Onkruid vergaat niet (deel 2)

Wat ik me al heel lang afvraag: Waarom vreten slakken wel sla, maar geen onkruid? En waarom groeit onkruid sneller dan mijn groenten? Voor het antwoord nemen we eerst de teletijdmachine.

HPIM4281
Biggenkruid is verwant met paardenbloem, en dus vaak ook ongewenst. Lekker in een slaatje.

Jagers-verzamelaars

Kom mee, naar een Syrische vallei, elfduizend jaar geleden. Jij en ik gaan vandaag op zoek naar wilde peenwortels voor het avondmaal. Mandje in de ene hand, graafstok in de andere. Hé, wat zie je er knap uit, met enkel je konijnenbontbroekje aan!

Waar de rivier een paar jaar geleden vruchtbaar slib afzette, daar groeit een hele strook wilde peen. We gaan er regelmatig een maaltje wortels graven: die zijn dun, wit en vezelig. Een heel klein beetje zoet ook – daar is het ons om te doen – en vooral heel aromatisch. Mijn moeder kookt ze vooral samen met wilde granen.

We graven met onze stokken, ik vertel een mop. Maar dan neemt het gesprek een historische wending (Ik vertaal simultaan uit het oer-Syrisch)

  • Hé, gast, deze peen is dubbel zo dik als de andere! (noot van de vertaler: dus 2 cm plaats van 1 cm)
  • Kom, we graven hem helemaal uit. Moeder zal content zijn!
  • Of wacht, we laten hem zitten.
  • Hoe bedoel je: laten zitten?
  • Ja, dan maakt ie volgend jaar zaad en dan komen daar allemaal dikkere penen van.
  • Als jij dat denkt, goed. Maar ik had ‘m liever meteen opgegeten.

Fast forward naar twee jaar later, dus 10998 jaar geleden, zelfde plaats:

  • Wat had ik je gezegd?
  • Geniaal, man. Zeg, als die dikkere penen weer zaad maken, dan kom ik er eens plukken.
  • En dan?
  • Dan strooi ik dat zaad ook op andere stukken grond.
  • Syrieus, gast? Als dat lukt, kunnen we alle dagen penen eten.

Slow veredelen

Dat waren de eerste veredelaars, zo ongeveer ging het eraan toe. Ook met andere eetbare wilde gewassen: vooral een- en tweejarigen, die de verzamelaar vanzelf al plukte. Heel af en toe zit er in zo’n populatie planten een afwijkertje, want mutaties komen in de beste families voor. En het is een kwestie van goed kijken, dat zal bij alle latere veredelaars blijken.

Archeologen bevestigen het: veredeling ging allemaal heel traag, die eerste duizenden jaren. Dagelijks overleven was de kunst, er was niet veel tijd voor experimenten als hierboven. Zaden en kennis uitwisselen, dat wel. Generaties gaven tradities door, en zaden werden al gauw handig om te ruilen. De bruid kreeg de familiezaden mee om haar nieuwe akker in te zaaien.

De mens selecteerde wilde planten op gewenste eigenschappen, eerst onbewust en dan bewust. De voorouder van tarwe laat zijn zaden gewoon vallen als ze rijp zijn, en op een dag vond iemand een aar waar alle korrels nog aan vast hingen. Veel praktischer om te oogsten, en dat gold ook voor andere wilde granen en peulvruchten.

Welke kenmerken willen we nog, behalve oogstgemak? Zoet (we zijn er verzot op) en productief: dat zijn de twee belangrijkste eigenschappen waarop wij wilde planten selecteerden. En zo werden we van jagers-verzamelaars stilaan boeren.

küttiger wortelen (4)
Een Zwitsers wortelras: Küttiger Rüebli. Wit en fors, niet zo zoet als onze bekende worteltjes.

Sla

Neem nu wilde sla: die plant ken je, zonder het te weten. Ze staat op bouwpuin, in bermen, en groeit tot anderhalve meter hoog. Dat grijsgroenbladige onkruid is vreselijk bitter en heeft stekels op de nerven. Jakkes! En dat is ook de bedoeling. Planten zijn geëvolueerd zonder pootjes om weg te lopen van planteneters. In de loop van miljoenen jaren (Darwin alweer) hebben enkel de onvreetbaarste planten zich voortgeplant. Ze verweren zich met chemie (vieze smaak tot zelfs gif) en scherpe onderdelen. Dat werkt over het algemeen prima! (Natuurlijk is er altijd wel één plantenetertje dat mee evolueert. Coloradokevers vinden giftig aardappelloof heerlijk.)

