Categorie archief: bodemzorg

Onkruid vergaat niet (deel 3)

Vandaag drie belangrijke trucs om ongewenste planten onder de knoet te houden.

Onkruidwerende teelten.

Als je een braakliggend stuk grond hebt, zegt de ouwe buurman steevast: Daar moet ge het eerste jaar patatten op zetten. En dat werkt, ja, mits slim toegepast. Neem om te beginnen een laat ras, dat maakt extra veel loof. Weet je nog: onkruidzaden kiemen als ze licht zien? Wel, dat loof bedekt de grond maanden lang, en zo krijgen eenjarige onkruiden weinig kans. Nog beter: plant resoluut het aardappelras Sarpo Mira. Dat maakt ontzettend veel loof en ferme aardappelen, en is vooral helemaal bestand tegen de aardappelziekte.

sarpo mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog volop in blad
Sarpo Mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog fris in blad

Pompoenen werken op dezelfde manier: hun weelderige ranken zorgen van juni tot oktober ook voor een totale bodemverduistering. Niet meer naar omkijken tot de oogst dus.
Het enige dat je met aardappel en pompoen moet doen, is na het planten een paar keer schoffelen tussen de rijen, tot het gewas alles dichtgroeit. Rastip, alweer: neem Hokkaido’s of gelijkaardige kleinvruchtige, en vooral lekkere rassen.

Een derde teelt met dezelfde onkruidonderdrukkende kwaliteiten is phacelia: da’s een Californische groenbemester. Geen eetbare plant voor ons, maar de zachtpaarse bloemen zijn perfect bijenvoer. Zaai tussen april en half augustus, in rijtjes met telkens 25 cm tussen. Dit plantje kiemt razendsnel, je schoffelt twee keer tussen de rijen en daarna is je tuin één zee van fijn ingesneden blad. Een paar weken later: volop bijengezoem!

Deze drie superonkruidwerende planten zijn eenjarig. Na de eerste herfstvorst mag het loof als een dekentje blijven liggen: die mulch verteert de hele winter, en houdt je bodem nog steeds onkruidvrij. Het volgende voorjaar hark je de resten bij mekaar: goed materiaal voor je composthoop. Je grond is dan zo goed als onkruidvrij.

Zaai duidelijke rijtjes.

Je kunt op veel manieren zaaien: in rechte rijen, in kunstige bochten, of breedwerpig overal een beetje. Vrijheid blijheid, hoor. Ik strooi graag wat in het rond, kijk maar.cropped-pluktuin-290311-4.jpgMaar hoe weet een beginnende tuinier dan welke kiemplantjes de goeie en de slechte zijn? Om het nog erger te maken: wortel, peterselie, pastinaak en veel andere gewone groenten kiemen tergend traag – en onkruidzaden vreselijk snel. Rijen helpen dan, want tot nader order groeien onkruiden niet vanzelf in rechte rijtjes.

Met een plantkoord en een schoffeltje kun je heel ouderwets een mooie rechte rij maken. Of: je legt de steel van je hark (of zo) op de rulle grond, drukt even aan, en – presto! – je hebt een kaarsrecht geultje. Van mij mag je ook rondere, organische rijtjes trekken in je grond, het is maar waar je je goed bij voelt.

Markeer die rij in ieder geval. Met een labeltje, stokje – en hou ook in een schriftje of Excel bij wat waar wanneer de grond in ging: ikzelf vertrouw niet meer blindelings op mijn geheugen.
Ik ga nog een stapje verder met dat markeren van de rijen: in elke rij, om de tien tot twintig centimeter, stop ik een stokje. Gewoon een stukje aardpeerstengel van vorig jaar, of een gesnoeid twijgje van om het even welke boom of struik – behalve wilg, want die wortelt meteen: niet de bedoeling! Ons wortelbed ziet er dan na het zaaien uit als vier rijen vol stokjes. Ik kan dan, een week na het zaaien, al een keer rustig schoffelen tussen die rijen: het eerste onkruid kiemt immers snel, en worteltjes traag.
Wat ook helpt: zaai, in dat wortelgeultje, om de tien of twintig centimeter één radijszaadje. Dat kiemt snel en maakt de rij zo zichtbaarder.

Schoffel slim.

Hier in het Hageland zeggen grijze-tuiniers-met-grijze-tuinschort: de grond krabben (met een krabber). Elders spreken tuiniers van hakken, of schoffelen. Vooral dat laatste woord hou ik aan, en ik bedoel daarmee: heel oppervlakkig de onkruidplantjes en de bodem wegschrapen. Het snijvlak van de schoffel glijdt en snijdt door de (wortel van de) ongewenste planten heen, net op of onder het oppervlak. Dieper, heviger hakken haalt alleen maar nieuwe, kiemgrage onkruidzaden boven: niet doen, dus.

Schoffels en hakken bestaan in alle maten en kwaliteiten. Ik ben gek op mijn twee puntschoffels, waarmee je duwt in plaats van trekt. Ik heb ze van www.sneeboer.nl, ze hebben een ergonomisch superlange steel plus handvat.

werken met de duwschoffel, dat gaat nogal vooruit (1)Hierboven die met een roestvrij stalen blad van 20 cm breed voor het grove werk, en dan gebruik ik ook een fijner blad van 10 cm breed. Naar mijn ervaring werkt zo’n duwschoffel ongeveer vijf keer sneller dan een gewone trekschoffel.

Al even handig, maar dan als handschoffeltje, is mijn razor hoe van Burgon and Ball. Scheermesschoffel, letterlijk. Een Japanse kruising tussen sikkeltje en handhakje, superlicht en –scherp. Ik heb dat nieuwe speelgoed nog maar enkele maanden en ik kan het niet meer missen. En ik hou het dunne stalen blad op snee met een wetsteentje.

razor hoe (5)
Goed gereedschap is het halve werk, goed gebruik het andere, en timing is alles. Droog weer is dodelijk voor weggeschoffelde planten: ik schoffel dus bij voorkeur in de ochtend van een aangekondigde zonnige en/of winderige dag. Op tijd en regelmatig ook, wanneer de ongewenste plantjes nog klein zijn. Een jeugdherinnering hierbij: buurman Henri, gepensioneerd en ADHD-er, stond elke morgen al het minste onkruidje op te wachten met zijn schoffel. Realistischer is een tot twee keer per week schoffelen, hoor.

schoffelen, voor en tijdens en na (1).JPG
En mag dat onkruid dan blijven liggen? Schiet dat niet meteen weer op? Wees gerust, wees slim en bespaar je de moeite van het oprapen: als je ze in jonge toestand, én bij droogte, wegschoffelt, overleven die ongewenste kiemplantjes je schoffelbeurt niet. Ik laat ze liggen, als een soort van mulch.

Onkruid vergaat niet (deel 1)

Op mijn knieën wied ik uien en worteltjes, uren schoffel ik tussen de kolen en de prei. Nutteloos gezwoeg? Ecologische zelfkastijding? Kun je met meer verstand minder moeten wieden? Wel, je moet je vijand doorgronden om hem te kunnen verslaan. Ontdek hoe onkruiden denken en doen, en dan snap je beter hoe je ze kunt aanpakken.

