplanten in.

eerste radijs in serre, in bak 50 cm hoog, french breakfast (6)
Een gerecupereerde betonnen plaat van 200 x 50, met links het pad in de diepte en rechts radijs, wat bladkool en sla.

Ons zadenaanbod voor 2019

Kies, zolang de voorraad strekt.

Ik ben gek op eetbare biodiversiteit én op zaden winnen. Vandaar deze jaarlijkse greep uit de veelheid. Overigens, voor nog veel meer bijzondere zaden: ga naar de Velt-Zadenwerkgroep.

Schrijf hieronder welke zaadjes en hoeveel pakjes je wil, plus je adres. De rekening krijg je na verzending. We vragen € 2.00 per pakje, plus verzendkosten.

Of wil je ruilen?

Zaadmengsels

Eigen(zinnige) mengsels: voor oogstspreiding, voor variatie in kleur, vorm & smaak. Deze mengsels vind je niet in de winkel! Ze zijn met plezier zelf gekweekt, gemengd & gedeeld:

  • hou gerust zaadjes van een type dat je leuk vindt;
  • of laat uiteenlopende types naast mekaar bloeien en zaad zetten, voor blijvende variatie.
  1. Slamix Opsala:Al twintig jaar kruis ik allerlei krokante slatypes met mekaar. Romeinse sla, ijsbergsla, bataviasla, … komen samen i in een hele waaier. Ik selecteer streng op ziekteresistentie, schietgevoeligheid en goede wortelgestel. Vind hierin je eigen favoriet en hou er zaad van.
  2. Sluitkoolmix Corrado: een eigen kruisingsmix tussen rood en wit en savooi in. Verwacht maar een hele familie van rozige kolen, van klein tot groot, en de hele herfst lang. Iedere kool is net iets anders, en ze zijn allemaal lekker.
    corrado 2009 (3)
  3. Snijbiet: Regenboogmix
    De stelen zijn wit, geel, roze, rood en alles daartussen.
  4. Amarantmix:Kleurrijk, 50 cm tot 2 m meter hoog. De bladeren eet je gekookt of rauw, de zaadjes kun je gekiemd, gepoft of gekookt eten; ze geven ook een heerlijk aroma aan zelfgebakken brood en bevatten veel goede eiwitten. De bloeiwijze is prachtig in de vaas of om te drogen, maar dan heb je de zaadjes natuurlijk niet meer.
    Teelttip: zaai in april voor in potjes, en plant half mei op 50 x 50 cm uit.

Andere bijzondere gewassen:

  1. Kaukasische rankspinazie (Hablitzia tamnoides):een klimmende bladgroente die via Noorwegen hier terecht kwam. Doorlevend,  nauw verwant met Brave Hendrik. Oogst vooral in het voorjaar de jonge scheuten.
  2. Paarse Shiso (Perilla Nankinensis):
    Shiso en Opsala

    Ook wel Japanse basilicum genoemd, en die naam is deels terecht: zelfde familie en teeltwijze als basilicum. Wel een heel ander, typisch en uniek aroma. Mooie drachtplant, past in elke moestuin, groeit tot 80 cm hoog. Geneeskrachtig, goed voor de spijsvertering.

    Drie gebruikstips:

    a. Meng het blad met 5% zout en laat fermenteren in een afgesloten glazen pot. Google intussen Umeboshi en Shiso.

    b. Laat het blad enkele weken trekken in azijn, voor een intense kleur en smaak.

    c. Droog en knip de afgestorven stengels (november) voor een aromatische thee.

  3. Orange Butternut (Cucurbita moschata):Mooie flespompoentjes, tot 1.5 kg, met okerkleurige schil en dieporanje vruchtvlees. Onze eigen selectie van een Hongaars ras. Teeltadvies: pompoenen van de soort Cucurbita moschata hebben meer warmte en tijd nodig dan andere soorten. Orange Butternut rijpt, naar onze ervaring en op een beschutte zuidhelling, goed op tijd af in oktober.

Onkruid vergaat niet (deel 1)

Op mijn knieën wied ik uien en worteltjes, uren schoffel ik tussen de kolen en de prei. Nutteloos gezwoeg? Ecologische zelfkastijding? Kun je met meer verstand minder moeten wieden? Wel, je moet je vijand doorgronden om hem te kunnen verslaan. Ontdek hoe onkruiden denken en doen, en dan snap je beter hoe je ze kunt aanpakken.

De strategie van eenjarigen

Kijk eens naar de bodem in een bos. Die is voor, laten we zeggen, 99% bedekt, met dode bladeren en/of met planten: dat doet de natuur spontaan als je haar laat begaan. Dat ene procentje blote grond, dat is de uitzondering. Heel soms komt de naakte grond piepen: als een boom omvalt, als een everzwijn of ander beest wroet, of bij zeldzamere calamiteiten als een bosbrand.
Die blote grond blijft nooit lang zo. Al na een paar dagen komen kiemplantjes piepen. Hé, waar komen die vandaan? Heeft iemand die gezaaid? Bijlange niet: die zaadjes zitten daar al lang te wachten. Jaren, eeuwen soms, in het donker van de ondergrond.

zaailingen van paarse dovenetel
Zo kiemt paarse dovenetel

Aan de universiteit van Wageningen deden bodemwetenschappers eens de proef met ’s nachts ploegen. Wat zagen ze? Veel minder onkruid! Want wat triggert de ontkieming van al die onkruidzaadjes? Licht! Ook al is het maar een fractie van een seconde dat ze belicht worden! Zaadjes hebben een receptor voor licht, en weten (bij manier van spreken) dat ze prompt in actie moeten schieten. Als je spit, freest of ploegt – maakt niet uit – belicht je duizenden slapende onkruidzaden, en je wekt ze.
Survival of the fittest, meer is het niet. Heel veel soorten eenjarige onkruiden hebben zich miljoenen jaren geweldig gespecialiseerd in snel reageren op verstoring van de grond. Alles gaat dan snel: kiemen, groeien, bloeien, zaad vormen, afsterven. Allemaal binnen de tijdspanne van een jaar.

