Categorie archief: biodivers!

De eeuwige pluktuin

Energetische instant-tuinefficiëntie bereik je met doorlevende eetbare planten: je plant, je plukt – meer moet dat niet zijn. Jaarlijks hernieuwen die planten zich immers vanzelf. Echte permaculteurs lopen zeer hoog op met doorlevend eetbaars: zero input, constante output – wat wil een mens nog meer? Een deel van onze Lusthof is dan ook voorbehouden aan een waaier aan vaste planten met smaak. De gemiddelde lezer – lapje grond, te drukke agenda om serieus te tuinieren – denkt nu allicht: Zo’n luilekkerhof wil ik ook!

Je hoort vaak van voedselbossen – kijk eens op www.voedselbos.be . Over bomen zal ik het hier nauwelijks hebben, want ik mik even op kleinere tuinen. Ik ga dan ook veel doorlevend lekkers uit lagere regionen opsommen: bessen, kruiden en groenten, snap je. Het onderscheid tussen die twee laatste vind ik academisch en dus overbodig.

Welkom dus in onze eeuwige pluktuin – een term van tuinmaat Hugo D’Hooghe uit Brasschaat. Verwacht niet meteen dat je hieruit je volledige dagelijkse kost kunt halen, maar veel(eer) extraatjes qua smaak en voedingswaarde. Bonus: de meeste hier volgende soorten zijn nog sierlijk ook.

Op 10 cm, in januari. Plukklaar zoekplaatje met moeslook, penningkruid, monarda, aangevuld met tweejarigen landkers, selder, zwartmoeskervel en roodlof.

Probleem één, voor veel bezoekers/lezers: je weet niet waar eerst kijken, en je kent de meeste planten niet. De baksteenburger kent immers meer merken van bier, sportgoden, automodellen, … dan eetbare planten. Hoe dat komt laat ik aan je gezond verstand over, maar het heeft iets te maken met onderwijs en opvoeding, media en reclame.

Het plukplezier begint al op vorstvrije winterdagen. Ik negeer in bovenstaand plukzoekplaatje even tweejarigen zoals landkers, roodlof en selder  en ook madeliefje en paardenbloem (sorry, die komen wel eens in een ander artikel aan bod). Ik stel hier even de volgende vaste planten voor in januaritoestand:

  1. Bergamotplant (Monarda didyma) geeft een heerlijk, bloemig tijmaroma aan slaatjes, thee en andere gerechten. De bloemen zijn roze, rood of paars, naargelang de cultivar, zijn erg in trek bij insecten en in de keuken. Rode monardabloemetjes geven hier elke zomer kruidige pit aan pastasalades. Dit is een flinke kruiper, hoor. Daarmee geef ik al aan dat een aantal doorlevende eetplanten ook zouden kunnen gaan woekeren – àls je ze niet opeet, tenminste.
  2. Allium zebdanense. Ik verzamel wel wat wilde alliums: hun smaak varieert van knof- tot bieslook, met soms een preitoets. Dit sierlookje bloeit in april, sierlijk wit; andere soorten geven een leuke spreiding in tijd en kleur. Jawel, alles aan deze lookjes is eetbaar: bloemetjes, bladeren, eventuele bolletjes… Komende herfst vind je wel plantgoed van alliums (sieruien) in tuincentra en –catalogi: gewoon wat proberen, een keertje proeven.
  3. Penningkruid (Lysimachia nummulata): kruipt vlot de tuin rond; de blaadjes hebben een prettig smaakje, het hele jaar door; eet ook de gele bloemen ’s zomers.
  4. Zwartmoeskervel (Smyrnium Olusatrum). Eigenlijk twee- tot driejarig, maar ik smokkel ‘m hiertussen. Indrukwekkende weerstand tegen alles behalve langdurige droogte; pittige selderachtige smaak. Wordt 100 cm hoog en is een heel oude eetplant.

Op 20 cm hoogte. Aan de voet van pruim Opal groeien citroenkruid, bieslook en monarda

Mei aan de voet van een pruimenboom – die dorre stengels dienen als bescherming tegen krabbende katten. Dit is een makkelijker zoekplaatje, hé, met maar enkele planten.