De strategie van eenjarigen

Kijk eens naar de bodem in een bos. Die is voor, laten we zeggen, 99% bedekt, met dode bladeren en/of met planten: dat doet de natuur spontaan als je haar laat begaan. Dat ene procentje blote grond, dat is de uitzondering. Heel soms komt de naakte grond piepen: als een boom omvalt, als een everzwijn of ander beest wroet, of bij zeldzamere calamiteiten als een bosbrand.
Die blote grond blijft nooit lang zo. Al na een paar dagen komen kiemplantjes piepen. Hé, waar komen die vandaan? Heeft iemand die gezaaid? Bijlange niet: die zaadjes zitten daar al lang te wachten. Jaren, eeuwen soms, in het donker van de ondergrond.

zaailingen van paarse dovenetel
Zo kiemt paarse dovenetel

Aan de universiteit van Wageningen deden bodemwetenschappers eens de proef met ’s nachts ploegen. Wat zagen ze? Veel minder onkruid! Want wat triggert de ontkieming van al die onkruidzaadjes? Licht! Ook al is het maar een fractie van een seconde dat ze belicht worden! Zaadjes hebben een receptor voor licht, en weten (bij manier van spreken) dat ze prompt in actie moeten schieten. Als je spit, freest of ploegt – maakt niet uit – belicht je duizenden slapende onkruidzaden, en je wekt ze.
Survival of the fittest, meer is het niet. Heel veel soorten eenjarige onkruiden hebben zich miljoenen jaren geweldig gespecialiseerd in snel reageren op verstoring van de grond. Alles gaat dan snel: kiemen, groeien, bloeien, zaad vormen, afsterven. Allemaal binnen de tijdspanne van een jaar.

En zaad in grote aantallen, dat ook nog. Eén herderstasjesplant produceert vlot 150000 zaadjes, die tot 35 jaar kunnen overleven in de bodem. Zwarte nachtschade: 850000 zaden, en 40 jaar. Ze zijn dus met veel en ze hebben geduld. Ze wachten tot iets of iemand de grond verstoort, en het maakt voor hen niet uit of die komt van een muisje of een bulldozer. En toch, vanuit hun standpunt: hoe meer gewroet, hoe liever ze het hebben. Geen wonder dat ze prima gedijen in mensenvelden en –tuinen. Miljoenen jaren hebben die soorten het moeten doen met minimale verstoring van de bodem, maar sinds de eerste grondbewerking door de mens (pakweg tienduizend jaar geleden) is het feestje voor onkruiden oneindig en steeds groter.

Eenjarige onkruiden zijn echte cultuurvolgers. Overal waar de mens graan ging telen, nam hij onbewust ook onkruidzaden mee. Ze verspreiden zich nu nog, met alle vervoer dat we ze aanbieden. Neem nu knopkruid. Dat komt uit Zuid-Amerika, en kwam hier door de legers van Napoleon en/of de Amerikanen: daar zijn verschillende verhalen over. Vast staat dat knopkruid elk jaar vanaf eind april met miljoenen je moestuin kan innemen, en een blijvertje is.

HPIM4291
Nog zo’n invasieve exoot: reuzenbalsemien

Poppies

Die eenjarige ongewenste planten produceren niet enkel massa’s zaden, maar bestaan ook in veel soorten. Vogelmuur, kamille, knopkruid, kleine brandnetel, melganzenvoet, hanenpoot, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek, melkdistel, Canadese fijnstraal, hoenderbeet, akkerkool, bingelkruid, straatgras, zwaluwtong, perzikkruid, klaproos, om er maar enkele te noemen.

 

perzikkruid
Het blad lijkt op dat van een perzikboom, vandaar de naam perzikkruid.

Even een historisch zijsprongetje over dat laatste: poppies, weet je wel. In de Westhoek, waar ik vandaan kom, stonden ze tijdens de Eerste Wereldoorlog zo massaal op de slagvelden, dat de Canadese legerarts John McCrae in 1915 zijn beroemde gedicht In Flanders Fields schreef. Die rode bloemen inspireerden hem nadat een goede vriend omkwam tijdens de tweede Duitse gasaanval. De bloedrode klaproos, Papaver rhoeas, wordt een zinnebeeld voor nutteloos verspilde levens. Klaprooszaden bevatten ongeveer 40% olie: daardoor kunnen ze tientallen jaren begraving overleven. Ze verrezen waar de aarde omgewoeld was, in en om loopgraven, in bomkraters en in de sporen van het legertuig.

Nooit meer oorlog, pardon: spitten

Die legers van sprintklare zaden in je moestuinbodem, die noemen we de zadenbank. En als we één ding geleerd hebben van al het bovenstaande: laat die zadenbank voor wat hij is, namelijk daar ergens onder je groenten. Spitten, frezen en ploegen doe je heel uitzonderlijk. Bijvoorbeeld om een stuk grond te ontginnen, maar daarna toch nooit meer. Of bijna nooit: als je aardappelen rooit, dan kun je bijna niet anders dan graven en wroeten.
Velt- en andere ecotuiniers kennen het alternatief voor spitten al bijna 50 jaar. De woelriek, ook woelvork of grelinette genoemd, is de evidentie zelve om moestuingrond te bewerken. Dit ergonomische gereedschap bestaat in veel versies, van licht tot zwaar, van fabriekskwaliteit tot zelfgemaakt. Meestal 50 cm breed, met tanden van 20 tot 25 cm, twee handvatten op borsthoogte. Mijn favoriete model is tot vandaag de Guérilu: een model dat ontworpen is door een tuinier én een kinesist.
Een slim werktuig dus. Vooral als je het slim gebruikt, is het veel beter voor je rug en voor je grond. Je verstoort de lagen niet, brengt nauwelijks onkruidzaden naar boven. En het gaat veel sneller dan spitten. Ooit gaf ik er een demonstratieles mee: op een uur tijd maakte ik honderd vierkante meter mee, terwijl ik nog uitleg gaf ook. Ook (matige) ruglijders en absolute moestuindummies leren er vlot de grond mee bewerken.
Maar, zegt de nog spittende lezer: hoe raak ik dan van mijn onkruid af in het voorjaar? Simpel en slim: bedek je bodem de hele winter met stro en/of mest of nog ander organisch materiaal. In het voorjaar gooi je die bedekking op de composthoop, en je hebt meteen zuivere grond. Even losmaken en harken: klaar voor alle teelten. Er zal altijd nog wel wat onkruid komen piepen – maar aanzienlijk minder.

melkdistel
Uitsmijter: melkdistel is bij de Maori’s gewoon een groente.

Slow composting

Kippenrencompost

Makkelijker dan zo’n echte composthoop opzetten: we gooien gewoon al ons organisch afval in onze langgerekte kippenren, en die doen daar hun ding mee. Misschien beoefen je die luie methode ook al lang – maar lees verder en kijk hoe wij daar een heel systeem van maken, met onderweg en uiteindelijk een aantal fijne resultaten.