En zaad in grote aantallen, dat ook nog. Eén herderstasjesplant produceert vlot 150000 zaadjes, die tot 35 jaar kunnen overleven in de bodem. Zwarte nachtschade: 850000 zaden, en 40 jaar. Ze zijn dus met veel en ze hebben geduld. Ze wachten tot iets of iemand de grond verstoort, en het maakt voor hen niet uit of die komt van een muisje of een bulldozer. En toch, vanuit hun standpunt: hoe meer gewroet, hoe liever ze het hebben. Geen wonder dat ze prima gedijen in mensenvelden en –tuinen. Miljoenen jaren hebben die soorten het moeten doen met minimale verstoring van de bodem, maar sinds de eerste grondbewerking door de mens (pakweg tienduizend jaar geleden) is het feestje voor onkruiden oneindig en steeds groter.

Eenjarige onkruiden zijn echte cultuurvolgers. Overal waar de mens graan ging telen, nam hij onbewust ook onkruidzaden mee. Ze verspreiden zich nu nog, met alle vervoer dat we ze aanbieden. Neem nu knopkruid. Dat komt uit Zuid-Amerika, en kwam hier door de legers van Napoleon en/of de Amerikanen: daar zijn verschillende verhalen over. Vast staat dat knopkruid elk jaar vanaf eind april met miljoenen je moestuin kan innemen, en een blijvertje is.

HPIM4291
Nog zo’n invasieve exoot: reuzenbalsemien

Poppies

Die eenjarige ongewenste planten produceren niet enkel massa’s zaden, maar bestaan ook in veel soorten. Vogelmuur, kamille, knopkruid, kleine brandnetel, melganzenvoet, hanenpoot, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek, melkdistel, Canadese fijnstraal, hoenderbeet, akkerkool, bingelkruid, straatgras, zwaluwtong, perzikkruid, klaproos, om er maar enkele te noemen.

perzikkruid
Het blad lijkt op dat van een perzikboom, vandaar de naam perzikkruid.

Even een historisch zijsprongetje over dat laatste: poppies, weet je wel. In de Westhoek, waar ik vandaan kom, stonden ze tijdens de Eerste Wereldoorlog zo massaal op de slagvelden, dat de Canadese legerarts John McCrae in 1915 zijn beroemde gedicht In Flanders Fields schreef. Die rode bloemen inspireerden hem nadat een goede vriend omkwam tijdens de tweede Duitse gasaanval. De bloedrode klaproos, Papaver rhoeas, wordt een zinnebeeld voor nutteloos verspilde levens. Klaprooszaden bevatten ongeveer 40% olie: daardoor kunnen ze tientallen jaren begraving overleven. Ze verrezen waar de aarde omgewoeld was, in en om loopgraven, in bomkraters en in de sporen van het legertuig.

Nooit meer oorlog, pardon: spitten

Die legers van sprintklare zaden in je moestuinbodem, die noemen we de zadenbank. En als we één ding geleerd hebben van al het bovenstaande: laat die zadenbank voor wat hij is, namelijk daar ergens onder je groenten. Spitten, frezen en ploegen doe je heel uitzonderlijk. Bijvoorbeeld om een stuk grond te ontginnen, maar daarna toch nooit meer. Of bijna nooit: als je aardappelen rooit, dan kun je bijna niet anders dan graven en wroeten.
Velt- en andere ecotuiniers kennen het alternatief voor spitten al bijna 50 jaar. De woelriek, ook woelvork of grelinette genoemd, is de evidentie zelve om moestuingrond te bewerken. Dit ergonomische gereedschap bestaat in veel versies, van licht tot zwaar, van fabriekskwaliteit tot zelfgemaakt. Meestal 50 cm breed, met tanden van 20 tot 25 cm, twee handvatten op borsthoogte. Mijn favoriete model is tot vandaag de Guérilu: een model dat ontworpen is door een tuinier én een kinesist.
Een slim werktuig dus. Vooral als je het slim gebruikt, is het veel beter voor je rug en voor je grond. Je verstoort de lagen niet, brengt nauwelijks onkruidzaden naar boven. En het gaat veel sneller dan spitten. Ooit gaf ik er een demonstratieles mee: op een uur tijd maakte ik honderd vierkante meter mee, terwijl ik nog uitleg gaf ook. Ook (matige) ruglijders en absolute moestuindummies leren er vlot de grond mee bewerken.
Maar, zegt de nog spittende lezer: hoe raak ik dan van mijn onkruid af in het voorjaar? Simpel en slim: bedek je bodem de hele winter met stro en/of mest of nog ander organisch materiaal. In het voorjaar gooi je die bedekking op de composthoop, en je hebt meteen zuivere grond. Even losmaken en harken: klaar voor alle teelten. Er zal altijd nog wel wat onkruid komen piepen – maar aanzienlijk minder.

melkdistel
Uitsmijter: melkdistel is bij de Maori’s gewoon een groente.

