Ik herinner me precies waar (1988) en wanneer (da’s minder belangrijk in dit kader) ik voor het eerst over successie las. Met dit inzicht ben ik anders gaan tuinieren – en ik wens je hetzelfde.

Biologieles: van bloot naar bos

Een blote bodem blijft niet lang onbegroeid, dat weet je zo. Als de gemiddelde tuinier niet ingrijpt, verandert de plantengroei voortdurend: mijn lapje grond verwildert, denkt hij/zij dan.

In onze streken is het eindstadium (ook wel climaxvegetatie genoemd) het loofbos.

Het hele proces  van opeenvolgende fasen van plantengroei wordt successie genoemd – dat betekent dus gewoon ‘opvolging’.

Vooraf al dit: in alle stadia is de bodem van nature steeds bedekt, met planten en/of met een strooisellaag.

Van nature volgen deze stadia mekaar op: pioniersvegetatie, graslandvegetatie, ruigtekruidenvegetatie en uiteindelijk struweel- en bosvegetatie.

De tijd tussen pioniersvegetatie en ruigtevegetatie is kort, maximum. 5 jaar. Van ruigte naar struweel duurt pakweg 2 tot 5 jaar, en de evolutie van struweel naar stabiel bos kan wel een eeuw duren.

De ene bodem is daarbij de andere niet. In een climaxbos op droge zandgrond bijvoorbeeld groeien eik, wilde kamperfoelie en eikvaren, terwijl je in een vochtiger bos op leembodem ook es, wilde hyacint, daslook en kleine maagdenpalm vindt.

We overlopen hieronder de diverse stadia, hun typische plantengroei en de groenvormen – zeg maar: soorten gecultiveerde natuur – die ervan afgeleid zijn.

Pioniersvegetatie

Pioniersvegetatie is de begroeiing bij uitstek op verstoorde bodem. Blote grond is heel uitzonderlijk in de natuur: bosbrand of erosie, of ook wel gravende dieren maken al eens wat bodem ‘vrij’, maar dat is dan ook heel tijdelijk. Verstoring van de bodem komt ook voor waar een boom is omgewaaid.

Ons spitten, frezen, bulldozeren, … zorgt voor massaal veel verstoorde bodem: wat in de natuur de uitzondering is, daar hebben wij de regel van gemaakt. Braakliggende terreinen vràgen gewoon om pioniersplanten.

Die pioniers zijn overwegend eenjarige planten, die gespecialiseerd zijn in snelle verspreiding. Ze kiemen, groeien en produceren dus zaad in eenzelfde groeiseizoen. Ze vormen veel, licht zaad dat zich vlot verspreidt. Zo bedekken ze heel snel een je blote tuingrond – tot ongenoegen van de bezitter; daarom heten ze dan ook onkruiden. Melganzevoet, perzikkruid, knopkruid, korenbloem, vogelmuur, klaproos en kamille, om er maar een handvol te noemen.

In ‘14-‘18 verstoorden tanks en loopgraven de West-Vlaamse klei, zodat de poppies welig tierden: net zoals bij vele andere eenjarige soorten kan het zaad van klaproos heel lang – tientallen jaren als het moet – wachten tot iets of iemand de grond verstoort. Je begrijpt dus al waarom het slimmer is om niet meer te spitten…

Perzikkruid: eigenlijk een sierlijk eenjarig onkruid.
Perzikkruid: eigenlijk een sierlijk eenjarig onkruid.

Tuiniers kennen eigenlijk heel goed eenjarigen, en kweken ze maar al te graag – of toch een aantal ervan, met zaadjes uit een glossy catalogus. We zaaien die dan in de volgende groenvormen: een bloemenakker, uiteraard, maar ook de moestuin zelf. Je weet het of je weet het niet: heel veel van onze groenten zijn geselecteerd uit eenjarige of tweejarige kruiden. En uit de wilde klaproos, korenbloem, goudsbloem, … hebben veredelaars dubbele vormen gekweekt, met afwijkende kleuren. Daar zijn de meeste tuiniers dol op, maar op de spontaan opkomende eenjarige plantjes niet…

Graslandvegetatie

Na een jaar of zo evolueert een pioniersvegetatie vanzelf naar een graslandvegetatie. Grassen zijn meerjarig en kiemen trager en wortelen dieper dan pioniersplanten. De graswortels vormen een grasmat die ondoordringbaar is voor de wortels van pioniers, waardoor die laatste dan het loodje leggen.

In een graslandvegetatie vind je behalve grassen ook graslandplanten. Ze zijn uiteraard eveneens meerjarigen en hun bouw is aangepast aan het leven in een dichte grasmat. Zo hebben ze diepe wortels die onder de mat van graswortels zitten. Je kent ze wel: paardenbloem, het verdoemde jakobskruiskruid (giftig voor paarden), margriet, gewoon duizendblad en langbladige ereprijs zijn een paar voorbeelden van graslandplanten.

Een beproefde truc hebben ze gemeen: hun bladrozet waarmee ze een schaduw werpen op het gras dat rond hun stengel groeit. Zo houden ze het gras op een afstand. Dankzij hun lange bloeistengel kunnen ze goed concurreren met de grassen. Op die manier kunnen ze ook gegraas makkelijk overleven.

