Categorie archief: goed gereedschap

Onkruid vergaat niet (deel 3)

Vandaag drie belangrijke trucs om ongewenste planten onder de knoet te houden.

Onkruidwerende teelten.

Als je een braakliggend stuk grond hebt, zegt de ouwe buurman steevast: Daar moet ge het eerste jaar patatten op zetten. En dat werkt, ja, mits slim toegepast. Neem om te beginnen een laat ras, dat maakt extra veel loof. Weet je nog: onkruidzaden kiemen als ze licht zien? Wel, dat loof bedekt de grond maanden lang, en zo krijgen eenjarige onkruiden weinig kans. Nog beter: plant resoluut het aardappelras Sarpo Mira. Dat maakt ontzettend veel loof en ferme aardappelen, en is vooral helemaal bestand tegen de aardappelziekte.

sarpo mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog volop in blad
Sarpo Mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog fris in blad

Pompoenen werken op dezelfde manier: hun weelderige ranken zorgen van juni tot oktober ook voor een totale bodemverduistering. Niet meer naar omkijken tot de oogst dus.
Het enige dat je met aardappel en pompoen moet doen, is na het planten een paar keer schoffelen tussen de rijen, tot het gewas alles dichtgroeit. Rastip, alweer: neem Hokkaido’s of gelijkaardige kleinvruchtige, en vooral lekkere rassen.

Een derde teelt met dezelfde onkruidonderdrukkende kwaliteiten is phacelia: da’s een Californische groenbemester. Geen eetbare plant voor ons, maar de zachtpaarse bloemen zijn perfect bijenvoer. Zaai tussen april en half augustus, in rijtjes met telkens 25 cm tussen. Dit plantje kiemt razendsnel, je schoffelt twee keer tussen de rijen en daarna is je tuin één zee van fijn ingesneden blad. Een paar weken later: volop bijengezoem!

Deze drie superonkruidwerende planten zijn eenjarig. Na de eerste herfstvorst mag het loof als een dekentje blijven liggen: die mulch verteert de hele winter, en houdt je bodem nog steeds onkruidvrij. Het volgende voorjaar hark je de resten bij mekaar: goed materiaal voor je composthoop. Je grond is dan zo goed als onkruidvrij.

Zaai duidelijke rijtjes.

Je kunt op veel manieren zaaien: in rechte rijen, in kunstige bochten, of breedwerpig overal een beetje. Vrijheid blijheid, hoor. Ik strooi graag wat in het rond, kijk maar.cropped-pluktuin-290311-4.jpgMaar hoe weet een beginnende tuinier dan welke kiemplantjes de goeie en de slechte zijn? Om het nog erger te maken: wortel, peterselie, pastinaak en veel andere gewone groenten kiemen tergend traag – en onkruidzaden vreselijk snel. Rijen helpen dan, want tot nader order groeien onkruiden niet vanzelf in rechte rijtjes.

Met een plantkoord en een schoffeltje kun je heel ouderwets een mooie rechte rij maken. Of: je legt de steel van je hark (of zo) op de rulle grond, drukt even aan, en – presto! – je hebt een kaarsrecht geultje. Van mij mag je ook rondere, organische rijtjes trekken in je grond, het is maar waar je je goed bij voelt.

Markeer die rij in ieder geval. Met een labeltje, stokje – en hou ook in een schriftje of Excel bij wat waar wanneer de grond in ging: ikzelf vertrouw niet meer blindelings op mijn geheugen.
Ik ga nog een stapje verder met dat markeren van de rijen: in elke rij, om de tien tot twintig centimeter, stop ik een stokje. Gewoon een stukje aardpeerstengel van vorig jaar, of een gesnoeid twijgje van om het even welke boom of struik – behalve wilg, want die wortelt meteen: niet de bedoeling! Ons wortelbed ziet er dan na het zaaien uit als vier rijen vol stokjes. Ik kan dan, een week na het zaaien, al een keer rustig schoffelen tussen die rijen: het eerste onkruid kiemt immers snel, en worteltjes traag.
Wat ook helpt: zaai, in dat wortelgeultje, om de tien of twintig centimeter één radijszaadje. Dat kiemt snel en maakt de rij zo zichtbaarder.

Schoffel slim.