Zaai eens een framboos

Zo maak ik een nieuw frambozenras:

  1. Zaai de zaadjes uit een framboos in een pot of bak met potgrond.
  2. Plant de zaailingen uit en wacht.
  3. Na een paar jaar kun je proeven en beoordelen.

    veera in hand
    Veera, een van mijn eerste zaailingen, 1992. Uit een onbekende (flauwe, lage) framboos x doornloze braam Black Satin. Heel aromatisch, vroeg, aan hoge planten.

Niet moeilijk dus. Ik ga even dieper in op die drie stappen:

  1. Stratifieer je frambooszaden! In mensentaal: zorg dat ze eens vorst en dooi meemaken, dan kiemen ze pas. Ik stel twee manieren voor:
    Je potje met potgrond en zaden enkele dagen in en uit de diepvries, en dat een paar keer.
    De hele bloempot met potgrond en zaden de hele winter buiten laten staan, met een gaasje erover tegen scharrelende katten en vogels.
  2. Je plant ze uit op anderhalve meter, met een stokje en/of labeltje erbij. Je hebt dus wat tijd en plaats nodig.
  3. Beoordelen: smaak en opbrengst, dat vooral. Tip: eet een framboos en snuit dan meteen je neus. Dan komen de aromatische stoffen meteen in je reukorgaan.
    Zijn de vruchten stevig genoeg, zodat ze niet pletten of verkruimelen bij het plukken?
    Hoe lang kun je oogsten: een hele maand elke dag een paar, of twee weken lang handenvol?
    De kleur, als je die belangrijk vindt.
    Maakt de zaailing ondergrondse uitlopers? De zwarte framboos, Rubus occidentalis, doet dat gezellig niet, maar wortelt met de toppen van zijn ranken – zoals bramen dus. Een boeiende eigenschap!
framboos hilke
Hilke, 1995. Uit zwarte framboos Bristol x Veera. Vrij vroeg, zachte vruchten aan takken van 3 meter. Geen ondergrondse uitlopers. Smaakt naar kersen / rode wijn.

Hoeveel kans heb je dat je zo een fantastisch ras krijgt?

Uit frambozenzaadjes komen nieuwe frambozenplanten, met allemaal verschillende eigenschappen. Die planten vermeerder je dan verder door te scheuren, af te leggen en zo.

De meeste moderne frambozenrassen hebben een ingewikkelde stamboom, waar soms bramen en andere verwanten uit de familie Rubus bij zitten. Als je daar vruchtjes van zaait, komen enkele van al die eigenschappen naar boven in elke zaailing. Een loterij dus van plant- en vruchtvormen, smaken en kleuren.

Veredelaars doen het niet veel anders dan jij. Maar dan in het groot: ze zaaien jaarlijks honderdduizenden frambozenzaadjes uit, en testen ook alle veelbelovende zaailingen. Ze hanteren dezelfde criteria, plus enkele commerciële, zoals bewaarbaarheid en formaat. (Even mijn petje af voor Derek Jennings, die veel frambozen- en bramenrassen heeft gemaakt, en ook de Tayberry en Tummelberry, kruisingen tussen braam en framboos.) Als liefhebber maak je andere keuzes dan die commerciële veredelaars.

Na een of twee jaar weet je wel of je een zaailing leuk vindt of niet. Planten die tegenvallen, gooi je gewoon op de composthoop. De beste exemplaren kun je een naam geven, en daarna kun je plantgoed vermeerderen en delen.

Constantia 2018 (3)
Constantia, 2015. Uit Hilke. Rond, donkerrood, vrij groot en stevig, zachte smaak. Rijpt op enkele weken af. Stijve takken van 2 meter lang,  geen ondergrondse uitlopers.

Hoe kom je aan die zaadjes?

  1. Van een goed frambozenras neem je een of meer rijpe vruchten. Of je neemt frambozen uit de winkel. Mix de vruchten met een kopje water en zeef de zaadjes uit het mengsel. Meteen zaaien mag, maar je kunt ze ook eerst drogen.
  2. Kruisen hoeft niet, maar geeft meer mogelijkheden. Bij het ene ras (de moeder, zeg maar) verwijder je de meeldraden van een bloemetje, met een pincet. Dan breng je stuifmeel van een ander ras (de vader, dus) aan op de stampers van het moederbloemetje. Hang een nylon kous over de bestoven bloem, en een klein labeltje, zodat je de vrucht terugvindt, en dan niet opeet, maar zaait. Dan ga je verder te werk volgens stapje 1.
  3. Kruisen (nogmaals): zoek het zover je wil. Twee lekkere rassen: ok! Een braam, een braam x framboos: avontuur het maar. Je vindt inspiratie bij de foto’s.

Tot slot:

Veel liefhebbers (in de mooie zin van het woord) schrijven hun eigen liedjes of zelfs een heel boek, of ze vinden een nieuw bier uit, een gerecht of een nieuw soort fiets. Allemaal creatief en ambachtelijk en een dikke pluim waard. Een nieuwe framboos (of om het even welk eetbaar gewas) scheppen is ook zo’n ambachtje. Meer een ontdekking dan een uitvinding. Ach, ik praat er meer over dan dat ik het doe. 1% inspiratie, 0% transpiratie en gewoon wat geduld.

Stel je voor, zegt Raoul A Robinson, dat er over de hele wereld plant breeding clubs waren. Voor het plezier en de wetenschap, en vooral om te delen met iedereen.

Ik had beginnersgeluk, hoor: in 1992 kruiste ik een framboos met een braam, en hoeveel van de 200 zaadjes kiemden er? Twee, en die planten koester ik nog steeds: heel lekkere, productieve eigen rassen. En zo heb ik er sindsdien nog een handvol geselecteerd. Elke winter heb ik een heel klein aanbod van plantgoed van die eigen Lusthofrassen.