Biodiversiteit, ook bij het composteren

Onze ingrediënten zijn zo divers mogelijk: zo krijgen we de goeie mix van bijvoorbeeld groene en bruine materialen, maar zelfs daarin gaan we lekker breed. Ik som wat op:

  • Grasmaaisel – ook van de buren (en die gebruiken geen herbiciden of zo op hun gazon)
  • Keukenafval: als daar nog wat lekkers tussen zit, halen onze kippen plus haan dat er wel uit. Noten- en eierschalen, én fijngemaakte mosselschelpen: die gaan er zeker in, in weerwil van bepaalde reglementen en angsten.
  • Tuinafval – en dat is geen afval, dat weet je. Dus: alle groenteloof, inclusief aardappel- en tomatenloof (je moet of kunt de schimmelsporen immers toch niet vernietigen; je moet gewoon resistente aardappelrassen planten, en je tomatenblad zo droog mogelijk houden). Ook zoveel mogelijk snoeihout: zo dik als de snoeischaar  aankan, en gewoon in stukjes van 10 tot 15 centimeter lang. We hakselen niet, nee.
  • Kippenmest, gekregen houtsnippers en snoeisel van coniferen: hup, allemaal de ren in!

Met dat alles krijg je wel een goed evenwicht – en een moddervrije ren.

composteren-in-de-kippenren-6
Takjes van zwarte framboos, appeltwijgjes, en zoveel meer: onderweg naar de serre.

Schep & scharrel

Ik start in mei met een hoopje aan het kippenhok, en dat wandelt -nee: kruipt! – dan noordwaarts, naar de serres toe. Vijftien meter, heel op het gemak, maanden lang.

Dat kruipen gaat zo: met de riek gooi ik, om de week of wanneer ik zin heb, de hoop een heel klein beetje verderop, richting serres. En dat maanden lang. Soms ontstaat er even een hoopje – en dat kan wel ’s broeien: dan zitten de kippen zich erop te warmen – maar even later scharrelen ze die hoop alweer uit mekaar, op zoek naar compostwormen, pissebedden en zoveel meer. Heel soms strooi ik een handvol gesteentemeel of bentoniet bovenop de hele laag: de pieren zijn er gek op.

Onderweg

Het hele proces gaat er dus traag aan toe: alles mag rustig half of heel verteren. Onze bessenstruiken, aan de castanea afsluiting, zitten ondergronds mee te genieten van zoveel eten dat voorbij schuift.

In het voorjaar schep ik de hele bovenste kippenrenlaag (20 cm dik) de tomatenserre in. Daar blijft dat spul een heel jaar verteren én eten geven aan de tomaten. Op het eind van het jaar komt het afgewerkte product (nu een laag van 10 cm dik) dan kruiwagengewijs naar de moestuin.

img_0021
Zo komt de compost dan uit de tomatenserre: heel af en toe nog een herkenbaar takje, hé.

Hoe lang is die compost dan onderweg geweest? Neem een frambozentakje dat ik in augustus 2019 in de kippenren verknip: omstreeks december 2020 komen z’n bijna helemaal verteerde restanten terecht in de moestuin.

Ach, het is tegenwoordig bon ton om te zeggen dat humus niet bestaat. Het is gewoon allemaal energie die onderweg is van de ene levende plant naar de andere, en in onze tuin gebeurt dat maximaal en bijzonder traag. De reis is belangrijker dan de bestemming, weet je wel.

Werk?

Ik krui en schep heel geregeld wat een beetje: fitness op m’n dooie gemak. Ik kan het je aanraden.

Bedek je grond!

Blote grond is dode grond

Op alle werven, op de meeste akkers en in veel moestuinen zie ik blote grond. Die ligt daar, letterlijk blootgesteld aan de elementen. Bij felle regen spoelt de modder naar het laagst gelegen punt: de beek, je kelder, de straten, … De gemeente (dus de burger) betaalt het gelag voor het kortzichtig gedrag van de wroetende mens, in casu de boer. Bij droog en winderig weer waait de goeie grond weg. En voelen: als ik tijdens een droog voorjaar aan de verkeerde kant van zo’n kale maisakker sta, krijg ik dat opwaaiende zand-plus-drijfmestmengsel in mijn gezicht. Deze vormen van wind- en watererosie doen pijn aan mijn ogen– en dat zeg ik ook als boerenzoon. En ook: bij extremer weer (met een klimaat dat op hol slaat) hoort extremere erosie.

O ja: de klei- en leemtuiniers onder jullie zeggen (of krijgen te horen) dat je die zware grond voor de winter moet ploegen/spitten. Helemaal volgens de wetten van de fysica vriezen de kluiten dan stuk. Toch zijn er andere manieren om zware grond beter – en volgens de wetten van de biologie – bewerkbaar te krijgen. Daarover zo meteen meer.

Waar zit het bodemleven vooral?

De meeste bodembeestjes zitten aan de oppervlakte, met miljarden: daar, in het grensgebied van aarde en lucht, hebben ze volop warmte, zuurstof, voeding en vocht. Miljarden schimmels en bacteriën en ongewervelde diertjes floreren juist daar, en dus niet tien of dertig centimeter onder het oppervlak. Dat heb je zelf al geobserveerd: een houten paal zal altijd rotten tussen hemel en aarde, zoals mijn vader dat zegt.

Wanneer we deze grenslaag wat dikker en interessanter maken voor het bodemleven, dan bevorderen we de hele bodemvruchtbaarheid meteen.

Waarmee bedekken: met levende planten

Methode 1: niks doen.

De bodem van je tuin bedekt houden, da’s eigenlijk het makkelijkste wat er is, ook voor wie geen groene vingers en twee linkerhanden heeft. Vanzelf komen er eenjarige planten – meestal onkruiden genoemd – die de grond bedekken. Ze houden de bodem (en alle leven en voeding erin) vast en laten al gauw geen plekje bloot. Die eenjarigen (dus klaproos, knopkruid, muur) sterven wel af en verrijken daarmee de grond weer: een goeie voedingsbodem voor de volgende fase: de doorlevende onkruiden. Die ruimen dan stilaan het veld voor bramen, de eerste berkjes en wilgen, en ga zo enkele decennia door tot je een echt bos hebt, eik en beuk inbegrepen. Heel dit scenario, van pioniersplanten tot bos, heet successie.

Methode 2: met gewenste planten

Bovenstaande methode is wellicht niet erg gewenst door de gemiddelde tuinier. De meesten onder ons willen zelf de plantensoorten bepalen die onze bodem bedekken, en dan heb je gelukkig veel keuze. Heel veel vaste planten en struikjes en/of het onvermijdelijke gazon zorgen al voor on-blote grond in de siertuin.

Eind maart en de hele tuin is bedekt, terwijl klassieke tuiniers nog bloot zitten (1)
Eind maart: onze pluktuin staat vol eetbaar groen, terwijl blotegrondtuiniers nog staan te spitten…

Slimme moestuiniers wenden groenbemesters aan, of een heel scala aan bodembedekkende groenten. Winterspinazie, winterpostelein en veldsla tijdens de winter bijvoorbeeld. Of een lentebedje met raapsteel (en/of rucola, tuinkers, mosterd,…) gevolgd door allerlei kool later op het seizoen. Of andijvie die je zaait meteen na de oogst van de vroege aardappeltjes. Continu eetbaar bedekken is veelvoudig efficiënt, zoals je wel zult begrijpen.