Hier in het Hageland zeggen grijze-tuiniers-met-grijze-tuinschort: de grond krabben (met een krabber). Elders spreken tuiniers van hakken, of schoffelen. Vooral dat laatste woord hou ik aan, en ik bedoel daarmee: heel oppervlakkig de onkruidplantjes en de bodem wegschrapen. Het snijvlak van de schoffel glijdt en snijdt door de (wortel van de) ongewenste planten heen, net op of onder het oppervlak. Dieper, heviger hakken haalt alleen maar nieuwe, kiemgrage onkruidzaden boven: niet doen, dus.

Schoffels en hakken bestaan in alle maten en kwaliteiten. Ik ben gek op mijn twee puntschoffels, waarmee je duwt in plaats van trekt. Ik heb ze van www.sneeboer.nl, ze hebben een ergonomisch superlange steel plus handvat.

werken met de duwschoffel, dat gaat nogal vooruit (1)Hierboven die met een roestvrij stalen blad van 20 cm breed voor het grove werk, en dan gebruik ik ook een fijner blad van 10 cm breed. Naar mijn ervaring werkt zo’n duwschoffel ongeveer vijf keer sneller dan een gewone trekschoffel.

Al even handig, maar dan als handschoffeltje, is mijn razor hoe van Burgon and Ball. Scheermesschoffel, letterlijk. Een Japanse kruising tussen sikkeltje en handhakje, superlicht en –scherp. Ik heb dat nieuwe speelgoed nog maar enkele maanden en ik kan het niet meer missen. En ik hou het dunne stalen blad op snee met een wetsteentje.

razor hoe (5)
Goed gereedschap is het halve werk, goed gebruik het andere, en timing is alles. Droog weer is dodelijk voor weggeschoffelde planten: ik schoffel dus bij voorkeur in de ochtend van een aangekondigde zonnige en/of winderige dag. Op tijd en regelmatig ook, wanneer de ongewenste plantjes nog klein zijn. Een jeugdherinnering hierbij: buurman Henri, gepensioneerd en ADHD-er, stond elke morgen al het minste onkruidje op te wachten met zijn schoffel. Realistischer is een tot twee keer per week schoffelen, hoor.

schoffelen, voor en tijdens en na (1).JPG
En mag dat onkruid dan blijven liggen? Schiet dat niet meteen weer op? Wees gerust, wees slim en bespaar je de moeite van het oprapen: als je ze in jonge toestand, én bij droogte, wegschoffelt, overleven die ongewenste kiemplantjes je schoffelbeurt niet. Ik laat ze liggen, als een soort van mulch.

Onkruid vergaat niet (deel 1)

Op mijn knieën wied ik uien en worteltjes, uren schoffel ik tussen de kolen en de prei. Nutteloos gezwoeg? Ecologische zelfkastijding? Kun je met meer verstand minder moeten wieden? Wel, je moet je vijand doorgronden om hem te kunnen verslaan. Ontdek hoe onkruiden denken en doen, en dan snap je beter hoe je ze kunt aanpakken.

De strategie van eenjarigen

Kijk eens naar de bodem in een bos. Die is voor, laten we zeggen, 99% bedekt, met dode bladeren en/of met planten: dat doet de natuur spontaan als je haar laat begaan. Dat ene procentje blote grond, dat is de uitzondering. Heel soms komt de naakte grond piepen: als een boom omvalt, als een everzwijn of ander beest wroet, of bij zeldzamere calamiteiten als een bosbrand.
Die blote grond blijft nooit lang zo. Al na een paar dagen komen kiemplantjes piepen. Hé, waar komen die vandaan? Heeft iemand die gezaaid? Bijlange niet: die zaadjes zitten daar al lang te wachten. Jaren, eeuwen soms, in het donker van de ondergrond.

zaailingen van paarse dovenetel
Zo kiemt paarse dovenetel

Aan de universiteit van Wageningen deden bodemwetenschappers eens de proef met ’s nachts ploegen. Wat zagen ze? Veel minder onkruid! Want wat triggert de ontkieming van al die onkruidzaadjes? Licht! Ook al is het maar een fractie van een seconde dat ze belicht worden! Zaadjes hebben een receptor voor licht, en weten (bij manier van spreken) dat ze prompt in actie moeten schieten. Als je spit, freest of ploegt – maakt niet uit – belicht je duizenden slapende onkruidzaden, en je wekt ze.
Survival of the fittest, meer is het niet. Heel veel soorten eenjarige onkruiden hebben zich miljoenen jaren geweldig gespecialiseerd in snel reageren op verstoring van de grond. Alles gaat dan snel: kiemen, groeien, bloeien, zaad vormen, afsterven. Allemaal binnen de tijdspanne van een jaar.