Compost maken: M A N G O !

Composteren is (g)een kunst. Ik verwerk jaarlijks enkele kubieke meters organisch afval tot compost. Op de (bijna) klassieke manier, maar even goed met andere technieken. Lees en verteer mee.

De warme versie

Je verneemt het in brochures, op websites en uit de mond van gedreven kringloopkrachten: je composteert pas goed als je een broeiende hoop maakt, volgens de regels van de kunst. Dat warme compostproces vind ik ook het summum – straks meer over de minstens even waardige alternatieven.

Ik heb enkele decennia ervaring met dat echte composteren en ik heb er een beetje mijn eigen versie van gemaakt. Bijvoorbeeld met een vijfletterwoord dat je makkelijk kan onthouden. We gaan zo meteen Mengen, Afdekken, Natmaken, een Grote hoop maken, en Omzetten. Heb je het?

Meng bruin en groen materiaal.

Bruin (koolstofrijk en luchtig) materiaal is stro, zaagsel en de meeste houtsnippers, dorre bladeren en takjes. Groen (stikstofrijk en vochtig) materiaal is: mest, vers tuin- en keukenafval. grasmaaisel. Het groene materiaal levert vooral voedingsstoffen, en het bruine materiaal levert vooral structuur.

Ik gooi alles met een riek door mekaar, dus geen pure lagen groen of bruin materiaal. Veel materialen horen tussen bruin en groen in omdat ze van alles wat bevatten: stalmest, vers gesnipperde bladrijke takken (als de buur zijn haag geschoren heeft), vochtig hooi, … Die materialen zijn ideaal voor mijn hoop, maar ik meng ze voor de zekerheid ook met andere soorten afval. Precieze verhoudingen ga ik hier niet aangeven: in de praktijk moet je gewoon zorgen dat je een hele verscheidenheid aan materialen hebt, en ze goed mengt.

Te grof en te lang materiaal, zoals takken, knip ik in stukjes van 10 cm. Wie graag hakselt: leef je uit. Dat kleinmaken helpt straks de bacteriën en schimmels. Een beetje zoals je zelf je eten eerst fijnkauwt, zodat je maag en darmen hun werk kunnen doen. Hoe beter je mengt, hoe beter de start van je composteerproces.

Afdekken

De klassieke bak, met gaas of open wanden, en zonder bedekking bovenop, droogt veel te hard uit en koelt veel te snel af om de bacteriën en schimmels goed te laten werken. Ik geef mijn composthoop daarom wanden en een dak om het vocht en de warmte binnen te houden. Met jute zakken, grote stukken karton, wat plastic zeil,… knutsel ik een warme jas om de composthoop heen. Of een voering, eigenlijk: dat karton etc stop ik meestal aan de binnenkant van de bakwand.

Krijgt de hoop dan nog lucht? is de vraag die ik dan krijg. Volgens mijn 25 jaar ervaring zit er voorlopig genoeg lucht tussen het bruine materiaal, en is warmte veel belangrijker dan zuurstof voor al die compostwezentjes. Afdekken maakt echt een groot verschil.

Natmaken

Het gemengde groen-bruine materiaal moet ook genoeg water bevatten voor de schimmels en bacteriën. Grasmaaisel, dat is van zichzelf al 90 % of meer water, dus een waardevol ingrediënt voor elke hoop. Meestal voeg ik ook water toe aan de hoop die ik opzet. Een ontspannen plasje is ook een kleine, waardevolle bijdrage. Om te weten of de hoop vochtig genoeg is, neem ik een handvol van het mengsel in mijn hand en ik knijp die dicht. Als er enkele druppels uit lopen, is het vochtig genoeg; anders voeg ik nog water toe.

Een Grote hoop werkt beter dan een kleine.

Dat is logisch ook: de warmte- en vochtverliezen zijn immers beperkter. Een kop koffie koelt sneller af dan een grote ketel soep en een hoop van een kubieke meter composteert beter dan een paar emmers afval. Daarom spaar ik materiaal op, om op een mooie dag alles massaal bij mekaar te mengen. Zo gooi ik kleine hoeveelheden gft-afval voorlopig op een wachthoop. Voor ons is dat gewoon de kippenren. Ik spaar intussen ook een voorraad bruin materiaal op, op een andere plek. Wanneer ik een grote hoeveelheid vers materiaal heb of krijg, kom ik in actie. Een maai- of snoeibeurt, een vracht paardenmest: die zetten mij aan het werk, en dan zet ik een echte hoop op. Ik meng wachthoop- en bruin materiaal met vers materiaal. Ik stapel alles tot een hoop van minstens een vierkante meter oppervlakte, en minstens een meter hoog. Meestal zet ik ongeveer 2 kuub tegelijk op. Het is een leuk fysiek werkje.

Omzetten!

Na die vier stappen gaat de hoop heerlijk broeien. Ik heb zo’n compostthermometer, die aangeeft dat de temperatuur binnenin na enkele dagen oploopt tot 60 graden. Hoger hoeft voor mij niet. Ongelofelijk wat een warmte al dat afval genereert, en dat meestal 14 dagen lang. Ik heb al een paar keer de hoop extra geïsoleerd, met balen stro als deel van de wand dus, en dan bleek die hoge temperatuur drie weken aan te houden.

