Zaai eens een aardappel!

Planten, zaaien?

Aardappelen planten, dat ken je. Eigenlijk doe je dan aan ongeslachtelijke vermeerdering, wist je dat? Ook scheuren,afleggen, stekken, enten, …: kennen we als methodes van één (doorlevende) plant meer identieke stuks te maken.

Als je echter een zaadje uit een aardappelvruchtje (of uit een aardbei, een appel, enzovoort) zou zaaien, wat krijg je dan? De nakomelingen kunnen wat op de ouder lijken (lijk jij op je moeder?) en soms interessante eigenschappen bevatten: daar gaat het ons hier om.

Beroepsveredelaars zaaien jaarlijks miljoenen zaadjes uit, en selecteren dan de beste – met criteria als opbrengst en bruikbaarheid in keuken of industrie. Zelf kun je andere criteria hanteren bij je selectie: kleur, vorm, smaak, …

Bestaan er dan nog niet genoeg aardappelrassen?

Goh, in eerste instantie zou ik antwoorden: zijn er nog niet genoeg filmpjes op YouTube, of boeken, of …? Zelf rassen van eetbare gewassen creëren lijkt me een even eerzame hobby, in samenwerking met de natuur nog wel. Trouwens: je kunt je fouten altijd opeten, zegt Carol Deppe*.

Nieuwe aardappelrassen zijn, op mondiale schaal, ook nodig: dat komt vooral door de beruchte aardappelziekte, Phytophthora infestans, die de voorbije zomer heel wat schade aanrichtte in aardappelvelden en tomatenserres. Wat niet iedere tuinier weet: deze pseudoschimmel is de voorbije decennia heel sterk gemuteerd.De rassen uit je kindertijd zijn daardoor al helemaal gedateerd, alsook de (biologische) bestrijdingsmiddelen van toen. Resistenties zijn dus steeds tijdelijk en het kweekwerk is echt een wedloop tegen de muterende ziekte. Zo was enkele jaren geleden was het gloednieuwe ras Bionica nog volledig resistent, maar nu is die resistentie al plaatselijk doorbroken. Blijven zoeken dus.

Even iets over het Bintje en drie resistente rassen

Het – nu ziektegevoelige – Bintje werd in 1905 door een Friese onderwijzer gekweekt. De gangbare Bintjesboer spuit per groeiseizoen minstens twintig keer met fungiciden: van gifpiepers gesproken!

Velt organiseert bewust al enkele jaren een samenaankoop van pootgoed van resistente rassen. We houden daarbij de ontwikkeling van nieuwe rassen goed in het oog; uiteraard zijn dat klassiek veredelde aardappelen, zonder genetische modificatie of zo. We passen ons aanbod ook aan wanneer dat kan en moet.

Tegenwoordig biedt Velt met zijn samenaankoop onder meer Biogold en Toluca aan: die bevatten ieder één resistentiegen tegen de aardappelplaag; en dan is er ook SarpoMira met zijn vijf resistentiegenen. Je begrijpt al dat Phytophthora infestans vlotter dat ene gen zal overwinnen dan dat pakket van vijf.

Genoeg verteld: hoe doe je dat nu concreet?

  • Je hebt zaadjes nodig (zie verder), geduld en een lapje grond.
  • Zaai op warmte (20 tot 25 graden) in maart, dus zoals je tomaten zaait. Leuk om te zien: aardappelzaailingen kunnen al meteen sterk verschillen in uitzicht en groeikracht.
  • Verspeen, en plant uit in potjes; kweek je plantjes verder op in een serre of binnen. Ze hebben veel licht nodig!
  • Plant in volle grond omstreeks half mei, op (ongeveer) 30 x 30 cm; aard een paar keer aan.
  • Oogst wanneer je aardappelplanten rijp zijn: je hebt nu een aantal knolletjes per plant.
  • Eet vooral niet meteen al die knolletjes op: plant ze het volgende jaar uit. Pas na het tweede seizoen kun je een volwaardige oogst verwachten.
  • Iedere oorspronkelijke plant wordt zo een nieuw ras – in theorie toch.
Aardappelzaailingen: hier staan potentieel een paar tientallen nieuwe rassen te kiemen.
Aardappelzaailingen: hier staan potentieel een paar tientallen nieuwe rassen te kiemen.

Observeer en selecteer!

  • De aardappelziekte is een heel belangrijk selectiecriterium of zelfs –instrument: reeds tijdens hun eerste groeiseizoen kun je duidelijke verschillen merken qua gevoeligheid.
  • Als het blad rare vormen of vlekken krijgt: gooi die plant er dan uit, want wellicht is een virus verantwoordelijk, en dat willen we niet;
  • Je selecteert uiteraard op opbrengst en smaak: twee kenmerken die je pas na het tweede kweekjaar kunt beoordelen
  • Als amateur liggen je criteria heel anders dan bij de beroepsveredelaar: niks belet jou om een zaailing met diepe ogen, met gekke knobbels of kleuren aan te houden. De professionele veredelaar heeft de wereldmarkt voor ogen, jij je eigen bord.