Zie je zo al een hooilandje voor je, of varianten ervan? Gazon, bloemenweide, bollengrasland, of gewoon een weide met een paar grazers erin: dat zijn bekende groenvormen.

Ruigtekruidenvegetatie

Als je gras niet wordt gemaaid of afgegraasd, komt het in bloei, gaan de halmen liggen en sterven ze af. Doe dat enkele jaren na mekaar en je krijgt een pak opeengestapeld gras waarvan de onderste laag mooi verteert. Op die voedselrijkdom gedijen dan weer bepaalde nieuwkomers beter, en we noemen ze ruigtekruiden: brandnetels, bramen, leverkruid, harig wilgenroosje, boerenwormkruid, moerasspirea, kattenstaart, ridderzuring, … Het zijn allemaal hoogopschietende kruiden die veel voedsel willen, en sterk ontwikkelde wortels maken. Gaandeweg verdringen ze het gras en de graslandplanten.

De groenvorm die hier het best bij aansluit is het bloemenmassief, met bijvoorbeeld echinacea, aster, solidago, smeerwortel en andere ruige jongens.

Struweel- en bosvegetatie

In die ruigte duiken na een paar jaar zaailingen van struiken en bomen op. Met dank aan wind, water, vogels, …: die voeren gratis zaadjes aan. Er ontstaat een heel struweel met struiken  – denk maar aan meidoorn en vlier –  en de eerste bomen – berk, els en wilg, vooral. Na enkele jaren groeien die bomen al boven het struweel uit. Door een gebrek aan licht verdwijnen veel struiken, grassen en ruigtekruiden. Het struweel verandert stilaan in een bosje – dat zag ik ook in Maria’s Hofke gebeuren, tussen 1993 en 2007 (dus voor ik het perceel ontgon).

Welke groenvorm hoort hierbij? Je heg, haag, struikengordel, of bosje, uiteraard – al dan niet met eetbare planten erin, natuurlijk.

De eerste bomen zijn lichtkiemers: hun zaad wil licht om te kiemen. Door hun dichte bladerdek maken zij de weg vrij voor soorten die een schaduwrijke plek verkiezen. Zo evolueert ons bosje vanzelf naar een gemengd bos van lichtminnende bomen (onder meer grove den, berk en populier) naar een bos met halfschaduwsoorten (tamme kastanje, boskers, eik en es) en uiteindelijk krijg je  een bos met schaduwboomsoorten (beuk, haagbeuk). Tegen die tijd, beste lezer, zijn we al een paar decennia verder.

Probeer het gewoon eens, zou ik zeggen. Het enige wat je moet doen is: niet ingrijpen en geduld oefenen. Niks energieverspilling: alleen maar observeren, met je handen in je zakken, of met je camera in de aanslag.

Opbouwen en afbreken

In het blotegrondstadium is er vaak nul procent organische stof in de bodem, in het climaxbos zitten we makkelijk aan 10 procent organische stof in de bodem. Meer cijfers: een volwassen Vlaams bos stockeert 30 kg koolstof per vierkante meter, gelijk verdeeld over ondergrondse en bovengrondse biomassa. Ook het aantal soorten neemt gestaag toe: een kale akker. Voor zijn boek ‘The World in a Cubic Foot’ nam de auteur telkens ongeveer een emmer grond, en fotografeerde hij alle zichtbare levende wezens. Een maïsakker scoort 9 beestjes of plantjes; een struweel of bos al gauw 100.

Stel dat je alle foto’s, van pioniers- tot climaxfase naast mekaar plakt, zie je een toename van groen, van koolstof, van biodiversiteit. Beeld je die foto’s in, van links naar rechts: continue opbouw, hé. Volgens de Gaiatheorie (James Lovelock, 1969!) is dat een bijna bewuste strategie van planeet aarde, maar dat zou ons te ver leiden.

Tegenover die hele opbouwgoesting van de aarde staat meestal de menselijke afbraakwoede. Meestal echter willen we immers een bepaald stadium in stand houden. Alsof je zou willen voorkomen dat je kinderen groot worden! We gaan dus ingrijpen, en dat noemen we beheer.

Om te voorkomen dat een pioniersstadium grasland wordt, moet je de bodem jaarlijks verstoren. Vandaar al dat geploeg en gespit, al duizenden jaren lang. Schoffelen en/of mulchen (veel makkelijker!) horen ook thuis in dit rijtje van beheersmaatregelen.

Als je niet wil dat je grasland overgaat in een ruigte, moet je minstens een keer per jaar maaien, en om te voorkomen dat een ruigte verandert in een bosvegetatie, moet je minstens om de 3 tot 5 jaar maaien.

Al dat beheer vergt massa’s – vooral fossiele – energie: we verzetten heel wat om te voorkomen dat ons gazon en onze stoep aan successie gaan doen. Ooit waren er geen bladblazers of grasmaaiers, kettingzagen of hakselaars, strimmers of trimmers. Hoe zag de wereld eruit voor herbiciden akkers en opritten ‘schoon’ hielden?

En ooit, wie weet wanneer, wordt fossiele energie weer schaars en gaan we weer zinvol zwetend werk verzetten in de natuur, om den brode. Maaien met de zeis, hakken met de bijl, en andere middelen inzetten waar we van vervreemd zijn: afbranden, laten begrazen. Zien we dat zitten? Een andere keer ga ik dieper in op dat soort historisch natuurbeheer…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s