Waarmee bedekken: met verse dode planten

Aha, dit is het eigenlijke mulchen. Je bedekt de ruimte tussen twee planten of twee rijen, een heel bed of zelfs een volledige tuin met dode plantenmaterialen. Die zijn er legio, en vaak met een gebruiksaanwijzing.

Grasmaaisel, om te beginnen. Sinds de komst van de gazonmaaier is dit notoir afval voor veel klassieke tuiniers, en een mooie grondstof voor ecologische mensen. De meeste kenners raden aan om dunne laagjes te strooien – zo dun, dat je de grond net niet meer ziet – anders gaat dat grasmaaisel rotten en stinken. Daar kan ik inkomen, voor zover het heel groen (en dus stikstofrijk) maaisel is, zoals je dat vaak hebt in het voorjaar én in flink bemeste gazons. Als je daarentegen maaisel krijgt waar veel dor materiaal (hooiachtig, dus met meer koolstof) in zit, kun je rustig wat dikker strooien zonder dat het begint te rotten.

Alle andere groene planten kun je in principe ook maaien en als mulch tussen je gewassen leggen. Brandnetel en smeerwortel zijn daarvoor zeer aangewezen. Maar meer en meer boeren passen deze techniek toe met luzerne, een doorlevende vlinderbloemige die jaren lang groen blad produceert.

Maaimeststof

Dat luzernemaaisel gebruiken die boeren als maaimeststof op andere percelen. Maaimeststof is een term die we gewoon zouden kunnen gebruiken voor alle groene planten die we afsnijden en elders aanbrengen om te bemesten.

Hoeveel stikstof, fosfor en kalium je daarmee precies aanbrengt in je moestuin hangt van veel factoren af, maar in principe (en in de praktijk!) zou je uitsluitend met maaimeststof je moestuin kunnen mulchen én zo voldoende bemesten.

Voor wie nog brandnetelgier gebruikt: met brandnetel- of ander maaisel mulchen is beter, hoor. Gier stinkt, is een snel opneembare meststof die gemakkelijk verbranding en stikstofoverdaad geeft. Brandnetelmaaisel daarentegen is geurloos en geeft zijn voeding trager af, via het bodemleven. (Wie bladluisjes wil bestrijden, kan uiteraard nog steeds brandnetelaftreksel maken. Dat is thee, die hoogstens 48 u getrokken heeft en onder meer mierenzuur en histamine bevat – allebei stoffen die bladluizen en rupsen irriteren of doden. Na rotting zijn deze stoffen ontbonden tot ammoniak, fosfaten, … die deze insectenverdrijvende werking niet meer hebben.)

Tussen de planten? Over de planten heen!

Ik ben een luie – dus efficiënte! – tuinier. Als ik gras- of ander maaisel heb, strooi ik dat niet zozeer netjes op de grond tussen de gewassen. Nee: over de planten zelf van grove gewassen, zoals aardappelen, bonen, mais, pompoen, kool, selderij, … verspreid ik een dun laagje grasmaaisel. Dat ligt dan half op het gewas zelf, maar door de wind en de regen dwarrelen al die sprieten in de volgende dagen naar beneden, waar vanzelf een mooi mulchlaagje maken.

Bij sla, veldsla, raapsteeltjes en ook prei bestrooi ik het gewas uiteraard niet met maaisel, maar blijf ik tussen de rijen. Als je in de keuken al eens sla hebt ontdaan van grassprieten, begrijp je wat ik bedoel.

Waarmee: met dorre planten(-delen)

Je kunt uiteraard ook mulchen met stro, hooi en dorre bladeren. Die materialen zijn veel rijker aan koolstof, ze zijn droger, en je kunt er dus dikkere lagen mee leggen. Sommige tuiniers gaan tot 30 cm dik hiermee – met een bescheiden 10 cm zit je al even goed, vinden wij. Dit soort materiaal hoef je niet zo vaak aan te vullen: het vergaat veel trager.

Hooi bevat nog wat stikstof en fosfor, stro nauwelijks. Hooi zal dus nog heel wat voedingsstoffen kunnen aanbrengen. Ruth Stout (USA, 1884-1980) schreef zelfs een boek (bij ons vertaald als Tuinieren zonder spitten) over haar hooitechniek: ze dekte elk vrij plekje af met hooi.

Met een dikke laag natuurreservaathooi is het leuk en handig afdekken.
Met een dikke laag natuurreservaathooi is het handig afdekken.

Verder bevat hooi nog heel wat ongewenste kruidzaden. Voor Ruth Stout was dat geen probleem: Als er onkruid kiemt, leg er dan meer hooi op! Zelf heb ik ook al veel onkruidzaden ingevoerd door hooi te gebruiken, maar dat nadeel weegt voor mij niet op tegen de vele voordelen.

Met name hooi van natuurreservaten gebruik ik al veel jaren: mét zaden, ja, maar wellicht ook met veel goede mineralen. Het is vaak een kwestie van er (logistiek) aan te geraken, maar in principe zijn natuurbeheerders blij met dit afzetkanaal: zij willen hun natuurgebied verarmen, jij wil je moestuin verrijken, dus dan zijn beiden tevreden.

Herfstbladeren zijn ook leuk materiaal om mee af te dekken, de hele winter lang. Ze willen wel eens gaan waaien, dus dek ze af met kippengaas of stro – of je versnippert ze even, zodat ze ook makkelijker blijven liggen.

Waarmee: nog andere materialen

Heb je je heg gesnoeid? Heb je in het voorjaar alle dorre planten verwijderd uit je border? Ook die materialen kun je gewoon gebruiken tussen je groenten.

En hoe zit dat met houtsnippers? Als ze heel vers, fijn en groen zijn (van je heg, bijvoorbeeld), kun je ze met goed gevolg tussen je gewassen spreiden. Dorre, dikke, houtige snippers daarentegen bevatten veel koolstof onder de vorm van lignine: dat breekt traag af, en het bodemleven rooft daarvoor het eerste jaar nogal wat stikstof uit je bodem: eerder een soort mulch voor tussen je bessen is dat dan. Die struiken staan van nature aan de bosrand, en gedijen dus extra als je ze mulcht met snippers.

Ook je paden kun je met gehakseld hout bedekken: daar zullen ze een hele tijd kiemende onkruiden tegengaan, en dat is ook je bedoeling. Wanneer, gemiddeld na een jaar, die snippers half verteerd zijn, kun je ze prima gebruiken in je composthoop of –vat. Of je kunt je paden ook jaarlijks gewoon aanvullen met nieuwe snippers.

Hoe lang houthaksel erover doet om te verteren, hangt voor een groot deel af van de houtsoort en de dikte van de snippers. Wilg en Amerikaanse vogelkers bijvoorbeeld vergaan heel vlot; soorten met looizuur (berk, walnoot, eik) of hars (den, spar en andere coniferen) verteren langzamer.