    Zusjes verschillen - twee nakomelingen van Sarpo Una (2)
    Zusjes verschillen – twee nakomelingen van Sarpo Una

Beroeps- versus liefhebberscriteria

Ik ga even in op die andere criteria, want je kunt niet geloven hoe compleet anders die zaailingknollen kunnen zijn dan hun supermarktbroertjes. Ieder aardappelras draagt immers in zich een heel genoom, waarin veel wilde (ongewilde) trekjes zitten. Aan jou de keuze.

  • Het loof kan klein tot reusachtig zijn; Sarpo Mira en zijn zaailingen zijn bijvoorbeeld felle groeiers;
  • Bloemen: van niks, tot wit of lila of paars of alles daartussen.
  • Je planten kunnen tussen juni en het najaar afrijpen;sommige beginnen pas in september knolletjes te maken, en dat vinden wij te laat – maar 400 jaar geleden was dit standaard.
  • Voor de industrie rooien ronde knollen beter dan langwerpige, laat staan knobbelige knollen;
  • Van piepkleine knolletjes tot stuks van bijna een kilo: de variatie per struik kan enorm zijn.
  • De beroepsteler heeft graag rassen die hun knollen relatief dicht bij mekaar aanmaken; niet te diep of te oppervlakkig ook; verwacht dus ook zaailingen die hun knollen op onverwachte diepte of heel verspreid aanmaken;
  • De schil kan wit over geel en rood tot paars zijn, vlekjes inbegrepen. Aardappelen met een paarse schil zijn moeilijk te oogsten in goeie zwarte grond;
  • Wij willen geelvlezige rassen, de Britten willen witte. Wil je paarse puree, roze of roodgevlekte frietjes? Al die tinten zitten in het vruchtvlees.
  • Knollen met vlakke ogen zijn makkelijk te schillen; ik vind diepere ogen wel mooi.
  • De industrie verdeelt aardappelen strak in bepaalde kook- en bakkwaliteit: van vast tot bloemig. Je zou ook eerst een aardappelras kunnen kweken en dan gaan zoeken naar zijn culinaire mogelijkheden.
  • Professionele veredelaars doen er vele jaren over omeen kandidaat-ras te testen, alvorens ze het eventueel op de markt brengen; als liefhebber zie je na twee, drie jaar wel of je een leuke nieuwigheid hebt.

Amateur kweekt superras?

  • Rijk ga je niet worden van het zaaien van aardappelen; een ras registreren is interessant voor grote firma’s.
  • Tuinmaat Ivan Maertens kruiste in 2009 Sarpo Mira met Vitelotte Grande (een langwerpig paars ras). Ik kreeg enkele tientallen nakomelingen van hem: ze zijn vooral heel bloemig, heel laat en behoorlijk resistent tegen de aardappelziekte. De voorbije jaren heb ik er de minst productieve types uit gehaald; we hebben nu een kleurige mix, die nog steeds op proef is, maar waar we intussen bonte chips en frietjes van maken. Het is maar wat je er zelf van bakt, dus.
  • Aardappels zaaien kun je best gewoon voor je plezier doen, hoor. Je kunt je zelfgewonnen rassen een naam geven, als exclusief cadeautje schenken, en vooral ruilen met andere tuiniers. Bij het rooien van die zaailingen heb ikzelf telkens een paaseitjesgevoel: wat voor verrassends zal er nu weer uit de grond komen?

Waar vind je zaad?

  • Een aantal rassen produceren van die (giftige) groene bollen: daarin zit het zaad.
  • Die vruchten komen zeker niet aan alle rassen; ze hebben ook een goede zomer nodig.
  • Vertrek van resistente rassen: dan heb je al een redelijke kans op succes. Haal dan gewoon het zaad uit hun vruchtjes.
  • Je kunt ook kruisen: breng stuifmeel van ras A op de stamper van ras B, en win het zaad.
  • Die vruchtjes laat je (weken, maanden) binnen narijpen tot ze een fruitige geur verspreiden, en dan pruts je de zaadjes eruit; je kunt ze op een stukje papier laten drogen, maar zelf laat ik ze even fermenteren – zoals tomatenzaad dus. Concreet: ik meng de zaadjes met een kopje water, en laat dat mengsel een paar dagen staan tot het stinkt. Dan zeef en spoel ik de zaadjes grondig, en spreid ik ze op bakpapier. Een week laten drogen: klaar!
  • Wij hebben zaadjes van vooral ziekteresistente aardappelrassen. Wat je daaruit zaait, is wellicht ook ziekteresistent, maar verder een hele verrassing.

Deze boeken raad ik aan:

  • Breed your own vegetable varieties, door Carol Deppe
  • The Lost Art of Potato Breeding, door Rebsie Fairholm
  • Het Aardappelkweekboek, door Aardappelwereld BV, Louis Bolk Instituut, Bioimpuls

Hier vind je nog meer:

  • Via aardappelzaad@velt.be kun je ook beperkte hoeveelheden zaadjes bestellen, en ook ervaringen en materiaal uitwisselen.
  • Google ‘True PotatoSeed’ (dat is dus aardappelzaad).
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s