Zelfzaaiers in de moestuin

Het principe

Net zoals je in een bloemenakker een- of tweejarige bloemen zich laat uitzaaien, zou je in principe groenten en kruiden zichzelf kunnen laten zaaien.

Dat gebeurt vanzelf al wanneer je bepaalde planten niet in het oog houdt, of als je aan zaadteelt doet en daarbij zaadjes morst. Zaadteelt, en a fortiori het opzettelijk laten uitzaaien van bepaalde groenten is niet echt een gewoonte bij de meeste moestuiniers. In oude boeken vinden we dan weer dat kervel zich best zelf kan uitzaaien.

Uiteraard zullen een aantal soorten zich gemakkelijker vestigen dan andere: dit hangt vooral af van hun vorstbestendigheid, het aantal zaden dat ze voortbrengen en de kiemkracht bij voor ons klimaat normale temperaturen en vochtigheidsgraad en hun groeisnelheid. Goudsbloem, korenbloem, slaapmutsje, … zijn van die typische soorten in de bloemenakker.

Een lijstje van zelfzaaiers

Bij groenten en kruiden heb je ook een aantal soorten die het goed kunnen doen:

  • amarantmelde
  • bieslook
  • dille
  • eetbare chrysant
  • kervel
  • kliswortel
  • koriander
  • landkers
  • lepelblad
  • molsla
  • mosterd
  • peterselie
  • postelein
  • raapsteeltjes
  • rucola
  • sla: vooral niet kroppende types
  • snijbiet
  • snijselder
  • tuinkers
  • tuinmelde
  • veldsla
  • wilde venkel
  • wilde rucola
  • winterpostelein
  • zwartmoeskervel

In bovenstaande lijst vind je, opvallend genoeg, vooral bladgroenten en kruiden; andere gewassen, met name de wortel-, vrucht-, en peulgewassen, ontbreken vooral omdat ze uit andere klimaatzones komen. Kliswortel is dan weer oorspronkelijk van bij ons, maar door Japanse tuiniers eeuwenlang geselecteerd op meer smaak en minder vezels; die eetbare chrysant is ook zo’n Japanse selectie van onze ganzenbloem.

Japanse kliswortel is een onkruid van bij ons, veredeld door Japanse tuiniers. Sterke plant, sterke smaak!
Japanse kliswortel is een onkruid van bij ons, veredeld door Japanse tuiniers. Sterke plant, sterke smaak!

Hoe grijp je in?

Beeld je niet in dat je nu bijvoorbeeld een heel bed sla laat bloeien en zich uitzaaien, en dat je daar jaar na jaar weer ongestoord van kunt oogsten. Observeren en wat bijsturen, stel ik dus voor:

  • Selectie: je laat niet de hele populatie zich uitzaaien, maar je oogst – uiteraard – en je houdt bij voorkeur de interessantste exemplaren aan, die trager doorschieten, beter produceren, …
  • Je kunt best het grootste deel van het zaad oogsten, hoor (en bijhouden, ruilen, doorgeven): één mosterdplant, bijvoorbeeld, maakt wel duizenden zaden aan, en zoveel mosterd heb je niet nodig;
  • Je verplaatst de zaaddragers, met een deel van het zaad, bij voorkeur naar een ander bed. Deze maatregel kan perfect passen binnen je teeltwisseling, en de reden blijft dezelfde: bodemgebonden ziektes en plagen voorkomen. Vooral bij kruisbloemigen is dat wat opletten, is onze ervaring: met name mosterd en raapsteeltjes dragen en bevorderen knolvoet.
  • Een handige maatregel: hang je zaaddragers ondersteboven op aan een stok of iets dergelijks, zodat de zaadjes tussen 20 en 50 cm boven de bodem hangen. Door de wind zullen de zaden dan op het bed verspreid geraken.
  • Oppervlakkige verstoring: je harkt of hakt de grond lichtjes op. Een gelijkaardig effect bereik je door het aanbrengen van een fijn laagje compost. Of je laat je merels het werk doen…

De meeste van bovenstaande ingrepen dienen om je bodem in de pioniersfase te houden: het stadium waarin onze een- en tweejarige groenten het best gedijen. Op onverstoorde grond gaan immers snel doorlevende (on)kruiden domineren.

Je ingrepen zijn ook noodzakelijk om de gewenste variatie in stand te houden: als je, bij wijze van experiment op één perceel twintig groenten uit bovenstaande lijst zaait en dan aan hun lot overlaat, zullen er na twee jaar slechts enkele overblijven.

Een zelfgezaaid eetbedje in december: lekker winters groen!
Een zelfgezaaid eetbedje in december: lekker winters groen!

Wanneer kiemt dat?

Veel soorten kunnen dan binnen enkele weken kiemen. Enkele uitzonderingen zijn bijvoorbeeld winterpostelein en veldsla: die zaaien zich uit in het begin van de zomer, maar blijven in kiemrust tot augustus of september, het tijdstip waarop je ze volgens de tuinkalender ook zou zaaien.

Dit is een vorm van breedwerpig zaaien: het is dus belangrijk dat je de zaailingen goed kent (ofwel leert kennen) en dat er weinig onkruid is. Probeer daarom niet alle soorten tegelijk, maar één of twee per jaar: zo leer je de zaailingen kennen.

Te dicht gezaaide plantjes kun je bij een aantal soorten uitplanten, maar meestal kun je beter uitdunnen – en zo meteen wat oogsten.

Naargelang de soort zal er ook steeds een percentage van de zaden niet meteen kiemen, maar in de grond blijven rusten tot het volgende jaar, of zelfs tot vele jaren later. Met name mosterd, raapsteel en andere kruisbloemigen kunnen lang in kiemrust blijven en jaren later opduiken – een mogelijke verstoring van je teeltwisseling dus.

Je zadenbank!

Een gevolg van deze zelfzaaitechnieken is dat je de zadenbank in je bodem verandert. Van nature bevat je bodem immers massa’s zaden van wilde (on)kruiden. Wanneer je niet meer spit, laat je de onderliggende lagen, met hun gulle onkruidzadenbank, waar ze horen: onderin en onverstoord.

Tussen 1995 en 2000 heb ik onze zadenbank enkele jaren getest.  Ik nam gewoon, elke winter, op diverse plaatsen in de pluktuin een schepje grond van de bovenste laag. Dan mengde ik al deze grondstalen in een zaaibak. Een weekje vochtig houden, en kijk: daar kwam vanzelf een hele waaier aan zaailingen piepen. Leuk overigens om al die zaailingen te herkennen of te leren kennen!

Grond uit een klassiek gespitte moestuin zal in deze test massa’s vogelmuur, straatgras, knopkruid, en tal van andere ongewenste gasten opleveren. Onze grond gaf bij de eerste test een gelijkaardig beeld, weliswaar met enkele gewenste kiemplantjes erbij, want ik liet toen al diverse groenten zich uitzaaien.

Geleidelijk ging onze zadenbank er heel alternatief uitzien. De zaaiproef  van 2000 gaf uiteindelijk 95 % eetbare zaailingen; dus amper 5 % onkruiden!  Zo kun je je bodem jaar na jaar dus meetbaar zien evolueren.

Dus:

Heel wat bladgroentjes en kruiden kun je zichzelf laten uitzaaien, mits:

  • wat aandacht
  • zin om te leren
  • enkele minimale ingrepen.
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s