Let op?

Zijn er mulchmaterialen die ik weiger? Niet veel: met beschimmeld (aardappel-)loof als bedekking heb ik al meer dan twintig jaar gewoon goede resultaten. De sporen van die schimmels zitten op dit moment op je neus, op mijn toetsenbord, … overal en onvermijdelijk dus, en in een ecologische tuin hoort het juist te wemelen van allerlei micro-organismen die mekaar in evenwicht houden. En dan nog: teel bijvoorbeeld resistente aardappelrassen, kweek vroege pompoenrassen, overdrijf niet met stikstof en water geven, en dan hou je de meeste schimmels al binnen de perken.

Giftige planten, kun je die gebruiken om te mulchen (of te composteren), vragen bezorgde tuiniers me soms. Tja, vingerhoedskruid en taxus bijvoorbeeld zijn enkel giftig voor ons, enkele andere grote dieren, maar helemaal niet voor schimmels, bacteriën, pieren, …

Met herbiciden behandeld stro en gazon, die kunnen pas problemen geven. Spuitende gazoneigenaars en stroboeren dulden geen tweezaadlobbige (on-)kruiden, en hun herbiciden kunnen dan via het stro of het maaisel in jouw bodem komen en daar groeiremming geven – of erger – aan je groenten.

Oppervlaktecompostering

Alle dode plantaardige materialen die we hierboven genoemd hebben, gaan verteren tot compost of tot materiaal dat op compost lijkt. Dit proces kan heel langzaam tot heel snel gaan, afhankelijk van deze factoren:

  • Het soort materiaal: hoe hoger de stikstof/koolstofverhouding, en hoe fijner het materiaal, hoe sneller het verteert;
  • Contact met de grond;
  • Bodemleven: op een dode maisakker verteert alles veel trager; een moestuin vol wormen verteert vlot;
  • Vocht: als het materiaal, het weer en/of de ondergrond voldoende vocht bevatten, kan het bodemleven meteen aan de slag;
  • Warmte: tijdens de winter ligt het verteringstempo lager; vorst legt de meeste processen tijdelijk stil.

Dat verteringsproces lijkt voor een groot deel op de omzettingsprocessen in een composthoop, maar een goede composthoop ontwikkelt warmte, tussen 50 en 70 °C, terwijl vlakke compostering of oppervlaktecompostering koud blijft. Bijgevolg worden onkruidzaden en ziektekiemen niet gedood in je mulchlaag, en daar kun je best rekening mee houden.

Anderzijds is mulchen voor de meeste aanhangers veel natuurlijker en arbeidsarmer dan een composthoop opzetten. Pioniers als Masanobu Fukuoka en Ruth Stout werkten zelfs (bijna) uitsluitend met oppervlaktecompostering.

Mulchen met mest en/of compost

Mest en compost kun je ook grotendeels beschouwen als dood plantaardig materiaal. Strorijke mest of halfrijpe compost zijn ideaal als winterbedekking voor je moestuin; wat tegen dan niet verteerd is, hark je weg en gooi je op je composthoop. Nog even harken, en je tuintje is weer klaar.

In het geval van mest heeft het dier de planten fijngemaakt, er voedingstoffen aan onttrokken, en heel veel darmbacteriën aan toegevoegd. Zo is het een kant-en-klare hap voor het bodemleven. Ook halfrijpe of rijpe compost die je op je bodem aanbrengt, biedt je bodemleven meteen veel voeding.

Een deel van die voedingsstoffen – vooral nitraten, fosfaten en kalium – kunnen wel doorsijpelen naar diepere lagen en naar het grondwater: jammer voor de waterkwaliteit, en voor je groenten – zij wortelen te ondiep om nog van die voeding te kunnen profiteren.

In een dode maisakker zullen die NPK-voedingsstoffen gauw uitlogen, zoals dat officieel heet. Wat doe je tegen die verliezen? Humus en bodemdiertjes zijn een levende spons, die heel goed alle voeding kunnen vasthouden.

Bescherm je bodem tegen de elementen

De massa van een 5 mm regendruppel is 5x5x5 = 125 maal die van een 1 mm druppel en de terminale snelheid verdubbelt, waardoor de destructieve energie 5x5x5x5 = 625 keer groter wordt. Een regendruppel die op een blad of een strohalm valt, spat uiteen in vele kleine druppeltjes. Stel: bovengenoemde 5 mm druppel valt uiteen in 1 mm druppels, dan verkleint het destructieve effect 625 keer. Een dikke laag mulch of een gesloten plantendek voorkomt dus wel degelijk het dichthameren van de grond door herhaalde hevige regen- en hagelbuien. Hier vind je de hele berekening.

IMG_0069.JPG
Uit het maisveld bovenaan onze straat spoelt, bij elke felle regenbui, de onbedekte aarde weg.

Al je bodemleven zit niet voor niks ondergronds: ultraviolette straling, met name UV-B, is schadelijk tot dodelijk voor heel veel soorten, zoals wormen en schimmels. Met de bedekking breng je dus een UV-filter aan op je bodem.

Blote grond droogt veel makkelijker uit dan bedekte grond. Beginnende en inzichtloze tuiniers herken ik gewoon aan hun waterverbruik; slimme, efficiënte tuiniers herken je aan hun bedekte grond – en zij hoeven nauwelijks nog te gieten.

Dehydratatie is niet goed voor je huid, maar evenmin voor je tuin. Vooral op hete dagen, maar evengoed wanneer het hard vriest, droogt je grond uit. Dat is heel stresserend voor je planten en voor je bodemleven. Overigens waait droge grond op den duur ook weg: zo verdwijnen jaarlijks miljoenen tonnen vruchtbare bodem.

Kleigrond moet gespit worden voor de winter, zodat de kluiten kapotvriezen,” hoor je in klassieke middens. Veel efficiënter is het afdekken met mest en/of halfrijpe compost, de hele winter lang: de vele pieren en andere bodemdiertjes zullen de kluiten wel fijnmaken, onder de bescherming van een isolerende, voedzame laag. Je grond ligt niet te rusten tijdens de vorst, maar kapot te gaan! Hittegolven, overstromingen en andere extreme omstandigheden zijn evenmin bevorderlijk: het leven ondergronds gedijt immers het best onder beschutting en met hapklaar voedsel bij de hand.

Tijdens enkele zomerse hittegolven maten we deze temperaturen :

  • De lucht: tussen 30 en 35 graden
  • Op de blote grond: 50 graden
  • Onder 2 cm mulch: 30 graden
  • Onder 10 cm mulch: 23 graden

Wordt je grond dan niet zuur?