Wat ik vooral wil tonen: als je al plaats hebt voor een boom, geef ‘m dan wat pittige kruiden aan de voet. Die zouden de boom op één of andere manier helpen, lees ik in oude en nieuwe boeken. Ik volg mijn groene vinger en plant het volgende:

  1. Bergamotplant, Je ziet: dit is één van mijn favoriete thee-ingrediënten.
  2. Bieslook (Allium schoenoprasum). De gewoonste doorlevende uiensmaker. Makkelijk te kweken; scheur om de paar jaar, eet de bloemetjes natuurlijk ook, …
  3. Citroenkruid (Artemisia abrotanum). Kruidige citrusgeur en –smaak, met mate te gebruiken in thee – da’s mijn disclaimer. Op elke hoogte en op elk moment te snoeien; stop takjes van dit kruid in de grond en ze groeien: zo kun je zelfs een heel geurhaagje aanleggen.

De resterende foto’s dateren van eind juni: net voor veel doorlevenden in bloei schieten.

Op 30 cm hoogte. Berglook gaat goed samen met wilde rucola.

  1. Wilde rucola (Diplotaxis tenuifolia) smaakt steviger dan de eenjarige. Vol omega 3 en andere supergezonde stofjes, lees ik – de meeste doorlevende groenten zijn niet of nauwelijks veredeld, en zitten bijgevolg nog vol robuuste pit voor tuin en lijf. Voortdurend plukken en snoeien houdt wilde rucola productief en lekker. Haal simpelweg een paar wilde rucolaplantjes in je supermarkt of tuincentrum – ze hebben meestal zo’n heel diep ingesneden blad. Laat ze één keer bloeien (zwavelgeel, mooi!) en zaad vormen: zo ben je voor de rest van je dagen voorzien van wilde rucola
  2. Berglook (Allium carinatum). Van september tot maart knip ik blaadjes, bieslookgewijs; in april/mei oogst ik verfijnde potlooddikke preitjes (meteen ook de smaak verklapt); in juni/juli eten we de bloemhoofdjes (anders strooit berglook te kwistig met broedbolletjes); in augustus graaf ik de zilveruitjesachtige bolletjes op. Zo heb ik ze ook gevonden op vakantie in Frankrijk, eind vorige eeuw, en sindsdien niet meer weg te krijgen uit onze tuin. Al maar goed ook, want deze wilde allium zou ik niet meer willen missen.

Op 50 cm hoogte. Maggiboom en wilde venkel, daarachter brave hendrik.

  1. De Chinese maggiboom (Toona sinensis ofwel Cedrella sinensis) vind je als siergewas bij tuincentra, of ook bij vreeken.nl. Een traaggroeiend boompje, naar mijn ervaring, maar wàt een smaak: één blaadje geeft je soep en andere hartige gerechten een heerlijk bouillonaroma.
  2. Wilde venkel (Foeniculum vulgare) is de oerouder van de eenjarig gekweekte knolvenkel. Die intussen klassieke groente vraagt de nodige zorg om zo’n dikbilstengel te vormen, en die oogst je dan één keer. De wilde variant levert van het vroege voorjaar tot augustus vingerdikke stengels, als je tenminste blijft oogsten, want anders schiet hij prachtig door. De zaadjes kun je natuurlijk ook oogsten voor thee, en de holle stengels dienen na de winter voor de bouw van insectenhotels. Het zaad van deze doorlevende venkel plukte ik twintig jaar geleden aan een vier meter hoge plant in een naburige berm. Twee dagen later was deze plant met de klepelmaaier tot moes gemept. Wat geluk en wat aandacht helpen nogal eens om zaadjes te vinden van lekkere planten.
  3. Brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus) is een stevige verwant van spinazie en melde: het blad is wat taaier en smaakt sterker. Alweer vanaf maart te oogsten, het hele seizoen door, als je maar blijft snijden. Typisch voor veel van die doorlevende rakkers is met hun lange penwortel goed verankerd zitten: ze hebben weinig last van klimaatkuren, vinden voldoende voeding in de diepere lagen, en komen elk voorjaar onverstoorbaar weer boven. Ik kreeg zo’n brave hendrik op een ruilbeurs vele jaren geleden. Heel soms laat ik ‘m in zaad komen, want met de zaadjes kan ik weer andere tuiniers plezieren. De kiemkracht van veel zulke wilde eetbaren is overigens vaak vluchtig: hoe verser het zaad, hoe sneller je zaait, hoe beter. Gewoon meteen na de oogst – typisch tijdens de nazomer – op de gewenste plaats uitstrooien werkt het beste.