En zaad in grote aantallen, dat ook nog. Eén herderstasjesplant produceert vlot 150000 zaadjes, die tot 35 jaar kunnen overleven in de bodem. Zwarte nachtschade: 850000 zaden, en 40 jaar. Ze zijn dus met veel en ze hebben geduld. Ze wachten tot iets of iemand de grond verstoort, en het maakt voor hen niet uit of die komt van een muisje of een bulldozer. En toch, vanuit hun standpunt: hoe meer gewroet, hoe liever ze het hebben. Geen wonder dat ze prima gedijen in mensenvelden en –tuinen. Miljoenen jaren hebben die soorten het moeten doen met minimale verstoring van de bodem, maar sinds de eerste grondbewerking door de mens (pakweg tienduizend jaar geleden) is het feestje voor onkruiden oneindig en steeds groter.

Eenjarige onkruiden zijn echte cultuurvolgers. Overal waar de mens graan ging telen, nam hij onbewust ook onkruidzaden mee. Ze verspreiden zich nu nog, met alle vervoer dat we ze aanbieden. Neem nu knopkruid. Dat komt uit Zuid-Amerika, en kwam hier door de legers van Napoleon en/of de Amerikanen: daar zijn verschillende verhalen over. Vast staat dat knopkruid elk jaar vanaf eind april met miljoenen je moestuin kan innemen, en een blijvertje is.

HPIM4291
Nog zo’n invasieve exoot: reuzenbalsemien

Poppies

Die eenjarige ongewenste planten produceren niet enkel massa’s zaden, maar bestaan ook in veel soorten. Vogelmuur, kamille, knopkruid, kleine brandnetel, melganzenvoet, hanenpoot, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek, melkdistel, Canadese fijnstraal, hoenderbeet, akkerkool, bingelkruid, straatgras, zwaluwtong, perzikkruid, klaproos, om er maar enkele te noemen.

 

perzikkruid
Het blad lijkt op dat van een perzikboom, vandaar de naam perzikkruid.

Even een historisch zijsprongetje over dat laatste: poppies, weet je wel. In de Westhoek, waar ik vandaan kom, stonden ze tijdens de Eerste Wereldoorlog zo massaal op de slagvelden, dat de Canadese legerarts John McCrae in 1915 zijn beroemde gedicht In Flanders Fields schreef. Die rode bloemen inspireerden hem nadat een goede vriend omkwam tijdens de tweede Duitse gasaanval. De bloedrode klaproos, Papaver rhoeas, wordt een zinnebeeld voor nutteloos verspilde levens. Klaprooszaden bevatten ongeveer 40% olie: daardoor kunnen ze tientallen jaren begraving overleven. Ze verrezen waar de aarde omgewoeld was, in en om loopgraven, in bomkraters en in de sporen van het legertuig.

Nooit meer oorlog, pardon: spitten

Die legers van sprintklare zaden in je moestuinbodem, die noemen we de zadenbank. En als we één ding geleerd hebben van al het bovenstaande: laat die zadenbank voor wat hij is, namelijk daar ergens onder je groenten. Spitten, frezen en ploegen doe je heel uitzonderlijk. Bijvoorbeeld om een stuk grond te ontginnen, maar daarna toch nooit meer. Of bijna nooit: als je aardappelen rooit, dan kun je bijna niet anders dan graven en wroeten.
Velt- en andere ecotuiniers kennen het alternatief voor spitten al bijna 50 jaar. De woelriek, ook woelvork of grelinette genoemd, is de evidentie zelve om moestuingrond te bewerken. Dit ergonomische gereedschap bestaat in veel versies, van licht tot zwaar, van fabriekskwaliteit tot zelfgemaakt. Meestal 50 cm breed, met tanden van 20 tot 25 cm, twee handvatten op borsthoogte. Mijn favoriete model is tot vandaag de Guérilu: een model dat ontworpen is door een tuinier én een kinesist.
Een slim werktuig dus. Vooral als je het slim gebruikt, is het veel beter voor je rug en voor je grond. Je verstoort de lagen niet, brengt nauwelijks onkruidzaden naar boven. En het gaat veel sneller dan spitten. Ooit gaf ik er een demonstratieles mee: op een uur tijd maakte ik honderd vierkante meter mee, terwijl ik nog uitleg gaf ook. Ook (matige) ruglijders en absolute moestuindummies leren er vlot de grond mee bewerken.
Maar, zegt de nog spittende lezer: hoe raak ik dan van mijn onkruid af in het voorjaar? Simpel en slim: bedek je bodem de hele winter met stro en/of mest of nog ander organisch materiaal. In het voorjaar gooi je die bedekking op de composthoop, en je hebt meteen zuivere grond. Even losmaken en harken: klaar voor alle teelten. Er zal altijd nog wel wat onkruid komen piepen – maar aanzienlijk minder.