Nog zo’n fabel: al dat grasmaaisel zou je grond verzuren, en dus moet je kalk strooien. Vooral in tuinwinkels hoor je dit, en ze verkopen er veel kalk mee, maar eigenlijk is dat overbodig en vaak zelfs nadelig voor je bodem. Kalk maakt immers een deel van de minerale stikstof (in je mulchlaag) vrij onder de vorm van ammoniak – en die vervliegt dan, weg uit je tuin. Verder is de pH (de hoeveelheid kalk, zeg maar) in minstens de helft van de Vlaamse moestuinen te hoog. Die te hoge pH zorgt dan weer dat je planten bepaalde voedingsstoffen niet kunnen opnemen…

Voorkom onkruid

Tussen een flinke groenbemester, in een bed vol sla, op een gemulcht bed gaat eenjarig onkruid nauwelijks kiemen. Het zaad van die pionierplanten heeft immers licht nodig, en alle manieren van afdekken hullen de onderliggende bodem juist in het donker. Als er al eens een onkruidzaailing de kop opsteekt, kun je die vlot uittrekken, en op de mulchlaag deponeren: zo gaat dat onkruidje niet zozeer het probleem zijn, maar een deel van de oplossing.

Doorlevende onkruiden daarentegen laten zich niet afschrikken door bedekking met levende of dode planten. Je kunt ze beter helemaal uitgraven of ze eenmalig en stevig afdekken (en van het licht beroven) met karton – met daarop meer organisch materiaal.

Even onbedekt!

In ons klimaat kun je best de winterbedekking wegnemen begin maart. Onbedekte bodem neemt immers overdag meer warmte op (goed voor je vroegste teelten) en straalt ’s nachts meer warmte uit (en zo beperk je nachtvorstschade). Hark die mulchresten dus bij mekaar en gooi ze op de composthoop. Je hebt dan ook meteen schone, vruchtbare grond waarin je je radijsjes en erwten kun zaaien.

Na de ijsheiligen kun je weer stilaan met gras- en ander maaisel beginnen te bedekken.

Woelmuizen, slakken?

Een mulchlaag kan slakken én woelmuizen herbergen, en een continue groene bodembedekking herbergt soms slakken. Hier valt nog veel onderzoek te verrichten, al verwacht ik niet meteen kant-en-klare oplossingen. De situatie in de ene tuin is die in de andere niet: bijvoorbeeld predatoren, grondwaterstand, nabijheid van bos, … kunnen een groot verschil maken.

Over twee commerciële mulchproducten kan ik dit al kwijt: hennepstrooisel zou slakken afschrikken, en ricinusschroot (nu verboden wegens giftig voor honden) weert woelmuizen. En zijn er slakkenwerende groenbemesters? Goudsbloem wordt alvast niet gelust door slakken, en tagetes juist heel erg. Uitproberen dus, en vooral goed observeren wat er zich beweegt in en op die bovenste bodemlaag.

Kortom:

Ooit erfde ik een stukje loeizware grond. De vorige – eerder klassieke – tuiniers hadden er een paar jaIMG_2460ar spadestelen op gebroken, zo kleiig was het daar.

Na een paar jaar bedekken met compost en mulch – en door niet meer te spitten! – werd de bovenste laag al lekker kruimelig. Nu, 20 jaar later, is dat tuintje tot 30 cm diep door en door mals en vruchtbaar. In dat tuintje komen we gemiddeld om de veertien dagen, want het ligt niet bij de deur. Het bedekken kost nauwelijks tijd en moeite, in vergelijking met blotegrondtechnieken, en het levert veel meer op.

Ecologie, ergonomie en efficiëntie gaan voor bodembedekkende tuiniers dus prima samen. Dan hoef je enkel nog regelmatig die buitenste huid van je bodem te observeren en bij te sturen waar nodig: wat toevoegen, wat wegnemen.

Het geloof in tagetes

Binnenkort staan ze weer in vele tuintjes: een rijtje van die schattige, dubbele afrikaantjes. Goed tegen ziektes, zegt de ene tuinier. Tegen de aaltjes, zegt de andere. Het helpt echt, hoor, verzekeren ze me; al weten ze niet meer van wie ze dat geleerd hebben: in een biologische tuin kun je niet zonder tagetes, hoor – blijkbaar. Of hoe zit dat?

Helpen tagetes, en hoe dan?

Wel, hier lees ik: tagetes scheiden via hun wortels o.a. thienylderivaten af die dodelijk zijn voor (bepaalde) aaltjes. De cysten (zeg maar: de eitjes van de aaltjes) ontwaken, maar de aaltjes vinden in tagetes geen geschikte waardplant en gaan dood.

Even opletten:

  • Tegen aardappelziekte, preimineervlieg, … en vele andere problemen helpen tagetes niet. Net zoals sommige mensen denken dat antibiotica helpen bij griep, hé. Veel tuiniers weten niet precies wat er aan de hand is met een gewas.
  • De geur van tagetes is dan wel bijzonder voor ons, maar fopt de meeste insecten niet – laat staan schimmels en bacteriën.
  • Voor een aaltjesdodende werking moet je de juiste soort tagetes zetten, meer bepaald Tagetes patula, met rasnamen als ‘Ground Control‘ en ‘Nemagon‘. Deze rassen zijn allemaal forse groeiers (minstens 80 cm), en hebben enkele bloemen – niet van die sierdubbele.
  • Dubbelbloemige-tagetesplantjes-uit-het-tuincentrum geuren nauwelijks, en produceren onvoldoende (of zelfs geen) thienylderivaten om aaltjes te doden. Nutteloos dus.
  • Overigens: hoe ecologisch is het gemiddelde tuincentrum waar je je afrikaantjesplantjes koopt?
  • Om aaltjes te doden moet je je hele perceel vol zaaien of planten met die juiste tagetes, en die teelt minstens drie maanden aanhouden.
  • Tagetes patula doodt weliswaar enkele schadelijke aaltjessoorten, maar laat vele andere soorten (waaronder schadelijke) ongemoeid.

Maar wat doe je dan tegen je aaltjes?

  • De grootste plaag in de moestuin is onwetendheid.
  • Er zijn heel veel aaltjessoorten, waaronder nuttige, schadelijke, roofaaltjes die andere aaltjes opeten, aaltjes die slakken of engerlingen opeten,
  • Je kunt de meeste aaltjes niet zien, hoor. Ze zijn meestal maximum 1 mm groot.
  • De meeste ecologische tuiniers hebben geen last van aaltjes, maar meestal van andere beestjes en van ziekten op hun gewassen.
    Schadelijke aaltjes zijn met name een probleem in de klassiek bewerkte velden: daar is er – in vergelijking met de ecologische tuin – nauwelijks bodemleven. Kunstmest, diepe bodembewerking, krappe vruchtwisseling, … dragen bij tot een dode bodem waarin enkele schadelijke soorten gauw vrij spel hebben.
    Een levende bodem in een ecologische tuin bevat juist bijzonder veel soorten fauna, schimmels, flora, … in een dynamisch evenwicht: zo kan er geen enkele soort domineren.
    Door vruchtwisseling  en door gebruik van goeie compost dijk je de meeste aaltjesproblemen (en andere beestjes en schimmels) al in.
  • Loop niet op je bedden:
    • (Schadelijke) aaltjes verplaatsen zich niet makkelijk van het ene bed naar het andere. Tenzij – en vooral! – via je laarzen of ander schoeisel: blijf dus van je bedden af!
    • Roofaaltjes zijn groter dan schadelijke aaltjes, en hebben graag luchtige grond, waar ze vlot in kunnen bewegen. Luchtige grond krijg je niet zozeer door in je bodem te woelen of te spitten, maar door met je voeten van je bedden af te blijven.
    • Onze bedden zijn ongeveer 120 cm breed: we werken vanaf de paden; deze werkwijze heeft veel voordelen, en werkt dus ook tegen schadelijke aaltjes. Efficiënter dan je tagetes, eigenlijk…

Waarom planten tuiniers dan tagetes?