Ziezo, dit waren al elf vaste klanten in de voortdurende eettuin: een volgende keer meer van dat. Hun cyclus kan niet eenvoudiger zijn: groeien, terug in de grond kruipen – meestal tijdens de winter, maar er zijn er ook met zomerrust. Doorlevend luilekker tuinieren is zo zen. Als je oogsten werk vindt, dan heb je veel werk aan deze doorlevende smaakmakers. Ze hebben een oerverleden en een mooie toekomst!

Het moeilijkste aan de meeste van die doorlevende eetbare planten is vaak de zoektocht naar plant- of zaaigoed. Kijk dan bijvoorbeeld eens bij Den Oude Kastanje: zij hebben al een pittig assortiment. Ook in onze tuin kun je van november tot maart is er altijd plantgoed: kom op bezoek, en met een schepje vul ik een hele doos voor je.

Slow composting

Kippenrencompost

Makkelijker dan zo’n echte composthoop opzetten: we gooien gewoon al ons organisch afval in onze langgerekte kippenren, en die doen daar hun ding mee. Misschien beoefen je die luie methode ook al lang – maar lees verder en kijk hoe wij daar een heel systeem van maken, met onderweg en uiteindelijk een aantal fijne resultaten.

Biodiversiteit, ook bij het composteren

Onze ingrediënten zijn zo divers mogelijk: zo krijgen we de goeie mix van bijvoorbeeld groene en bruine materialen, maar zelfs daarin gaan we lekker breed. Ik som wat op:

  • Grasmaaisel – ook van de buren (en die gebruiken geen herbiciden of zo op hun gazon)
  • Keukenafval: als daar nog wat lekkers tussen zit, halen onze kippen plus haan dat er wel uit. Qua theezakjes weren we die driehoekige, synthetische dingen, want die verteren niet. Noten- en eierschalen, én fijngemaakte mosselschelpen: die gaan er zeker in, in weerwil van bepaalde reglementen en angsten.
  • Tuinafval – en dat is geen afval, dat weet je. Dus: alle groenteloof, inclusief aardappel- en tomatenloof (je moet of kunt de schimmelsporen immers toch niet vernietigen; je moet gewoon resistente aardappelrassen planten, en je tomatenblad zo droog mogelijk houden). Ook zoveel mogelijk snoeihout: zo dik als de snoeischaar  aankan, en gewoon in stukjes van 10 tot 15 centimeter lang. We hakselen niet, nee.
  • Kippenmest, gekregen houtsnippers en snoeisel van coniferen: hup, allemaal de ren in!

Met dat alles krijg je wel een goed evenwicht – en een moddervrije ren.

composteren-in-de-kippenren-6
Takjes van zwarte framboos, appeltwijgjes, en zoveel meer: onderweg naar de serre.

Schep & scharrel

Ik start in mei met een hoopje aan het kippenhok, en dat wandelt -nee: kruipt! – dan noordwaarts, naar de serres toe. Vijftien meter, heel op het gemak, maanden lang. Dat kruipen gaat zo: met de riek gooi ik, om de week of wanneer ik zin heb, de hoop een heel klein beetje verderop, richting serres. En dat maanden lang. Soms ontstaat er even een hoopje – en dat kan wel ’s broeien: dan zitten de kippen zich erop te warmen – maar even later scharrelen ze die hoop alweer uit mekaar, op zoek naar compostwormen, pissebedden en zoveel meer. Af en toe strooi ik een handvol gesteentemeel of bentoniet bovenop de hele laag: de pieren zijn er gek op.

Onderweg

Het hele proces gaat er dus traag aan toe: alles mag rustig half of heel verteren. Onze bessenstruiken, aan de castanea afsluiting, zitten ondergronds mee te genieten van zoveel eten dat voorbij schuift.

In het voorjaar schep ik de hele bovenste kippenrenlaag (20 cm dik) de tomatenserre in. Daar blijft dat spul een heel jaar verteren én eten geven aan de tomaten. Op het eind van het jaar komt het afgewerkte product (nu een laag van 10 cm dik) dan kruiwagengewijs naar de moestuin.

img_0021
Zo komt de compost dan uit de tomatenserre: heel af en toe nog een herkenbaar takje, hé.