Na die broeifase – concreet: na drie of vier weken, zet ik de hele hoop om. Alles even door elkaar scheppen met de riek, waarbij ik dat wat eerst aan de buitenkant zat, nu binnen in de hoop breng. Ik sta bij dit klusje altijd verbaasd van de hoeveelheid warmte die nog vrijkomt. Jas uit!

Tijdens het omzetten zie ik ook hoe drooggestookt het midden van de hoop is, en hoe onverteerd de randen nog zijn. Ik doe ook even die knijptest van daarnet en giet wat extra water op de omgezette hoop. Na dat omzetten gaat de hoop weer broeien, iets minder lang en warm als tijdens de eerste fase. En dat is prima, op zich. Mijn trucje: als ik tijdens het omzetten extra vers grasmaaisel onder de hoop meng, geeft die nieuwe brandstof een echte boost aan de hoop, met weer wekenlange hitte.

Tot zover de MANGO-doctrine en het harde werk. Pak een pint, laat die omgezette hoop een half jaar liggen en het zwarte goud ligt voor het scheppen.

Voor wie die hete hoop helemaal wil benutten: hier een heel artikel over de jaarlijkse broeihoop in de serre.

Niet composteren

Warm composteren luistert nogal nauw, zoals je ziet. Als je niet genoeg materiaal hebt, komt er nooit een echte broei in je composthoop of –bak. En dat is het geval voor de meeste tuiniers. Dan wordt die compostbak een afvalbak waar onkruid in groeit. Zijn er dan alternatieven om al je organisch afval te verwerken? Ik noem er enkele die heel simpel zijn.

Ik beschreef al eerder hoe onze langgerekte kippenren onze hele gft-fractie aankan. De kippetjes scharrelen op de laag, de pieren eronder, en één keer per jaar schep ik een behoorlijk verteerd laagje uit de ren, in de kruiwagen en vandaar in de tuin. Is dat dan echte compost? Zo ongeveer wel. In ieder geval voedzaam genoeg voor onze groenten en bessen.

Mulchen is die tweede manier. Ik strooi regelmatig dunne laagjes kleingemaakt snoeisel en grasmaaisel als mulch tussen groenten en struiken, … – ook in de serre! – om onkruid te onderdrukken én om bij te mesten. Dunne laagjes, hé: net genoeg zodat je de bodem eronder niet meer kunt zien, niet dikker. En telkens weer, na elke maaibeurt, zo’n flinterdun laagje bijstrooien. Denk aan poedersuiker op je pannenkoek. En natuurlijk: gooi nooit zomaar maaisel tussen brandnetels: deze groeien er alleen maar harder door.

Een derde, wijze verwerkingstruc voor de knutselaars. Schroef vier pallets tegen mekaar tot een soort compostbak, geef ze een voering van karton (zonder plakband of nietjes), en vul die bak met alles wat je veel vindt in je tuin. Niks snipperen, niks mengen, gewoon de bak volpleuren. Daar dan 10 cm aarde bovenop, begin mei twee pompoenplantjes planten, en klaar. De pompoenranken zullen de hele constructie mooi inpalmen en een half jaar later oogst je alle vruchten. Intussen ben je een tweede bak aan het vullen, verteert en zakt het spul in de eerste bak drastisch. Zo kun je heel veel, lang en makkelijk al je tuinafval kwijt, en het brengt nog wat op ook.

Kalk?

Laat je niks wijsmaken door oude tuinrotten en verkopers van kalk. Hun mythe luidt: je moet kalk toevoegen aan je composthoop. Niet dus, en om verschillende redenen. De gemiddelde moestuin is al te kalkrijk, da’s één. Te veel kalk (een te hoge pH is even slecht voor je moestuin als te weinig. Twee: compost is niet zuur. In iedere honderd kilo compost zit er vanzelf al een paar kilo kalk. Drie: grasmaaisel is ook niet zuur. Denk even na: melk bevat calcium, en de koe haalt die calcium uit… gras.

En vier: als je dan toch kalk in je composthoop zou mengen, reageert die met de aanwezige stikstof. Die vervliegt dan, onder de vorm van ammoniak. En dan kan de winkelier je weer stikstofmeststoffen verkopen, snap je.

Je personeel

Wie composteert er eigenlijk? Bacteriën, schimmels, … en andere nuttige minibeestjes zorgen voor de eerste afbraak, die gepaard kan gaan met hoge temperaturen: die eerste broei vernietigt alle onkruidzaden in je hoop, en dat is goed! Daarna komen pieren, mieren, pissebedden en vele andere nuttige diertjes: na 9 weken tot (normaal gezien) 1 jaar (afhankelijk van ingrediënten, seizoen en standplaats) hebben ze al je afval verwerkt tot compost. Voor wie vies is van al dat gewriemel: wees al blij dat die afbraakbeestjes er allemaal zijn. Anders was de wereld bedekt met een meterdikke laag organisch afval. En ook: in ons lijf zitten evenzeer goede bacteriën en andere nuttige organismen. We kunnen niet zonder ons inwendig personeel. In oude cursussen van biologische landbouw wordt het composteringsproces niet voor niks vergeleken met de spijsvertering.