In de jaren ’70 en ’80 van vorige eeuw propageerden biologisch tuinierende pioniers – onder wie Rik Dedapper – de teelt van tagetes (uitsluitend die grote, enkelbloemige variëteiten, ja) om grond te ontsmetten.

Sindsdien zijn er meer wetenschappelijke inzichten over de precieze rol en mogelijkheden van tagetes, zoals hierboven beschreven, maar bij vele tuiniers is gewoon de plaat blijven hangen bij ‘Tagetes tegen aaltjes‘ of, bij uitbreiding ‘Tagetes (maakt niet uit welke) tegen alle tuinproblemen‘.

Bij dit soort tradities vertel ik meestal dit mopje:

Een vrouw gaat worst in de pan bakken. Zij snijdt eerst de twee uiteinden eraf. Haar man vraagt: ‘Hé, waarom snij je die topjes af?’ Ze antwoordt: ‘Dat moet je eens aan mijn moeder vragen, die doet dat ook altijd.’ Ze gaan naar haar moeder. ‘Mama’, vraagt de dochter, ‘Waarom snij je altijd die topjes van de worst af?’ ‘Tja,’ zegt de moeder, ‘Dat moeten we aan bomma vragen, die deed dat ook altijd.’ Die avond gaan ze naar bomma… ‘Bomma, waarom snij je altijd de topjes van de worst voor je ‘m bakt?’ ‘O, die topjes?’ zegt de bomma… ‘Dat heb ik van mémé zo geleerd. Maar waarom? We vragen het haar morgen in het rusthuis.’ De volgende dag staan ze daar met z’n allen: ‘Mémé, waarom sneed je vroeger altijd de topjes van de worst?‘ ‘Wàt?’ roept mémé, ‘bakken jullie nog altijd in dat veel te kleine pannetje?’

Het planten van die dubbelbloemige-tagetesplantjes-uit-het-tuincentrum is volgens mij vooral een nieuwe invulling van een veel oudere traditie. Eeuwen lang stopten boeren en tuinders op Palmzondag gewijde palmtakjes op de hoeken van hun veld. Tegen onweer, ziekten en plagen – maakt niet uit wat.

Hielpen die palmtakjes? Brengt een klavertje vier geluk? Houden dubbelbloemige-afrikaantjes-uit-het-tuincentrum ziekten en plagen weg? Als je erin gelooft, dan héél misschien wel… Magisch denken heet dat, en daar is op zich niks fout mee.

Mensen zullen altijd verhalen en gewoontes overnemen en aandikken, tot de oorspronkelijke toedracht zelfs helemaal niet meer klopt. Let er eens op: tradities uit andere culturen vinden we heel vreemd, maar onze eigen tradities doodnormaal.

Hebben wij afrikaantjes in onze tuin?

Tuurlijk. Eigenlijk meer goudsbloemen, want die zaaien zichzelf vlot uit – en nog veel andere eenjarige, tweejarige en doorlevende bloemetjes. Enkelbloemige, dat spreekt vanzelf, want die leveren nectar en/of stuifmeel aan veel nuttige insecten. We laten ook veel groenten bloeien, die trekken ook weer goeie beestjes aan. In een moestuin horen kleuren, geuren en gezoem.

We trekken dus jaar na jaar goeie helpers aan, en dat is volgens de wetenschap, ons gezond verstand en vele jaren ervaring, nuttiger dan tagetes-tegen-aaltjes.

Tagetes vinden we wel lekker in thee. Het blad, de bloemetjes:  niet zo’n spectaculaire smaak of medicinale waarde, maar gewoon leuk, samen met wat andere zomerse kruiden. Blaadjes drogen voor de wintervoorraad doe ik ook. En: er zijn ook andere Tagetes-soorten die nog lekkerder zijn en niks met aaltjes te maken hebben. Daarover een andere keer.

Hoe is het met jouw afrikaantjesgeloof?

Schrijf je commentaar hieronder!

 

Woelriek, woelvork, grelinette, …

De woelriek of woelvork heeft vele namen, maar we hebben het dus over een soort brede vork, waarmee je de grond verlucht zonder te keren. Een ergonomische, ecologische vervanger voor de spade dus.
Grelinette is een gedeponeerd merk, hoor, al weet niemand dat nog; verder heet dit gereedschap in het Frans ook aé­ra­bêche, biofourche, ac­ti­bêche, in het Engels broadfork, U-bar, U-fork, …  Ik zal het in dit artikel vooral hebben over deze woelriek, die in de winkel ook nog eens guérilu heet, en die voor ons en onze grond het beste werkt.

Soorten en maten

Ik heb al meer dan tien uitvoeringen van de woelriek in mijn handen gehad, en met enkele daarvan heb ik ook al werkervaring. Hier zie je de collectie van Guy Augustijns:

Links bovenaan: het basismodel van de beginjaren van Velt. Rechts daarvan: de guérilu. Onderaan twee modellen van Roger Haeck uit Tielt.

Sommige exemplaren zijn heel zwaar –  om zware grond te kunnen bewerken, zeggen de makers, en/of omdat de tuinier zijn eigen woelvork zo heeft gelast. Ergonomie én robuustheid in één gereedschap: wat mij betreft is de Guérilu het mooiste compromis tussen die twee – maar tuiniers met een heel lemige of kleiige grond lezen nu best even onderaan hoe ik met zware grond omga.

Gelakte modellen of roestvrije modellen: graag hoor ik je opinie hierover. Onze roestvrije Guérilu blinkt na tien jaar zoals op de eerste dag.

Goed voor de grond, goed voor je rug…

Dit verkondigen we bij Velt al sinds 1974: met de woelriek geef je je grond een niet-kerende bewerking. De bouwvoor (pakweg de bovenste 25 cm) wordt er luchtig(er) van, en je haalt de onderste (anaërobe) lagen niet naar boven. Zo spaar je het bodemleven.

Je spaart ook je rug, gewrichte, spieren, … Als je aanneemt dat je belangrijkste gereedschap je eigen lijf is, kun je er maar beter goed voor zorgen. De guérilu bijvoorbeeld is ontworpen door een fysiotherapeut en een tuinier.

Akkoord, zo’n woelriek is een investering van pakweg € 115.00. Duurzaam, dat wel. Eén exemplaar gaat – bij goed gebruik en onderhoud – heel lang mee, en je kunt je woelriek natuurlijk delen met andere tuiniers. Ten slotte heb je dit apparaat maar één keer per jaar nodig.

Hoe gebruik ik de woelriek?

Dit eerste filmpje –  de eerste 14 seconden – toont hoe ik werk.