melkdistel
Uitsmijter: melkdistel is bij de Maori’s gewoon een groente.

Woelriek, woelvork, grelinette, …

De woelriek of woelvork heeft vele namen, maar we hebben het dus over een soort brede vork, waarmee je de grond verlucht zonder te keren. Een ergonomische, ecologische vervanger voor de spade dus.
Grelinette is een gedeponeerd merk, hoor, al weet niemand dat nog; verder heet dit gereedschap in het Frans ook aé­ra­bêche, biofourche, ac­ti­bêche, in het Engels broadfork, U-bar, U-fork, …  Ik zal het in dit artikel vooral hebben over deze woelriek, die in de winkel ook nog eens guérilu heet, en die voor ons en onze grond het beste werkt.

Soorten en maten

Ik heb al meer dan tien uitvoeringen van de woelriek in mijn handen gehad, en met enkele daarvan heb ik ook al werkervaring. Hier zie je de collectie van Guy Augustijns:

Links bovenaan: het basismodel van de beginjaren van Velt. Rechts daarvan: de guérilu. Onderaan twee modellen van Roger Haeck uit Tielt.

Sommige exemplaren zijn heel zwaar –  om zware grond te kunnen bewerken, zeggen de makers, en/of omdat de tuinier zijn eigen woelvork zo heeft gelast. Ergonomie én robuustheid in één gereedschap: wat mij betreft is de Guérilu het mooiste compromis tussen die twee – maar tuiniers met een heel lemige of kleiige grond lezen nu best even onderaan hoe ik met zware grond omga.

Gelakte modellen of roestvrije modellen: graag hoor ik je opinie hierover. Onze roestvrije Guérilu blinkt na tien jaar zoals op de eerste dag.

Goed voor de grond, goed voor je rug…

Dit verkondigen we bij Velt al sinds 1974: met de woelriek geef je je grond een niet-kerende bewerking. De bouwvoor (pakweg de bovenste 25 cm) wordt er luchtig(er) van, en je haalt de onderste (anaërobe) lagen niet naar boven. Zo spaar je het bodemleven.

Je spaart ook je rug, gewrichte, spieren, … Als je aanneemt dat je belangrijkste gereedschap je eigen lijf is, kun je er maar beter goed voor zorgen. De guérilu bijvoorbeeld is ontworpen door een fysiotherapeut en een tuinier.

Akkoord, zo’n woelriek is een investering van pakweg € 115.00. Duurzaam, dat wel. Eén exemplaar gaat – bij goed gebruik en onderhoud – heel lang mee, en je kunt je woelriek natuurlijk delen met andere tuiniers. Ten slotte heb je dit apparaat maar één keer per jaar nodig.

Hoe gebruik ik de woelriek?

Dit eerste filmpje –  de eerste 14 seconden – toont hoe ik werk.

Deze man keert de kluiten meer om dan ik (0.48 tot 1.30): er zijn ook diverse werkwijzen, zoals je ziet.

En dan heb je nog dat soort tuiniers dat op het eind zeer on-ergonomisch heen-en-weer schudt. Ik schud daar mijn hoofd bij…

 

Waar gebruik ik onze woelriek niet of nauwelijks?

Thuis hebben we zandleem, lopen we nooit op de bedden, en komt er sinds 1993 telkens gewoon een laagje compost bovenop. In Tielt bewerken we sinds 1996 een stuk – oorspronkelijk loeizware klei: daar komt er elk jaar een laag reservaathooi op. Onze voorgangers hadden er enkele spadestelen op gebroken…

Beide percelen zijn door jarenlange goeie zorg humusrijk en rul. De woelriek hebben we er eigenlijk niet nodig; voor de bedden waar de wortelen komen, haal ik ‘m wel eens van stal, al zal het wellicht geen verschil maken.