Hoe lang is die compost dan onderweg geweest? Neem een frambozentakje dat ik in augustus 2016 in de kippenren verknip: omstreeks december 2017 komen z’n bijna helemaal verteerde restanten terecht in de moestuin.

Ach, het is tegenwoordig bon ton om te zeggen dat humus niet bestaat. Het is gewoon allemaal energie die onderweg is van de ene levende plant naar de andere, en in onze tuin gebeurt dat maximaal en bijzonder traag. De reis is belangrijker dan de bestemming, weet je wel.

Werk?

Ik krui en schep heel geregeld wat: fitness op m’n dooie gemak. Ik kan het je aanraden.

 

Meters kalebas

Fleskalebas (Lagenaria siceraria) bestaat in vele vormen, en groeit vooral in de tropen. Daar maken ze van de rijpe kalebassen muziekinstrumenten, alle soorten kommen en kruiken, en ook peniskokers, hé. Gewoon de rijpe vrucht op het gewenste formaat doorsnijden, de pitten en het verdroogde vruchtvlees eruit halen: meer werk is het niet.

Van nature is het (jonge) vruchtvlees van fleskalebas bitter: zo verdedigt de plant zich tegen eventuele eters. Maar – net zoals bij courgette en pompoen – heeft de mens in de loop der eeuwen niet-bittere rassen geselecteerd – maar ook de gekste vormen. Bij Vreeken, bijvoorbeeld, vind je een heel scala aan rassen (en zaden) – waaronder enkele culinaire rassen. Die – en enkel die – zijn lekker, zonder een spoortje van bitter. De smaak neigt eerder naar asperge, muskus, noten: een heel bijzondere smaak dus die je niet bij andere komkommerachtigen aantreft. In (Zuid-)Italië is deze fleskalebas vrij bekend, onder de namen cucuzzi, of zucca rampicante, etc. Hier is het seizoen nogal kort, en vooral heftig.

img_2087
Lang, smal en plukklaar!

De opkweek en de verdere teelt zijn ongeveer zoals bij pompoen; geef  fleskalebas vooral meer warmte, plaats en tijd. Een serre is interessant voor het opkweken, maar daarna voorzie je best een warme, vruchtbare buitenplek met klimmogelijkheden. In het begin van de zomer gaat de groei tergend traag, maar vanaf de nazomer is er geen houden meer aan. De witte bloemen worden gevolgd door heel veel jonge lichtgroene vruchten, en het is in dit stadium dat je ze best plukt en eet. Zoals bij courgette dus: zolang je je duimnagel vlot door de schil heen kunt duwen, hoef je de vruchten niet te schillen – daarna wel.

img_2085

Eén succesrecept: fruit een ui, voeg blokjes fleskalebas toe, bouillon en flink wat peper. Laat koken tot alles gaar is en mix: deze soep smaakt naar asperge, maar dan lekkerder – zegt onze jongste dochter, en wij zijn het met haar eens.

We oogsten en eten kalebas van september tot de eerste vorst. Bewaren is niet echt aan de orde, dus we delen ons teveel uit.

img_2083
De oogst van één week, van één plant

 

 

 

Alles behalve egels

Weer een zomer zonder egels. Deze beestjes waren er wél:

Deze platte wielwebspin vangt graag nachtvlinders, waaronder schadelijke Turkse mot.
De platte wielwebspin vangt graag nachtvlinders in de serre, waaronder de Turkse mot.
kameleonspin vangt hommel (2)
De kameleonspin ligt op de loer in onze Bulgaarse roos, en verschalkt zo zelfs hommels.
bessenglasvlinder of Synanthedon tipuliformis.
Deze bessenglasvlinders leven als larve binnenin de takken van onze aalbessenstruiken.
veelkleurig Aziatisch lhb of Harmonia axyridis forma succinea
Dit veelkleurige Aziatische lieveheersbeestje komt net uit z’n verpakking: van pop naar volwassene.
tijgerspin
Nog één spin om het af te leren: de tijgerspin komt uit Zuid-Europa en is een spectaculaire rover.

Maar geen egel deze zomer. Onze tuin biedt veel bessen op snuithoogte, af en toe een slak, massa’s wormen en nog veel ander grut. En: het voer voor kater Nelson staat dag en nacht klaar. Qua gedekte tafel zit dat dus goed; wij bieden ook veel schuilplekjes om achter en onder te schuilen.