Sla dus. De Oude Egyptenaren selecteerden al een slavariant die veel zaad voortbracht. Dat gold als afrodisiacum, vooral omdat (half-)wilde sla een flink erecte plant vormt, met suggestief melksap in de bladeren. De Grieken en later de Romeinen selecteerden die oersla dan weer op bladproductie: het bittere blad was goed voor de spijsvertering, zeiden ze. Romeinse sla dus, maar om appetijtelijk te worden, moesten ze dat bittere blad bewerken met zout en/of azijn.

Onze kropsla dan, tweeduizend jaar later, is al helemaal weggeselecteerd van die bittere, wilde voorouders. Kijk: toen ik kind was, haalde mijn moeder zorgvuldig de bittere nerven uit de kropsla. Nu doet ze dat niet meer. Ligt dat aan mijn moeder of aan de sla? Het tweede: zelfs in de laatste halve eeuw hebben veredelaars sla nog zoeter/sappiger en vooral minder bitter gemaakt. Overigens: mijn moeder haalde indertijd ook de pikante schil van de radijzen, nu niet meer. Tegenwoordig gaat dat veredelen steeds sneller en doeltreffender. Goed voor de kok en zijn eters!

Valse competitie

Maar ook goed voor de tuinier? Goed voor rups, luis en slak, ja! Als zij een onkruid – naar keuze: taai, bitter of stekelig – naast een gecultiveerd gewas – zoet en sappig – zien staan, dan is hun keuze snel gemaakt. Vorig jaar kweekte ik een rij voederbiet naast onze rode biet: je mag drie keer raden waar de haas zijn tanden in zette. Onze smaakpapillen zijn niet uniek in het dierenrijk: iedereen gaat voor snelle suikers en de gemakkelijke hap.

We hebben dus, door al dat selectiewerk, de plant onder meer haar tanden en klauwen ontnomen. Veel van die bittere wilde stoffen zijn ook gezond voor ons, en we hebben ze weg geselecteerd.
Maar ook een deel van de groeikracht: daarvoor neem ik die wilde sla weer. Stel dat je een rijtje wilde sla zou zaaien naast een rijtje kropsla: welke zou er snelst kiemen? Die wilde, ja. Welke zou er snelst groeien, doorschieten en zaad maken? Weer die wilde sla. Welke sla wortelt het stevigst? Alweer die wilde voorouder: moderne sla is veredeld om met druppelbevloeiing op te groeien.

HPIM3984
Ik selecteer ook sla: op krokant blad, ziekte- en schietresistentie, én goede beworteling.

Geef toe: onze gecultiveerde gewassen zijn verwend, helemaal soft geworden. Toch delen ze in de moestuin dezelfde niche met wilde een- en tweejarige onkruiden. Wild en tam, ze willen allemaal vruchtbare, zonnige, losgemaakte grond. Heb je nu het antwoord op de vragen in de inleiding?

Voorlopig besluit

Na vorig onkruidartikel en dit heb je ongeveer door wat de strategie is van onkruiden en hoe ze zich verhouden tot onze groenten. Ziezo, je kent de vijand dus al een beetje beter. In een volgend artikel bekijken we dan concrete anti-onkruidmaatregelen voor je moestuin.

 

Advertenties

5 gedachten over “Onkruid vergaat niet (deel 2)”

  1. Leuk om je blogs te lezen, Lieve.

    Ik stuur je er ook eentje van mij. Vorig jaar heb ik m’n aardappelen boven de grond geteelt. Terwijl de andere tuinders hun oogst uit schaamte verborgen hielden, was mijn oogst geweldig. Dit jaar ga ik het weer zo doen: Spectaculair resultaat; aardappels boven de grond kweken

    Hartelijke groet,

    Annelies Braakman

    >

    Like

  2. Echt weer een fantastisch stukje, Lieven! Ik ben een klassiek hobbymoestuiniertje en totaal begeesterd door je blog. Ik heb al je artikels meermaals gelezen en ook al andere interessante mensen/resources ondekt dankzij jouw links. Ik hoop echt dat meer mensen dit juweeltje van een blog vinden!!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s