De woelriek is volgens mij verder niet geschikt om woeste grond (vol kweekgraswortels, bijvoorbeeld) te ontginnen. Daarvoor zijn er andere, efficiënte technieken, zoals het afdekken met karton.

Waar en wanneer gebruik ik de woelriek dan wel?

Ten eerste: om te demonstreren aan beginnIMG_1842ende tuiniers hoe je met weinig moeite veel en gunstig effect kunt hebben. ‘Goed nieuws: vanaf nu spitten we niet meer!

Ten tweede: in de Theatuin – hier links op de foto. Da’s 500 m2 lemige, vochtige grond aan de andere kant van het dorp. Heel vruchtbaar, maar nogal moeilijk bereikbaar: alle vrachten moeten honderd meter met de kruiwagen afleggen eer ze dit lapje grond bereiken. Compost, hooi, houtsnippers,… aanvoeren is er logistiek dus niet erg evident. De woelriek bewijst er goede diensten: jaar na jaar wordt, met beetjes compost en door niet op de bedden te lopen, de grond wel beter.

Makkelijk, efficiënt

Met onze woelriek bewerk ik 100 m2 per uur, en de dag nadien heb ik in mijn schouders en armen hoogstens wat extra spiergevoel. Niks rugpijn, dus. Die echte ouwe Velt-tuiniers werken al meer dan 40 jaar met de woelriek, toch?

Ooit gaf ik, in een samentuin, de woelriek aan een rugpatiënte, die er ijverig – en voorzichtig – mee begon te werken. Na een half uur kwam haar partner erbij, verrast en eigenlijk boos: ‘Schatje, je weet toch dat je geen zwaar werk mag verrichten!‘ Zij had nergens last van (ook niet achteraf), en het bed lag er al mooi bij.

En als je dacht dat dit instrument enkel voor de hobbyist bedoeld was: er zijn ook (kleinschalige, echte) boeren, zoals bijvoorbeeld Les Jardins de la Grelinette, die steevast met de woelriek werken.

Natuur, permacultuur?

In de natuur komen er geen woelrieken voor – akkoord. Daar voeg ik aan toe: de natuur werkt normaal 100 jaar om een paar cm humus op te bouwen, en levert ons zeer vezelige, witte oerwortelen en bittere wilde sla. Ingrijpen doen we toch, hé. Ik beeld me soms in dat de woelriektanden fungeren als dikke dierlijke klauwen die de grond even optillen. Uitvergrote natuur dus, net zoals we vele centimeters compost aanbrengen, duimdikke wortelen en sappige sla kweken.

Uiteraard verstoort de woelriek het bodemleven, al is dat dan veel minder drastisch dan frees of spade. De eerst vrij solide bodem krijgt zo lucht en wat van de bovenste (mulch-/compost-)laag. Zo creëer je een zekere onrust, uiteraard, of anders gezegd: je vergroot het contactoppervlak (de randen) tussen aarde- en luchtlagen. John Jeavons schreef in zijn eerste boek (1972) al dat hij opmerkte dat de vruchtbaarste gronden bestonden uit licht verstoorde lagen. (En toen is hij gaan dubbelspitten, maar da’s voor zijn rekening).

Ik laat Meadow Farm nog even aan het woord:

The Meadow Creature® Broadfork is an ideal tool for Permaculture. It allows aeration of soil without disturbing soil layers

Mijn omgekeerde piramide

Ten eerste: voor de meeste bodems en percelen die ik ken, loont deze dubbele techniek het beste: mulch en compost aanbrengen, én enkel op de vaste paden lopen. Zo heb ik al in veel verschillende tuinen rulle grond gecreëerd, die vanzelf (door het bodemleven, ja) steeds ruller en beter wordt. Jawel, ook zware grond tem ik zo.  Geen geploeter, geen gesukkel!

Ten tweede: tijdelijk en plaatselijk gebruik ik de woelriek, waar de bodem nog niet optimaal is. Ja, en dat is die ene keer per jaar dat ik het bed betreed. Je zou ook vanaf de paden kunnen werken, hoor.

Ten derde: spitten is zo passé, onergomisch, onecologisch, …, maar kan wel eens dienen om grond te ontginnen, een boom of struik te planten, …

Nu jij

Ben je trots op een zelfgemaakt exemplaar? Heb je vragen, heb je zelf heel andere ervaringen? Ik verneem het graag!