Toch is het pakweg drie jaar geleden dat ik nog een egel of, op zijn minst, zijn keutels zag in onze tuin. O, zo’n vettig blinkend donker langwerpig keuteltje, dat kon me zo dan telkens zo blij maken! Vroeger waren egels weliswaar geen vaste klant bij ons, maar dan toch minstens dwaalgasten. Zijn we dan als tuinier niet goed bezig? Sommige tuingoeroes gaan ervan uit dat je, als je maar een natuurlijk evenwicht bereikt, alle goeie beestjes – egels inclusief – je tuin wel gaan vinden. Een mooi streven is dat, toch?

Of heeft de omgeving er meer mee te maken? Kijk even, met mij, rond in onze buurt – pakweg in een straal van driehonderd meter. Buren met bespoten gazon en dito klinkers van voor tot achter. Buren met onbespoten gazon en nogal wat bloeiende planten, strak in ’t gelid. Een maisveld en een wei met paarden. Een braakliggende, erg verruigde tuin. Veel schuttingen en zo. Een drukke steenweg, en een straat voor de deur waar minstens honderd auto’s per dag door rijden. (Jaren lang zagen we, vooral tijdens de zomer, wel eens een/onze platgereden egel in onze straat.)
Of is het dat losgeslagen klimaat? Te warme winter, te koud en nat voorjaar, hittegolven en extreme stortbuien: trop is te veel, ook voor egeltjes.

Tuinieren is en blijft boeiend, blijft zoeken. Nog meer biodiversiteit, nog betere bodemzorg, dynamische evenwichten en netwerken: daar zorgen we met plezier voor. Er valt elke dag wel wat te ontdekken en er is meer dan genoeg eten voor ons. Egeltjes laten zich echter niet dwingen, en zijn niet goed in polsstokspringen.

 

 

 

Soep van de boom

Met de malse blaadjes van onze maggiboom (Toona Sinensis) brengen we de hele zomer soep en andere gerechten op smaak.  Het is met voorsprong onze makkelijkst te kweken groente: gewoon plukken, van mei tot oktober! Waarom hebben niet meer tuiniers zo’n soepboom?maggiboom (3)

Ons maggiboompje staat al tien jaar aan de omheining van de kippenren, samen met diverse bessenstruiken. Ik haalde het plantje – toen amper 5 cm hoog – bij Vreeken, maar ik zie intussen dat ook anderen deze boom aanbieden als sierplant.

De eerste jaren groeide het heel bescheiden: zou het echt wel, zoals Plants for a Future beweert, een forse boom worden? De voorbije twee jaar echter is ons boompje exponentieel gaan groeien, en vorige winter heb ik onze maggiboom dan maar getopt, zodat ie kan vertakken – en om ‘m op plukhoogte te houden. Benieuwd of dat lukt. O, en de vermeerdering gebeurt door te zaaien, maar dat heb ik dus nog niet gedaan.

Wij hebben de gewone groene maggiboom, maar ik zie dat er ook een paars-rode variant is, en dat de maggiboom uitlopers maakt; daar heb ik allemaal nog geen ervaring mee. Vorstbestendig is deze boom in ieder geval, en hij heeft niks last van beestjes of zo. De blaadjes lopen hier pas echt uit in mei, en dan aromatiseren we er meteen weer onze lentesoep mee.

De smaak én de geur dan: ja, maggi, echt waar. Of uien- of kippensoep; er zitten zwavelverbindingen in, naar het schijnt – en ook veel mineralen en vitaminen en zo.  Zo te lezen is de maggiboom al héél lang dagelijkse kost in China, maar hier is ie nog niet zo bekend. Misschien staat ie al, heel anoniem, in een park in je buurt, en kun je er zo van gaan plukken. Of anders plant je er volgende winter eentje.

Tomatenweelde in het nieuwe jaar

Wat aten we met kerst? Kerst-tomaten, ja. Pas op 28 december hebben we onze tomatenplanten gerooid, en dan nog omdat ze in de weg stonden. De meeste planten waren nog in behoorlijke staat, en de meeste vruchten waren netjes afgerijpt. Tja, daar zit die lange nazomer-annex- herfst voor veel tussen, en verder hebben we onze planten van juni tot het einde constant gelucht en nauwelijks water gegeven.