Het product

Veel blijft er niet over van de hoop, of van de mulchlaag of welke methode je ook hanteert. Wanneer al die beestjes hun taak en hun buik vervuld hebben, blijft er hoogstens een derde van het oorspronkelijke volume over. En hoe weet je dat dat spul klaar is? Gebruik je ogen en je neus: rijpe compost is mooi bruin en ruikt naar En test je compost met tuinkers. Een heel eenvoudig testje, dat je ook met gekochte compost kunt (en moet) toepassen. Doe een handvol compost in een bakje en zaai er wat tuinkerszaadjes in. Je kunt ze tellen, maar dat hoeft niet. Dek ze af met een paar millimeter compost. Geef wat water (met een fijn sproeiertje) en kamerwarmte: na enkele dagen kiemen de zaadjes allemaal. Tenminste: op rijpe compost. Onrijpe compost bevat nog kiemremmende stoffen. Zie je dat niet alles kiemt, of zelfs helemaal niks? Wacht dan een paar maanden, en herhaal de tuinkerstest. Compost heeft immers tijd nodig om rijp te worden.

En wat doe ik met die zelfgemaakte compost, die zijn gewicht in goud waard is? Ik strooi die gewoon op de bedjes. Eventueel na het jaarlijkse ritueel met de woelvork.

De laatste tomaten

Het is goed geweest. Van half juli tot eind november plukten we dagelijks vruchten. Vorige zondag oogstte ik de laatste tomaten, net voor de eerste vorst. Hoe gaat dat hier, elk jaar weer?

Ik pluk eerst alle vruchten, groen en rijp. Van de veertig rassen die ik begin mei plantte, waren er zondag nog dertig actief. Vooral kerstomaten, maar ook nog enkele grotere rassen, zoals Bolstar Granda. In onze situatie (zandgrond, en kerstbomen bij de buren) kies en test ik diep wortelende rassen. Die zoeken het water, tot anderhalve meter diep. Zuinig/slim water geven – lees: om de maand, en vanaf augustus geen druppel water meer – is daarbij essentieel.

Na de pluk trek ik alle planten uit, en ik hak ze in stukken, met de sikkel, en gooi al dat groen op een hoop. Hier en daar verdwijnt een stukje jute opbindtouw in de hoop: geen probleem. Het meeste opbindtouw recupereer ik voor volgend jaar.

Die dertig resterende planten zijn nog relatief gezond, met maar een beetje schimmel hier en daar. Dat komt door mijn zuinige waterbeleid, en door het constante luchten. Straks, als alles opgeruimd is, gaat de tomatenserre dicht:  voor het eerst sinds juni. Lees hier wat ik al eerder schreef over mijn duurzame tomatenteeltwijze.

Ik sorteer de vruchten: vijftien kilo onrijpe, één kilo rijpe. Van die rijpe maak ik meteen nog een pittige saus. Die onrijpe, in veel tinten groen tot lichtrood-/geel/-oranje, die schonk ik vele jaren lang aan een Amerikaanse vriendin: zij maakte er green tomato chutney van.

Sinds vorig jaar fermenteer ik die onrijpe tomaten, ongeveer zoals zuurkool dus. Met gember, hete peper, knoflook, enkele rammenassen, wat groen preiblad, dat wordt het dit jaar.  Het kan ook eenvoudiger, hoor.

Zijn onrijpe tomaten dan niet giftig? Ze bevatten kleine concentraties van zowel tomatine als solanine. Bij het rijpen verdwijnen die, bij het verhitten niet. En bij het fermenteren? Daar vind ik geen informatie over. Nu, die hoeveelheden tomatine en  solanine zijn miniem. Trouwens: Amerikanen eten al eeuwen lang fried green tomatoes, en er zijn chefs die met tomatenbladeren koken.  Tomatine blijkt overigens goed voor cholesterol- en prostaatproblemen. En een van onze kippen was haar hele leven gek op tomatenbladeren: geen probleem.

Onrijpe tomaten laten narijpen, is dat een optie? Ik heb het vroeger jaren lang gedaan, en het resultaat viel steeds tegen. Kwantitatief: al die moeite, en dan rotten er nog veel vruchten. Kwalitatief: met kerst konden we dan enkele net-rode tomaten eten, maar de smaak was zoek.

Het loof van alle tomatenplanten gooi ik in de kippenren. Laat dat daar maar rustig voorverteren, samen met andere biomassa. Begin mei volgende jaar komt die halfverteerde compost allemaal terug naar de tomatenserre, en die voedt dan de nieuwe generatie. Al meer dan twintig jaar is dat een logische, ecologische cyclus.

Zo meteen begint de winter in de tomatenserre.  Achter glas tuinier ik immers het hele jaar rond, en ik wens je hetzelfde.

Suikererwt

Suikererwten kweken we liever dan doperwten en peultjes.  En omdat ze nogal onbekend zijn, geef ik ze hier graag extra aandacht.

Sugar Snaps, zoals ze ook wel heten, brengen het beste van twee werelden bij mekaar: hun peulen zijn zo dik als die van doperwten, dus dik gevuld, maar je kunt ze (bijna*) in hun geheel eten. Da’s dus veel minder (dop-)werk en veel meer opbrengst.  

Dit erwtentype is bij het grote publiek nog niet goed bekend, en helemaal onterecht. Toch bestaan suikererwten al lang. In de VS kweken de Amish misschien al honderd jaar een suikererwt, maar die circuleerde blijkbaar enkel in die gemeenschap. En intussen, ook in de VS, ontdekten erwtenveredelaars een ras met bijzondere kwaliteiten: zo kwam Sugar Snap op de markt, in 1979. Twee meter hoog, heel productief, en een volle, zoete smaak, en enkele weken lang oogstbaar: onder de suikererwten is dit nog steeds mijn favoriet. Sindsdien zijn er nog veel andere suikererwtenrassen ontwikkeld.

Ik leerde Sugar Snap rond 1995 kennen dankzij Daniel Willaeys, een Velt-pionier in Halle-Zoersel. Intussen vind je dit en andere rassen al bij De Nieuwe Tuin, De Bolster en anderen.

