Hoe efficiënt is je tuin?

Wat brengt je tuin op?

Vaststelling nummer één: de modale Vlaamse tuin kost handenvol (fossiele en spier-)energie maar brengt geen gram eten op. Gazon, terras, een paar sierstruiken: mag het even, zul je me vragen. De oorlog ligt toch al lang achter ons, een krop industriesla kost amper enkele centen, hé.

Opbrengst? Tja, wat brengt een tuin allemaal voort?

  • Mag ons tuintje ook niet gewoon dienen als kijksalon, barbecueplek en sjotpleintje? Tuurlijk: als langdurige tuinier ben ik de eerste om tuinplezier te stellen boven pure in- en output.
  • Werken in de tuin levert gezonde in- en ontspanning, zeggen studies.
  • Werk, ja! Één are moestuin vraagt, op jaarbasis en heel gemiddeld genomen voor gemiddelde moestuiniers, één uur per dag werk. Je werkt dan best bijna dagelijks even in je tuin tijdens de piekmaanden (vooral april tot juni): om de maand grote wiedrazzia houden is niet goed voor je tuin en je rug! Door te mulchen en andere slimme technieken toe te passen kun je deze input makkelijk halveren, hoor.
  • Biodiversiteit zou je wel kunnen tellen: hoeveel soorten vlinders, spinnen, enzovoort herbergt je tuin? Een bezoeker vertelde me trots dat hij ringslangen ‘heeft’ in zijn tuin; zelf vond ik eens een alpenwatersalamander in het Tieltse veld: tegen dat wow-gevoel kan niks op!
  • De ultieme meetbare opbrengst is die aan calorieën: eten, dus. Tip: aardappelen scoren in ons klimaat heel hoog qua opbrengst – dat schrijf ik elders. Als er een dappere tuinier eens wil eens bijhouden wat haar/zijn tuin aan calorieën opbrengt – en ook verbruikt, dan hoor ik dat wel graag. Met andere woorden: wat zou jouw tuin-EPC zijn? Zelf begin ik wijselijk niet aan deze rekenoefening: ik tuinier liever dan dat ik excelbestanden zit te vullen…

Wat leert ons de geschiedenis over energie-efficiënt omgaan met voedsel?

Het kan je verbazen, maar zogezegd primitieve jagers-verzamelaars gebruiken amper 1 calorie om er 10 te winnen. Ze hebben namelijk heel veel terreinkennis en overlevingsvaardigheden, en weten gewoon wanneer de noten vallen, hoe ze hagedissen moeten vangen enzovoort. Voorraden leggen deze nomaden niet of nauwelijks aan: ze volgen de seizoenen, het wild, de oogst – en dus lijden ze wel eens honger. Met zoveel zijn die natuurvolkeren niet meer, maar dat ligt niet aan hen.

Tienduizend jaar geleden dan begon de mens landbouw te bedrijven. In de oorspronkelijke versie, met menselijke of dierlijke tractie, stopt de boer ongeveer 1 calorie in zijn bedrijf om er 1 uit te halen. Hou hier al rekening mee als je zelf je voedsel wilt verbouwen, beste lezer! In die traditionele boerenmaatschappij, tot pakweg 1900, kwamen misoogsten hard aan. De eerste grote aardappelplaag, eind de jaren 1840, eiste miljoenen levens van Ierland tot ver op ons vasteland.

Het petroleumtijdperk, van 1900 tot nu toe, heeft de wereldbevolking doen exploderen. Tegenwoordig verbruiken we gemiddeld tien – voornamelijk fossiele – calorieën om er 1 calorie aan eten mee te produceren. Kunstmest, tractoren, wereldwijd vervoer: ze zijn zo onvermijdelijk dat de Amerikaanse voedseljournalist Michael Pollan stelt dat ons eten vooral uit olie bestaat. Onze maatschappij zou dus – volgens mij – veel efficiënter zijn als we gewoon dagelijks ons half litertje ruwe olie zouden drinken – zonder al die omwegen dus.

Sterker nog: in een wereld waar efficiëntie zogezegd primeert, vind je Ierse boter in Oostenrijkse supermarkten en andersom. Zouden die vrachtwagenchauffeurs mekaar halverwege soms ontmoeten? Keniase boontjes, Chileense bio-appels, Braziliaanse verse kippen, …: de wereldmarkt gooit ze tegen belachelijke prijzen op je bord, en hoe hard moet je je best doen om als zelfvoorziener tegen die consumptiestroom in te roeien?

Voor en na het petroleumtijdperk.

Zou onze tuin – na de oliepiek – kunnen functioneren met minder of zelfs zonder fossiele brandstof? Sjonge: lastige vraag, want net als elke andere moestuinier hangen wij af van aangevoerde voeding. Alle planten verbruiken immers stikstof, fosfor, kalium, magnesium en kalk – plus nog een handvol sporenelementen – en die moeten ergens vandaan komen. Aanvoer dus, want onze kringloop is helaas niet gesloten.

Heel veel tuiniers kopen compost aan; ik doe dat zo min mogelijk omdat ik het composteerproces maximaal wil benutten – over die broeihoop schrijf ik elders. Daarom dus sleur ik massaal composteerbare materialen aan. Buurman Marc levert graag en gratis paardenmest (zoveel als ik wil); Natuurpunt Aarschot is gul met verse houtsnippers (jaarlijks zo’n kuub of 4 of 5) van een beheerswerkdag; van enkele buren krijg ik af en toe een paar zakken vol vers grasmaaisel; op het veld in Tielt brengt een brave reservaatbeheerder jaarlijks reusachtige balen maaisel aan; … Ik ben er trots op dat ik al die materialen (zo goed als) gratis vast kan krijgen: het heeft wel enkele jaren geduurd eer ik de juiste personen op de juiste manier aansprak…

Al deze ingrediënten kosten vanzelfsprekend heel wat fossiele brandstof eer ze bij mij komen: hoe lang zal ik nog (bijna) gratis over deze lokale maar energie-intensieve bronnen kunnen beschikken?.

Al die bronnen zullen in post-petroleumtijden – dat is een kwestie van enkele jaren, zeker? – opdrogen, dat staat vast. Hoe zal ik dan biomassa vinden om mijn planten te voeden om mijn gezin te voeden?

Één alternatief, las ik ergens, bestaat erin dat je de helft van je perceel vol luzerne en smeerwortel zet. Die twee planten wortelen immers heel diep en ze produceren – zeker in combinatie met mekaar – jaren na mekaar massa’s groen dat je kunt blijven snijden.

Smeerwortel bloeit sierlijk.
Smeerwortel bloeit sierlijk.

Prima gratis materiaal om mee te mulchen en te composteren, dus. In Engelstalige permacultuurboeken horen die twee planten tot de dynamic accumulators. In het Nederlands zou ik die opslagplanten of doorlevende groenbemesters noemen. Dat zijn (een hele reeks) planten die zonder moeite uit de grond veel voedingsstoffen oppompen, die je dan kunt inzetten voor je voedingsgewassen.

Voor wie al die theorie moeilijk vindt: gras, paardenbloem en klaver zijn ook van die vanzelf groeiende opslagplanten. Meer heb je niet nodig om zelf wat konijnen te kweken: ook al zo’n pre- (en post-) industriële zelfvoorzieningsmethode.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s