IMG_0004

De vruchten zien er wat stoffig uit – da’s nog wat lavameel dat we maandelijks over de planten stoven – en zijn allemaal erg lekker: alweer een gevolg van dat rare klimaat. We bewaren onze rijpe tomaten nu niet langer dan nodig, hoor: die 2 kilo verwerken we al gauw in gerechten – en gewoon uit het vuistje proef je ook de vele uren herfstzonneschijn.

Wat met de nog groene tomaten – ook zowat 2 kilo? Die hoeven voor ons niet meer verder af te rijpen: ze gaan zuurkoolgewijs in bokalen fermenteren.

Zo, nu is de serre eindelijk opgeruimd. Het bovenste laagje compost/mulch gaat eraf, op de kruiwagen en naar de tuin. Dan laten we 2000 opgespaarde liters regenwater los op de uitgedroogde bodem, en zaaien we tuinkers, radijs, sla, spinazie, koriander, … Zo begint het nieuwe jaar hier.

De nieuwe tomatencyclus begint dan weer in maart. Intussen kiezen en ruilen we volop zaden. Daartoe is Tomatentest 2016 van de Velt Zadenwerkgroep ons favoriete kanaal. Ruil mee, voor meer biodiversiteit en voor een weelde aan kleuren en smaken!

 

 

Zwartmoeskervel

Wat? Nooit van deze groente gehoord?

Zwartmoeskervel is een minder bekende schermbloemige plant, die  wetenschappelijk Smyrnium Olusatrum en in het Engels Alexanders heetJa, volgens legendes zou Alexander de Grote deze groente veel hebben gegeten. In ieder geval kookten de Romeinen en onze middeleeuwse voorouders zwartmoeskervel mee in hun stoofpotjes. Maar waar vind je deze beresterke, oergezonde groente tegenwoordig nog?

Tegenwoordig moet je met een vergrootglas naar zaad of plantgoed gaan zoeken.  Het zaad houdt zijn kiemkracht niet lang: dat lijkt mij de voornaamste reden voor die onbekendheid. Trouwens: het zaad is zwart en vrij dik voor een schermbloemige,  en zwart: vandaar de naam van deze plant, blijkbaar.

Zaad/plantjes?

Vers zaad heb ik in augustus en september; plantjes tussen november en maart.

De teelt

Deze groente start je best op met vers zaad: ter plaatse zaaien werkt het best. Of je start met plantjes die je krijgt. Gewoon uitplanten, op bijvoorbeeld 30 x 30 cm, in een border met andere doorlevende gewassen. Het is een heel zorgeloze teelt – zolang niemand op het idee komt om er hectares vol van te planten, want dan komen er op den duur wel specifieke ziekten en plagen in deze teelt.

Zwartmoeskervel is perfect winterhard, maar de planten zien wel af bij langdurige vriezende wind. Langdurige droogteperiodes verdraagt deze oude groente niet, maar verder is dit een robuuste, sierlijke plant. Al van kleinsaf straalt het opvallend glanzende blad van de jonge blaadjes die levenskracht uit, en wanneer zwartmoeskervel plant bloeit, doet hij dat uitbundig, tot 150 cm hoog,  met bloeischermen die talloze nuttige beestjes aantrekken. Een ware aanwinst dus voor de ecologische tuin.

Deze schermbloemige is meestal tweejarig, maar vaak gaan de planten ook drie of vier jaar mee, zeker als je de bloeistengels systematisch verwijdert (en opeet).

In de keuken

Zwartmoeskervel smaakt niet naar kervel, net zomin als een luipaard een soort paard is. De smaak zit tussen selderij, pastinaak en zevenblad (tja). Het blad kun je bijna het hele jaar plukken, en gewoon als selderijblad gebruiken: zo heb je al een culinair aanknopingspunt, hé.

Het lekkerste is echter de jonge bloemstengel, die we tussen april en juni snijden – naargelang de voorjaarstemperaturen. Die – verrassend milde en malse –  stengel snijden we bijvoorbeeld in julienne voor een verwarmende lentesoep, of stoven we met flink wat zwarte peper en sojasaus.

Verder zou je ook de wortel kunnen eten, en de hele plant bleken onder een zwarte emmer of iets dergelijks, maar dat hoeft voor ons niet meteen.

 

Deze zwartmoeskervelstengels zijn het oogstbare product bij uitstek

Voor meerwaardezoekers: Annetanne schrijft veel diepgaander over zwartmoeskervel.