Het moeilijkste aan suikererwten is het zaaien. De zaden zijn helemaal gerimpeld, en kiemen niet in koude grond. Daarom is het klassieke advies: zaai ze pas buiten in april/mei. En daar wringt het voor mij, want laat zaaien geeft late oogst – op zich geen probleem – met gegarandeerd wormpjes van de erwtenpeulboorder. Zouden we dan niet beter heel vroeg en binnen zaaien?

Vandaar: ik laat de zaden in januari (!) binnen kiemen, en dat doen ze vlot. Zodra ze gekiemd zijn, plant ik ze in potjes in de serre.  In maart of april plant ik ze dan buiten: ze kunnen, net zoals alle erwtenplantjes, wel wat kou hebben. Met de nieuwe, halflage rassen zoals Sugar Rae, Sugar Ann, Sugar Bon, Ambrosia (vrij platte peul) en Delikett (fijn rond peultje) kunnen we zo vanaf half mei erwtjes eten. Het klassieke ras Sugar Snap oogsten we 3 weken later.  Tot zover de theorie: in een warm voorjaar rijpen al die rassen bijna tegelijk af, is mijn ervaring.

Het tweede moeilijkste aan suikererwten vind ik: de oogst naar de keuken brengen. Gewoon plukken en happen, tijdens het  tuinieren, da’s pas genieten.
*Bij sommige rassen moet je een draadje afhalen, bij andere niet.

De eeuwige pluktuin

Energetische instant-tuinefficiëntie bereik je met doorlevende eetbare planten: je plant, je plukt – meer moet dat niet zijn. Jaarlijks hernieuwen die planten zich immers vanzelf. Echte permaculteurs lopen zeer hoog op met doorlevend eetbaars: zero input, constante output – wat wil een mens nog meer? Een deel van onze Lusthof is dan ook voorbehouden aan een waaier aan vaste planten met smaak. De gemiddelde lezer – lapje grond, te drukke agenda om serieus te tuinieren – denkt nu allicht: Zo’n luilekkerhof wil ik ook!

Je hoort vaak van voedselbossen – kijk eens op www.voedselbos.be . Over bomen zal ik het hier nauwelijks hebben, want ik mik even op kleinere tuinen. Ik ga dan ook veel doorlevend lekkers uit lagere regionen opsommen: bessen, kruiden en groenten, snap je. Het onderscheid tussen die twee laatste vind ik academisch en dus overbodig.

Welkom dus in onze eeuwige pluktuin – een term van tuinmaat Hugo D’Hooghe uit Brasschaat. Verwacht niet meteen dat je hieruit je volledige dagelijkse kost kunt halen, maar veel(eer) extraatjes qua smaak en voedingswaarde. Bonus: de meeste hier volgende soorten zijn nog sierlijk ook.

Op 10 cm, in januari. Plukklaar zoekplaatje met moeslook, penningkruid, monarda, aangevuld met tweejarigen landkers, selder, zwartmoeskervel en roodlof.

Probleem één, voor veel bezoekers/lezers: je weet niet waar eerst kijken, en je kent de meeste planten niet. De baksteenburger kent immers meer merken van bier, sportgoden, automodellen, … dan eetbare planten. Hoe dat komt laat ik aan je gezond verstand over, maar het heeft iets te maken met onderwijs en opvoeding, media en reclame.

Het plukplezier begint al op vorstvrije winterdagen. Ik negeer in bovenstaand plukzoekplaatje even tweejarigen zoals landkers, roodlof en selder  en ook madeliefje en paardenbloem (sorry, die komen wel eens in een ander artikel aan bod). Ik stel hier even de volgende vaste planten voor in januaritoestand:

  1. Bergamotplant (Monarda didyma) geeft een heerlijk, bloemig tijmaroma aan slaatjes, thee en andere gerechten. De bloemen zijn roze, rood of paars, naargelang de cultivar, zijn erg in trek bij insecten en in de keuken. Rode monardabloemetjes geven hier elke zomer kruidige pit aan pastasalades. Dit is een flinke kruiper, hoor. Daarmee geef ik al aan dat een aantal doorlevende eetplanten ook zouden kunnen gaan woekeren – àls je ze niet opeet, tenminste.
  2. Allium zebdanense. Ik verzamel wel wat wilde alliums: hun smaak varieert van knof- tot bieslook, met soms een preitoets. Dit sierlookje bloeit in april, sierlijk wit; andere soorten geven een leuke spreiding in tijd en kleur. Jawel, alles aan deze lookjes is eetbaar: bloemetjes, bladeren, eventuele bolletjes… Komende herfst vind je wel plantgoed van alliums (sieruien) in tuincentra en –catalogi: gewoon wat proberen, een keertje proeven.
  3. Penningkruid (Lysimachia nummulata): kruipt vlot de tuin rond; de blaadjes hebben een prettig smaakje, het hele jaar door; eet ook de gele bloemen ’s zomers.
  4. Zwartmoeskervel (Smyrnium Olusatrum). Eigenlijk twee- tot driejarig, maar ik smokkel ‘m hiertussen. Indrukwekkende weerstand tegen alles behalve langdurige droogte; pittige selderachtige smaak. Wordt 100 cm hoog en is een heel oude eetplant.

Op 20 cm hoogte. Aan de voet van pruim Opal groeien citroenkruid, bieslook en monarda

Mei aan de voet van een pruimenboom – die dorre stengels dienen als bescherming tegen krabbende katten. Dit is een makkelijker zoekplaatje, hé, met maar enkele planten.