Deze man keert de kluiten meer om dan ik (0.48 tot 1.30): er zijn ook diverse werkwijzen, zoals je ziet.

En dan heb je nog dat soort tuiniers dat op het eind zeer on-ergonomisch heen-en-weer schudt. Ik schud daar mijn hoofd bij…

 

Waar gebruik ik onze woelriek niet of nauwelijks?

Thuis hebben we zandleem, lopen we nooit op de bedden, en komt er sinds 1993 telkens gewoon een laagje compost bovenop. In Tielt bewerken we sinds 1996 een stuk – oorspronkelijk loeizware klei: daar komt er elk jaar een laag reservaathooi op. Onze voorgangers hadden er enkele spadestelen op gebroken…

Beide percelen zijn door jarenlange goeie zorg humusrijk en rul. De woelriek hebben we er eigenlijk niet nodig; voor de bedden waar de wortelen komen, haal ik ‘m wel eens van stal, al zal het wellicht geen verschil maken.

De woelriek is volgens mij verder niet geschikt om woeste grond (vol kweekgraswortels, bijvoorbeeld) te ontginnen. Daarvoor zijn er andere, efficiënte technieken, zoals het afdekken met karton.

Waar en wanneer gebruik ik de woelriek dan wel?

Ten eerste: om te demonstreren aan beginnIMG_1842ende tuiniers hoe je met weinig moeite veel en gunstig effect kunt hebben. ‘Goed nieuws: vanaf nu spitten we niet meer!

Ten tweede: in de Theatuin – hier links op de foto. Da’s 500 m2 lemige, vochtige grond aan de andere kant van het dorp. Heel vruchtbaar, maar nogal moeilijk bereikbaar: alle vrachten moeten honderd meter met de kruiwagen afleggen eer ze dit lapje grond bereiken. Compost, hooi, houtsnippers,… aanvoeren is er logistiek dus niet erg evident. De woelriek bewijst er goede diensten: jaar na jaar wordt, met beetjes compost en door niet op de bedden te lopen, de grond wel beter.

Makkelijk, efficiënt

Met onze woelriek bewerk ik 100 m2 per uur, en de dag nadien heb ik in mijn schouders en armen hoogstens wat extra spiergevoel. Niks rugpijn, dus. Die echte ouwe Velt-tuiniers werken al meer dan 40 jaar met de woelriek, toch?

Ooit gaf ik, in een samentuin, de woelriek aan een rugpatiënte, die er ijverig – en voorzichtig – mee begon te werken. Na een half uur kwam haar partner erbij, verrast en eigenlijk boos: ‘Schatje, je weet toch dat je geen zwaar werk mag verrichten!‘ Zij had nergens last van (ook niet achteraf), en het bed lag er al mooi bij.

En als je dacht dat dit instrument enkel voor de hobbyist bedoeld was: er zijn ook (kleinschalige, echte) boeren, zoals bijvoorbeeld Les Jardins de la Grelinette, die steevast met de woelriek werken.

Natuur, permacultuur?

In de natuur komen er geen woelrieken voor – akkoord. Daar voeg ik aan toe: de natuur werkt normaal 100 jaar om een paar cm humus op te bouwen, en levert ons zeer vezelige, witte oerwortelen en bittere wilde sla. Ingrijpen doen we toch, hé. Ik beeld me soms in dat de woelriektanden fungeren als dikke dierlijke klauwen die de grond even optillen. Uitvergrote natuur dus, net zoals we vele centimeters compost aanbrengen, duimdikke wortelen en sappige sla kweken.

Uiteraard verstoort de woelriek het bodemleven, al is dat dan veel minder drastisch dan frees of spade. De eerst vrij solide bodem krijgt zo lucht en wat van de bovenste (mulch-/compost-)laag. Zo creëer je een zekere onrust, uiteraard, of anders gezegd: je vergroot het contactoppervlak (de randen) tussen aarde- en luchtlagen. John Jeavons schreef in zijn eerste boek (1972) al dat hij opmerkte dat de vruchtbaarste gronden bestonden uit licht verstoorde lagen. (En toen is hij gaan dubbelspitten, maar da’s voor zijn rekening).

Ik laat Meadow Farm nog even aan het woord:

The Meadow Creature® Broadfork is an ideal tool for Permaculture. It allows aeration of soil without disturbing soil layers

Mijn omgekeerde piramide

Ten eerste: voor de meeste bodems en percelen die ik ken, loont deze dubbele techniek het beste: mulch en compost aanbrengen, én enkel op de vaste paden lopen. Zo heb ik al in veel verschillende tuinen rulle grond gecreëerd, die vanzelf (door het bodemleven, ja) steeds ruller en beter wordt. Jawel, ook zware grond tem ik zo.  Geen geploeter, geen gesukkel!

Ten tweede: tijdelijk en plaatselijk gebruik ik de woelriek, waar de bodem nog niet optimaal is. Ja, en dat is die ene keer per jaar dat ik het bed betreed. Je zou ook vanaf de paden kunnen werken, hoor.

Ten derde: spitten is zo passé, onergomisch, onecologisch, …, maar kan wel eens dienen om grond te ontginnen, een boom of struik te planten, …

Nu jij

Ben je trots op een zelfgemaakt exemplaar? Heb je vragen, heb je zelf heel andere ervaringen? Ik verneem het graag!

 

 

 

 

 

Tomatenweelde in het nieuwe jaar

Wat aten we met kerst? Kerst-tomaten, ja. Pas op 28 december hebben we onze tomatenplanten gerooid, en dan nog omdat ze in de weg stonden. De meeste planten waren nog in behoorlijke staat, en de meeste vruchten waren netjes afgerijpt. Tja, daar zit die lange nazomer-annex- herfst voor veel tussen, en verder hebben we onze planten van juni tot het einde constant gelucht en nauwelijks water gegeven.

IMG_0004

De vruchten zien er wat stoffig uit – da’s nog wat lavameel dat we maandelijks over de planten stoven – en zijn allemaal erg lekker: alweer een gevolg van dat rare klimaat. We bewaren onze rijpe tomaten nu niet langer dan nodig, hoor: die 2 kilo verwerken we al gauw in gerechten – en gewoon uit het vuistje proef je ook de vele uren herfstzonneschijn.

Wat met de nog groene tomaten – ook zowat 2 kilo? Die hoeven voor ons niet meer verder af te rijpen: ze gaan zuurkoolgewijs in bokalen fermenteren.

Zo, nu is de serre eindelijk opgeruimd. Het bovenste laagje compost/mulch gaat eraf, op de kruiwagen en naar de tuin. Dan laten we 2000 opgespaarde liters regenwater geleidelijk los op de uitgedroogde bodem, en zaaien we tuinkers, radijs, sla, spinazie, koriander, … Zo begint het nieuwe jaar hier.

De nieuwe tomatencyclus begint dan weer in maart. Intussen kiezen en ruilen we volop zaden. Daartoe is Tomatentest 2016 van de Velt Zadenwerkgroep ons favoriete kanaal. Ruil mee, voor meer biodiversiteit en voor een weelde aan kleuren en smaken!