Wat ik vooral wil tonen: als je al plaats hebt voor een boom, geef ‘m dan wat pittige kruiden aan de voet. Die zouden de boom op één of andere manier helpen, lees ik in oude en nieuwe boeken. Ik volg mijn groene vinger en plant het volgende:

  1. Bergamotplant, Je ziet: dit is één van mijn favoriete thee-ingrediënten.
  2. Bieslook (Allium schoenoprasum). De gewoonste doorlevende uiensmaker. Makkelijk te kweken; scheur om de paar jaar, eet de bloemetjes natuurlijk ook, …
  3. Citroenkruid (Artemisia abrotanum). Kruidige citrusgeur en –smaak, met mate te gebruiken in thee – da’s mijn disclaimer. Op elke hoogte en op elk moment te snoeien; stop takjes van dit kruid in de grond en ze groeien: zo kun je zelfs een heel geurhaagje aanleggen.

De resterende foto’s dateren van eind juni: net voor veel doorlevenden in bloei schieten.

Op 30 cm hoogte. Berglook gaat goed samen met wilde rucola.

  1. Wilde rucola (Diplotaxis tenuifolia) smaakt steviger dan de eenjarige. Vol omega 3 en andere supergezonde stofjes, lees ik – de meeste doorlevende groenten zijn niet of nauwelijks veredeld, en zitten bijgevolg nog vol robuuste pit voor tuin en lijf. Voortdurend plukken en snoeien houdt wilde rucola productief en lekker. Haal simpelweg een paar wilde rucolaplantjes in je supermarkt of tuincentrum – ze hebben meestal zo’n heel diep ingesneden blad. Laat ze één keer bloeien (zwavelgeel, mooi!) en zaad vormen: zo ben je voor de rest van je dagen voorzien van wilde rucola
  2. Berglook (Allium carinatum). Van september tot maart knip ik blaadjes, bieslookgewijs; in april/mei oogst ik verfijnde potlooddikke preitjes (meteen ook de smaak verklapt); in juni/juli eten we de bloemhoofdjes (anders strooit berglook te kwistig met broedbolletjes); in augustus graaf ik de zilveruitjesachtige bolletjes op. Zo heb ik ze ook gevonden op vakantie in Frankrijk, eind vorige eeuw, en sindsdien niet meer weg te krijgen uit onze tuin. Al maar goed ook, want deze wilde allium zou ik niet meer willen missen.

Op 50 cm hoogte. Maggiboom en wilde venkel, daarachter brave hendrik.

  1. De Chinese maggiboom (Toona sinensis ofwel Cedrella sinensis) vind je als siergewas bij tuincentra, of ook bij vreeken.nl. Een traaggroeiend boompje, naar mijn ervaring, maar wàt een smaak: één blaadje geeft je soep en andere hartige gerechten een heerlijk bouillonaroma.
  2. Wilde venkel (Foeniculum vulgare) is de oerouder van de eenjarig gekweekte knolvenkel. Die intussen klassieke groente vraagt de nodige zorg om zo’n dikbilstengel te vormen, en die oogst je dan één keer. De wilde variant levert van het vroege voorjaar tot augustus vingerdikke stengels, als je tenminste blijft oogsten, want anders schiet hij prachtig door. De zaadjes kun je natuurlijk ook oogsten voor thee, en de holle stengels dienen na de winter voor de bouw van insectenhotels. Het zaad van deze doorlevende venkel plukte ik twintig jaar geleden aan een vier meter hoge plant in een naburige berm. Twee dagen later was deze plant met de klepelmaaier tot moes gemept. Wat geluk en wat aandacht helpen nogal eens om zaadjes te vinden van lekkere planten.
  3. Brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus) is een stevige verwant van spinazie en melde: het blad is wat taaier en smaakt sterker. Alweer vanaf maart te oogsten, het hele seizoen door, als je maar blijft snijden. Typisch voor veel van die doorlevende rakkers is met hun lange penwortel goed verankerd zitten: ze hebben weinig last van klimaatkuren, vinden voldoende voeding in de diepere lagen, en komen elk voorjaar onverstoorbaar weer boven. Ik kreeg zo’n brave hendrik op een ruilbeurs vele jaren geleden. Heel soms laat ik ‘m in zaad komen, want met de zaadjes kan ik weer andere tuiniers plezieren. De kiemkracht van veel zulke wilde eetbaren is overigens vaak vluchtig: hoe verser het zaad, hoe sneller je zaait, hoe beter. Gewoon meteen na de oogst – typisch tijdens de nazomer – op de gewenste plaats uitstrooien werkt het beste.

Ziezo, dit waren al elf vaste klanten in de voortdurende eettuin: een volgende keer meer van dat. Hun cyclus kan niet eenvoudiger zijn: groeien, terug in de grond kruipen – meestal tijdens de winter, maar er zijn er ook met zomerrust. Doorlevend luilekker tuinieren is zo zen. Als je oogsten werk vindt, dan heb je veel werk aan deze doorlevende smaakmakers. Ze hebben een oerverleden en een mooie toekomst!

Het moeilijkste aan de meeste van die doorlevende eetbare planten is vaak de zoektocht naar plant- of zaaigoed. Kijk dan bijvoorbeeld eens bij Den Oude Kastanje: zij hebben al een pittig assortiment. Ook in onze tuin kun je van november tot maart is er altijd een beetje plantgoed: kom op bezoek, en met een schepje vul ik een hele doos voor je.

%d bloggers liken dit: