Categorie archief: natuur aan ’t werk

De eeuwige pluktuin

Energetische instant-tuinefficiëntie bereik je met doorlevende eetbare planten: je plant, je plukt – meer moet dat niet zijn. Jaarlijks hernieuwen die planten zich immers vanzelf. Echte permaculteurs lopen zeer hoog op met doorlevend eetbaars: zero input, constante output – wat wil een mens nog meer? Een deel van onze Lusthof is dan ook voorbehouden aan een waaier aan vaste planten met smaak. De gemiddelde lezer – lapje grond, te drukke agenda om serieus te tuinieren – denkt nu allicht: Zo’n luilekkerhof wil ik ook!

Je hoort vaak van voedselbossen – kijk eens op www.voedselbos.be . Over bomen zal ik het hier nauwelijks hebben, want ik mik even op kleinere tuinen. Ik ga dan ook veel doorlevend lekkers uit lagere regionen opsommen: bessen, kruiden en groenten, snap je. Het onderscheid tussen die twee laatste vind ik academisch en dus overbodig.

Welkom dus in onze eeuwige pluktuin – een term van tuinmaat Hugo D’Hooghe uit Brasschaat. Verwacht niet meteen dat je hieruit je volledige dagelijkse kost kunt halen, maar veel(eer) extraatjes qua smaak en voedingswaarde. Bonus: de meeste hier volgende soorten zijn nog sierlijk ook.

Op 10 cm, in januari. Plukklaar zoekplaatje met moeslook, penningkruid, monarda, aangevuld met tweejarigen landkers, selder, zwartmoeskervel en roodlof.

Probleem één, voor veel bezoekers/lezers: je weet niet waar eerst kijken, en je kent de meeste planten niet. De baksteenburger kent immers meer merken van bier, sportgoden, automodellen, … dan eetbare planten. Hoe dat komt laat ik aan je gezond verstand over, maar het heeft iets te maken met onderwijs en opvoeding, media en reclame.

Het plukplezier begint al op vorstvrije winterdagen. Ik negeer in bovenstaand plukzoekplaatje even tweejarigen zoals landkers, roodlof en selder  en ook madeliefje en paardenbloem (sorry, die komen wel eens in een ander artikel aan bod). Ik stel hier even de volgende vaste planten voor in januaritoestand:

  1. Bergamotplant (Monarda didyma) geeft een heerlijk, bloemig tijmaroma aan slaatjes, thee en andere gerechten. De bloemen zijn roze, rood of paars, naargelang de cultivar, zijn erg in trek bij insecten en in de keuken. Rode monardabloemetjes geven hier elke zomer kruidige pit aan pastasalades. Dit is een flinke kruiper, hoor. Daarmee geef ik al aan dat een aantal doorlevende eetplanten ook zouden kunnen gaan woekeren – àls je ze niet opeet, tenminste.
  2. Allium zebdanense. Ik verzamel wel wat wilde alliums: hun smaak varieert van knof- tot bieslook, met soms een preitoets. Dit sierlookje bloeit in april, sierlijk wit; andere soorten geven een leuke spreiding in tijd en kleur. Jawel, alles aan deze lookjes is eetbaar: bloemetjes, bladeren, eventuele bolletjes… Komende herfst vind je wel plantgoed van alliums (sieruien) in tuincentra en –catalogi: gewoon wat proberen, een keertje proeven.
  3. Penningkruid (Lysimachia nummulata): kruipt vlot de tuin rond; de blaadjes hebben een prettig smaakje, het hele jaar door; eet ook de gele bloemen ’s zomers.
  4. Zwartmoeskervel (Smyrnium Olusatrum). Eigenlijk twee- tot driejarig, maar ik smokkel ‘m hiertussen. Indrukwekkende weerstand tegen alles behalve langdurige droogte; pittige selderachtige smaak. Wordt 100 cm hoog en is een heel oude eetplant.

Op 20 cm hoogte. Aan de voet van pruim Opal groeien citroenkruid, bieslook en monarda

Mei aan de voet van een pruimenboom – die dorre stengels dienen als bescherming tegen krabbende katten. Dit is een makkelijker zoekplaatje, hé, met maar enkele planten.

Wat ik vooral wil tonen: als je al plaats hebt voor een boom, geef ‘m dan wat pittige kruiden aan de voet. Die zouden de boom op één of andere manier helpen, lees ik in oude en nieuwe boeken. Ik volg mijn groene vinger en plant het volgende:

  1. Bergamotplant, Je ziet: dit is één van mijn favoriete thee-ingrediënten.
  2. Bieslook (Allium schoenoprasum). De gewoonste doorlevende uiensmaker. Makkelijk te kweken; scheur om de paar jaar, eet de bloemetjes natuurlijk ook, …
  3. Citroenkruid (Artemisia abrotanum). Kruidige citrusgeur en –smaak, met mate te gebruiken in thee – da’s mijn disclaimer. Op elke hoogte en op elk moment te snoeien; stop takjes van dit kruid in de grond en ze groeien: zo kun je zelfs een heel geurhaagje aanleggen.

De resterende foto’s dateren van eind juni: net voor veel doorlevenden in bloei schieten.

Op 30 cm hoogte. Berglook gaat goed samen met wilde rucola.

  1. Wilde rucola (Diplotaxis tenuifolia) smaakt steviger dan de eenjarige. Vol omega 3 en andere supergezonde stofjes, lees ik – de meeste doorlevende groenten zijn niet of nauwelijks veredeld, en zitten bijgevolg nog vol robuuste pit voor tuin en lijf. Voortdurend plukken en snoeien houdt wilde rucola productief en lekker. Haal simpelweg een paar wilde rucolaplantjes in je supermarkt of tuincentrum – ze hebben meestal zo’n heel diep ingesneden blad. Laat ze één keer bloeien (zwavelgeel, mooi!) en zaad vormen: zo ben je voor de rest van je dagen voorzien van wilde rucola
  2. Berglook (Allium carinatum). Van september tot maart knip ik blaadjes, bieslookgewijs; in april/mei oogst ik verfijnde potlooddikke preitjes (meteen ook de smaak verklapt); in juni/juli eten we de bloemhoofdjes (anders strooit berglook te kwistig met broedbolletjes); in augustus graaf ik de zilveruitjesachtige bolletjes op. Zo heb ik ze ook gevonden op vakantie in Frankrijk, eind vorige eeuw, en sindsdien niet meer weg te krijgen uit onze tuin. Al maar goed ook, want deze wilde allium zou ik niet meer willen missen.

Op 50 cm hoogte. Maggiboom en wilde venkel, daarachter brave hendrik.

  1. De Chinese maggiboom (Toona sinensis ofwel Cedrella sinensis) vind je als siergewas bij tuincentra, of ook bij vreeken.nl. Een traaggroeiend boompje, naar mijn ervaring, maar wàt een smaak: één blaadje geeft je soep en andere hartige gerechten een heerlijk bouillonaroma.
  2. Wilde venkel (Foeniculum vulgare) is de oerouder van de eenjarig gekweekte knolvenkel. Die intussen klassieke groente vraagt de nodige zorg om zo’n dikbilstengel te vormen, en die oogst je dan één keer. De wilde variant levert van het vroege voorjaar tot augustus vingerdikke stengels, als je tenminste blijft oogsten, want anders schiet hij prachtig door. De zaadjes kun je natuurlijk ook oogsten voor thee, en de holle stengels dienen na de winter voor de bouw van insectenhotels. Het zaad van deze doorlevende venkel plukte ik twintig jaar geleden aan een vier meter hoge plant in een naburige berm. Twee dagen later was deze plant met de klepelmaaier tot moes gemept. Wat geluk en wat aandacht helpen nogal eens om zaadjes te vinden van lekkere planten.
  3. Brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus) is een stevige verwant van spinazie en melde: het blad is wat taaier en smaakt sterker. Alweer vanaf maart te oogsten, het hele seizoen door, als je maar blijft snijden. Typisch voor veel van die doorlevende rakkers is met hun lange penwortel goed verankerd zitten: ze hebben weinig last van klimaatkuren, vinden voldoende voeding in de diepere lagen, en komen elk voorjaar onverstoorbaar weer boven. Ik kreeg zo’n brave hendrik op een ruilbeurs vele jaren geleden. Heel soms laat ik ‘m in zaad komen, want met de zaadjes kan ik weer andere tuiniers plezieren. De kiemkracht van veel zulke wilde eetbaren is overigens vaak vluchtig: hoe verser het zaad, hoe sneller je zaait, hoe beter. Gewoon meteen na de oogst – typisch tijdens de nazomer – op de gewenste plaats uitstrooien werkt het beste.

Ziezo, dit waren al elf vaste klanten in de voortdurende eettuin: een volgende keer meer van dat. Hun cyclus kan niet eenvoudiger zijn: groeien, terug in de grond kruipen – meestal tijdens de winter, maar er zijn er ook met zomerrust. Doorlevend luilekker tuinieren is zo zen. Als je oogsten werk vindt, dan heb je veel werk aan deze doorlevende smaakmakers. Ze hebben een oerverleden en een mooie toekomst!

Het moeilijkste aan de meeste van die doorlevende eetbare planten is vaak de zoektocht naar plant- of zaaigoed. Kijk dan bijvoorbeeld eens bij Den Oude Kastanje: zij hebben al een pittig assortiment. Ook in onze tuin kun je van november tot maart is er altijd plantgoed: kom op bezoek, en met een schepje vul ik een hele doos voor je.

Slow composting

Kippenrencompost

Makkelijker dan zo’n echte composthoop opzetten: we gooien gewoon al ons organisch afval in onze langgerekte kippenren, en die doen daar hun ding mee. Misschien beoefen je die luie methode ook al lang – maar lees verder en kijk hoe wij daar een heel systeem van maken, met onderweg en uiteindelijk een aantal fijne resultaten.

Biodiversiteit, ook bij het composteren

Onze ingrediënten zijn zo divers mogelijk: zo krijgen we de goeie mix van bijvoorbeeld groene en bruine materialen, maar zelfs daarin gaan we lekker breed. Ik som wat op:

  • Grasmaaisel – ook van de buren (en die gebruiken geen herbiciden of zo op hun gazon)
  • Keukenafval: als daar nog wat lekkers tussen zit, halen onze kippen plus haan dat er wel uit. Qua theezakjes weren we die driehoekige, synthetische dingen, want die verteren niet. Noten- en eierschalen, én fijngemaakte mosselschelpen: die gaan er zeker in, in weerwil van bepaalde reglementen en angsten.
  • Tuinafval – en dat is geen afval, dat weet je. Dus: alle groenteloof, inclusief aardappel- en tomatenloof (je moet of kunt de schimmelsporen immers toch niet vernietigen; je moet gewoon resistente aardappelrassen planten, en je tomatenblad zo droog mogelijk houden). Ook zoveel mogelijk snoeihout: zo dik als de snoeischaar  aankan, en gewoon in stukjes van 10 tot 15 centimeter lang. We hakselen niet, nee.
  • Kippenmest, gekregen houtsnippers en snoeisel van coniferen: hup, allemaal de ren in!

Met dat alles krijg je wel een goed evenwicht – en een moddervrije ren.

composteren-in-de-kippenren-6
Takjes van zwarte framboos, appeltwijgjes, en zoveel meer: onderweg naar de serre.

Schep & scharrel

Ik start in mei met een hoopje aan het kippenhok, en dat wandelt -nee: kruipt! – dan noordwaarts, naar de serres toe. Vijftien meter, heel op het gemak, maanden lang. Dat kruipen gaat zo: met de riek gooi ik, om de week of wanneer ik zin heb, de hoop een heel klein beetje verderop, richting serres. En dat maanden lang. Soms ontstaat er even een hoopje – en dat kan wel ’s broeien: dan zitten de kippen zich erop te warmen – maar even later scharrelen ze die hoop alweer uit mekaar, op zoek naar compostwormen, pissebedden en zoveel meer. Af en toe strooi ik een handvol gesteentemeel of bentoniet bovenop de hele laag: de pieren zijn er gek op.

Onderweg

Het hele proces gaat er dus traag aan toe: alles mag rustig half of heel verteren. Onze bessenstruiken, aan de castanea afsluiting, zitten ondergronds mee te genieten van zoveel eten dat voorbij schuift.

In het voorjaar schep ik de hele bovenste kippenrenlaag (20 cm dik) de tomatenserre in. Daar blijft dat spul een heel jaar verteren én eten geven aan de tomaten. Op het eind van het jaar komt het afgewerkte product (nu een laag van 10 cm dik) dan kruiwagengewijs naar de moestuin.

img_0021
Zo komt de compost dan uit de tomatenserre: heel af en toe nog een herkenbaar takje, hé.

Hoe lang is die compost dan onderweg geweest? Neem een frambozentakje dat ik in augustus 2016 in de kippenren verknip: omstreeks december 2017 komen z’n bijna helemaal verteerde restanten terecht in de moestuin.

Ach, het is tegenwoordig bon ton om te zeggen dat humus niet bestaat. Het is gewoon allemaal energie die onderweg is van de ene levende plant naar de andere, en in onze tuin gebeurt dat maximaal en bijzonder traag. De reis is belangrijker dan de bestemming, weet je wel.

Werk?

Ik krui en schep heel geregeld wat: fitness op m’n dooie gemak. Ik kan het je aanraden.

 

Alles behalve egels

Weer een zomer zonder egels. Deze beestjes waren er wél:

Deze platte wielwebspin vangt graag nachtvlinders, waaronder schadelijke Turkse mot.
De platte wielwebspin vangt graag nachtvlinders in de serre, waaronder de Turkse mot.
kameleonspin vangt hommel (2)
De kameleonspin ligt op de loer in onze Bulgaarse roos, en verschalkt zo zelfs hommels.
bessenglasvlinder of Synanthedon tipuliformis.
Deze bessenglasvlinders leven als larve binnenin de takken van onze aalbessenstruiken.
veelkleurig Aziatisch lhb of Harmonia axyridis forma succinea
Dit veelkleurige Aziatische lieveheersbeestje komt net uit z’n verpakking: van pop naar volwassene.
tijgerspin
Nog één spin om het af te leren: de tijgerspin komt uit Zuid-Europa en is een spectaculaire rover.

Maar geen egel deze zomer. Onze tuin biedt veel bessen op snuithoogte, af en toe een slak, massa’s wormen en nog veel ander grut. En: het voer voor kater Nelson staat dag en nacht klaar. Qua gedekte tafel zit dat dus goed; wij bieden ook veel schuilplekjes om achter en onder te schuilen.

Toch is het pakweg drie jaar geleden dat ik nog een egel of, op zijn minst, zijn keutels zag in onze tuin. O, zo’n vettig blinkend donker langwerpig keuteltje, dat kon me zo dan telkens zo blij maken! Vroeger waren egels weliswaar geen vaste klant bij ons, maar dan toch minstens dwaalgasten. Zijn we dan als tuinier niet goed bezig? Sommige tuingoeroes gaan ervan uit dat je, als je maar een natuurlijk evenwicht bereikt, alle goeie beestjes – egels inclusief – je tuin wel gaan vinden. Een mooi streven is dat, toch?

Of heeft de omgeving er meer mee te maken? Kijk even, met mij, rond in onze buurt – pakweg in een straal van driehonderd meter. Buren met bespoten gazon en dito klinkers van voor tot achter. Buren met onbespoten gazon en nogal wat bloeiende planten, strak in ’t gelid. Een maisveld en een wei met paarden. Een braakliggende, erg verruigde tuin. Veel schuttingen en zo. Een drukke steenweg, en een straat voor de deur waar minstens honderd auto’s per dag door rijden. (Jaren lang zagen we, vooral tijdens de zomer, wel eens een/onze platgereden egel in onze straat.)
Of is het dat losgeslagen klimaat? Te warme winter, te koud en nat voorjaar, hittegolven en extreme stortbuien: trop is te veel, ook voor egeltjes.

Tuinieren is en blijft boeiend, blijft zoeken. Nog meer biodiversiteit, nog betere bodemzorg, dynamische evenwichten en netwerken: daar zorgen we met plezier voor. Er valt elke dag wel wat te ontdekken en er is meer dan genoeg eten voor ons. Egeltjes laten zich echter niet dwingen, en zijn niet goed in polsstokspringen.

 

 

 

Bedek je grond!

Blote grond is dode grond

Op alle werven, op de meeste akkers en in veel moestuinen zie ik blote grond. Die ligt daar, letterlijk blootgesteld aan de elementen. Bij felle regen spoelt de modder naar het laagst gelegen punt: de beek, je kelder, de straten, … De gemeente (dus de burger) betaalt het gelag voor het kortzichtig gedrag van de wroetende mens, in casu de boer. Bij droog en winderig weer waait de goeie grond weg. En voelen: als ik tijdens een droog voorjaar aan de verkeerde kant van zo’n kale maisakker sta, krijg ik dat opwaaiende zand-plus-drijfmestmengsel in mijn gezicht. Deze vormen van wind- en watererosie doen pijn aan mijn ogen– en dat zeg ik ook als boerenzoon. En ook: bij extremer weer (met een klimaat dat op hol slaat) hoort extremere erosie.

O ja: de klei- en leemtuiniers onder jullie zeggen (of krijgen te horen) dat je die zware grond voor de winter moet ploegen/spitten. Helemaal volgens de wetten van de fysica vriezen de kluiten dan stuk. Toch zijn er andere manieren om zware grond beter – en volgens de wetten van de biologie – bewerkbaar te krijgen. Daarover zo meteen meer.

Waar zit het bodemleven vooral?

De meeste bodembeestjes zitten aan de oppervlakte, met miljarden: daar, in het grensgebied van aarde en lucht, hebben ze volop warmte, zuurstof, voeding en vocht. Miljarden schimmels en bacteriën en ongewervelde diertjes floreren juist daar, en dus niet tien of dertig centimeter onder het oppervlak. Dat heb je zelf al geobserveerd: een houten paal zal altijd rotten tussen hemel en aarde, zoals mijn vader dat zegt.

Wanneer we deze grenslaag wat dikker en interessanter maken voor het bodemleven, dan bevorderen we de hele bodemvruchtbaarheid meteen.

Waarmee bedekken: met levende planten

Methode 1: niks doen.

De bodem van je tuin bedekt houden, da’s eigenlijk het makkelijkste wat er is, ook voor wie geen groene vingers en twee linkerhanden heeft. Vanzelf komen er eenjarige planten – meestal onkruiden genoemd – die de grond bedekken. Ze houden de bodem (en alle leven en voeding erin) vast en laten al gauw geen plekje bloot. Die eenjarigen (dus klaproos, knopkruid, muur) sterven wel af en verrijken daarmee de grond weer: een goeie voedingsbodem voor de volgende fase: de doorlevende onkruiden. Die ruimen dan stilaan het veld voor bramen, de eerste berkjes en wilgen, en ga zo enkele decennia door tot je een echt bos hebt, eik en beuk inbegrepen. Heel dit scenario, van pioniersplanten tot bos, heet successie.

Methode 2: met gewenste planten

Bovenstaande methode is wellicht niet erg gewenst door de gemiddelde tuinier. De meesten onder ons willen zelf de plantensoorten bepalen die onze bodem bedekken, en dan heb je gelukkig veel keuze. Heel veel vaste planten en struikjes en/of het onvermijdelijke gazon zorgen al voor on-blote grond in de siertuin.

Eind maart en de hele tuin is bedekt, terwijl klassieke tuiniers nog bloot zitten (1)
Eind maart: onze pluktuin staat vol eetbaar groen, terwijl blotegrondtuiniers nog staan te spitten…

Slimme moestuiniers wenden groenbemesters aan, of een heel scala aan bodembedekkende groenten. Winterspinazie, winterpostelein en veldsla tijdens de winter bijvoorbeeld. Of een lentebedje met raapsteel (en/of rucola, tuinkers, mosterd,…) gevolgd door allerlei kool later op het seizoen. Of andijvie die je zaait meteen na de oogst van de vroege aardappeltjes. Continu eetbaar bedekken is veelvoudig efficiënt, zoals je wel zult begrijpen.

Waarmee bedekken: met verse dode planten

Aha, dit is het eigenlijke mulchen. Je bedekt de ruimte tussen twee planten of twee rijen, een heel bed of zelfs een volledige tuin met dode plantenmaterialen. Die zijn er legio, en vaak met een gebruiksaanwijzing.

Grasmaaisel, om te beginnen. Sinds de komst van de gazonmaaier is dit notoir afval voor veel klassieke tuiniers, en een mooie grondstof voor ecologische mensen. De meeste kenners raden aan om dunne laagjes te strooien – zo dun, dat je de grond net niet meer ziet – anders gaat dat grasmaaisel rotten en stinken. Daar kan ik inkomen, voor zover het heel groen (en dus stikstofrijk) maaisel is, zoals je dat vaak hebt in het voorjaar én in flink bemeste gazons. Als je daarentegen maaisel krijgt waar veel dor materiaal (hooiachtig, dus met meer koolstof) in zit, kun je rustig wat dikker strooien zonder dat het begint te rotten.

Alle andere groene planten kun je in principe ook maaien en als mulch tussen je gewassen leggen. Brandnetel en smeerwortel zijn daarvoor zeer aangewezen. Maar meer en meer boeren passen deze techniek toe met luzerne, een doorlevende vlinderbloemige die jaren lang groen blad produceert.

Maaimeststof

Dat luzernemaaisel gebruiken die boeren als maaimeststof op andere percelen. Maaimeststof is een term die we gewoon zouden kunnen gebruiken voor alle groene planten die we afsnijden en elders aanbrengen om te bemesten.

Hoeveel stikstof, fosfor en kalium je daarmee precies aanbrengt in je moestuin hangt van veel factoren af, maar in principe (en in de praktijk!) zou je uitsluitend met maaimeststof je moestuin kunnen mulchen én zo voldoende bemesten.

Voor wie nog brandnetelgier gebruikt: met brandnetel- of ander maaisel mulchen is beter, hoor. Gier stinkt, is een snel opneembare meststof die gemakkelijk verbranding en stikstofoverdaad geeft. Brandnetelmaaisel daarentegen is geurloos en geeft zijn voeding trager af, via het bodemleven. (Wie bladluisjes wil bestrijden, kan uiteraard nog steeds brandnetelaftreksel maken. Dat is thee, die hoogstens 48 u getrokken heeft en onder meer mierenzuur en histamine bevat – allebei stoffen die bladluizen en rupsen irriteren of doden. Na rotting zijn deze stoffen ontbonden tot ammoniak, fosfaten, … die deze insectenverdrijvende werking niet meer hebben.)

Tussen de planten? Over de planten heen!

Ik ben een luie – dus efficiënte! – tuinier. Als ik gras- of ander maaisel heb, strooi ik dat niet zozeer netjes op de grond tussen de gewassen. Nee: over de planten zelf van grove gewassen, zoals aardappelen, bonen, mais, pompoen, kool, selderij, … verspreid ik een dun laagje grasmaaisel. Dat ligt dan half op het gewas zelf, maar door de wind en de regen dwarrelen al die sprieten in de volgende dagen naar beneden, waar vanzelf een mooi mulchlaagje maken.

Bij sla, veldsla, raapsteeltjes en ook prei bestrooi ik het gewas uiteraard niet met maaisel, maar blijf ik tussen de rijen. Als je in de keuken al eens sla hebt ontdaan van grassprieten, begrijp je wat ik bedoel.

Waarmee: met dorre planten(-delen)

Je kunt uiteraard ook mulchen met stro, hooi en dorre bladeren. Die materialen zijn veel rijker aan koolstof, ze zijn droger, en je kunt er dus dikkere lagen mee leggen. Sommige tuiniers gaan tot 30 cm dik hiermee – met een bescheiden 10 cm zit je al even goed, vinden wij. Dit soort materiaal hoef je niet zo vaak aan te vullen: het vergaat veel trager.

Hooi bevat nog wat stikstof en fosfor, stro nauwelijks. Hooi zal dus nog heel wat voedingsstoffen kunnen aanbrengen. Ruth Stout (USA, 1884-1980) schreef zelfs een boek (bij ons vertaald als Tuinieren zonder spitten) over haar hooitechniek: ze dekte elk vrij plekje af met hooi.

Met een dikke laag natuurreservaathooi is het leuk en handig afdekken.
Met een dikke laag natuurreservaathooi is het handig afdekken.

Verder bevat hooi nog heel wat ongewenste kruidzaden. Voor Ruth Stout was dat geen probleem: Als er onkruid kiemt, leg er dan meer hooi op! Zelf heb ik ook al veel onkruidzaden ingevoerd door hooi te gebruiken, maar dat nadeel weegt voor mij niet op tegen de vele voordelen.

Met name hooi van natuurreservaten gebruik ik al veel jaren: mét zaden, ja, maar wellicht ook met veel goede mineralen. Het is vaak een kwestie van er (logistiek) aan te geraken, maar in principe zijn natuurbeheerders blij met dit afzetkanaal: zij willen hun natuurgebied verarmen, jij wil je moestuin verrijken, dus dan zijn beiden tevreden.

Herfstbladeren zijn ook leuk materiaal om mee af te dekken, de hele winter lang. Ze willen wel eens gaan waaien, dus dek ze af met kippengaas of stro – of je versnippert ze even, zodat ze ook makkelijker blijven liggen.

Waarmee: nog andere materialen

Heb je je heg gesnoeid? Heb je in het voorjaar alle dorre planten verwijderd uit je border? Ook die materialen kun je gewoon gebruiken tussen je groenten.

En hoe zit dat met houtsnippers? Als ze heel vers, fijn en groen zijn (van je heg, bijvoorbeeld), kun je ze met goed gevolg tussen je gewassen spreiden. Dorre, dikke, houtige snippers daarentegen bevatten veel koolstof onder de vorm van lignine: dat breekt traag af, en het bodemleven rooft daarvoor het eerste jaar nogal wat stikstof uit je bodem: eerder een soort mulch voor tussen je bessen is dat dan. Die struiken staan van nature aan de bosrand, en gedijen dus extra als je ze mulcht met snippers.

Ook je paden kun je met gehakseld hout bedekken: daar zullen ze een hele tijd kiemende onkruiden tegengaan, en dat is ook je bedoeling. Wanneer, gemiddeld na een jaar, die snippers half verteerd zijn, kun je ze prima gebruiken in je composthoop of –vat. Of je kunt je paden ook jaarlijks gewoon aanvullen met nieuwe snippers.

Hoe lang houthaksel erover doet om te verteren, hangt voor een groot deel af van de houtsoort en de dikte van de snippers. Wilg en Amerikaanse vogelkers bijvoorbeeld vergaan heel vlot; soorten met looizuur (berk, walnoot, eik) of hars (den, spar en andere coniferen) verteren langzamer.

Let op?

Zijn er mulchmaterialen die ik weiger? Niet veel: met beschimmeld (aardappel-)loof als bedekking heb ik al meer dan twintig jaar gewoon goede resultaten. De sporen van die schimmels zitten op dit moment op je neus, op mijn toetsenbord, … overal en onvermijdelijk dus, en in een ecologische tuin hoort het juist te wemelen van allerlei micro-organismen die mekaar in evenwicht houden. En dan nog: teel bijvoorbeeld resistente aardappelrassen, kweek vroege pompoenrassen, overdrijf niet met stikstof en water geven, en dan hou je de meeste schimmels al binnen de perken.

Giftige planten, kun je die gebruiken om te mulchen (of te composteren), vragen bezorgde tuiniers me soms. Tja, vingerhoedskruid en taxus bijvoorbeeld zijn enkel giftig voor ons, enkele andere grote dieren, maar helemaal niet voor schimmels, bacteriën, pieren, …

Met herbiciden behandeld stro en gazon, die kunnen pas problemen geven. Spuitende gazoneigenaars en stroboeren dulden geen tweezaadlobbige (on-)kruiden, en hun herbiciden kunnen dan via het stro of het maaisel in jouw bodem komen en daar groeiremming geven – of erger – aan je groenten.

Oppervlaktecompostering

Alle dode plantaardige materialen die we hierboven genoemd hebben, gaan verteren tot compost of tot materiaal dat op compost lijkt. Dit proces kan heel langzaam tot heel snel gaan, afhankelijk van deze factoren:

  • Het soort materiaal: hoe hoger de stikstof/koolstofverhouding, en hoe fijner het materiaal, hoe sneller het verteert;
  • Contact met de grond;
  • Bodemleven: op een dode maisakker verteert alles veel trager; een moestuin vol wormen verteert vlot;
  • Vocht: als het materiaal, het weer en/of de ondergrond voldoende vocht bevatten, kan het bodemleven meteen aan de slag;
  • Warmte: tijdens de winter ligt het verteringstempo lager; vorst legt de meeste processen tijdelijk stil.

Dat verteringsproces lijkt voor een groot deel op de omzettingsprocessen in een composthoop, maar een goede composthoop ontwikkelt warmte, tussen 50 en 70 °C, terwijl vlakke compostering of oppervlaktecompostering koud blijft. Bijgevolg worden onkruidzaden en ziektekiemen niet gedood in je mulchlaag, en daar kun je best rekening mee houden.

Anderzijds is mulchen voor de meeste aanhangers veel natuurlijker en arbeidsarmer dan een composthoop opzetten. Pioniers als Masanobu Fukuoka en Ruth Stout werkten zelfs (bijna) uitsluitend met oppervlaktecompostering.

Mulchen met mest en/of compost

Mest en compost kun je ook grotendeels beschouwen als dood plantaardig materiaal. Strorijke mest of halfrijpe compost zijn ideaal als winterbedekking voor je moestuin; wat tegen dan niet verteerd is, hark je weg en gooi je op je composthoop. Nog even harken, en je tuintje is weer klaar.

In het geval van mest heeft het dier de planten fijngemaakt, er voedingstoffen aan onttrokken, en heel veel darmbacteriën aan toegevoegd. Zo is het een kant-en-klare hap voor het bodemleven. Ook halfrijpe of rijpe compost die je op je bodem aanbrengt, biedt je bodemleven meteen veel voeding.

Een deel van die voedingsstoffen – vooral nitraten, fosfaten en kalium – kunnen wel doorsijpelen naar diepere lagen en naar het grondwater: jammer voor de waterkwaliteit, en voor je groenten – zij wortelen te ondiep om nog van die voeding te kunnen profiteren.

In een dode maisakker zullen die NPK-voedingsstoffen gauw uitlogen, zoals dat officieel heet. Wat doe je tegen die verliezen? Humus en bodemdiertjes zijn een levende spons, die heel goed alle voeding kunnen vasthouden.

Bescherm je bodem tegen de elementen

De massa van een 5 mm regendruppel is 5x5x5 = 125 maal die van een 1 mm druppel en de terminale snelheid verdubbelt, waardoor de destructieve energie 5x5x5x5 = 625 keer groter wordt. Een regendruppel die op een blad of een strohalm valt, spat uiteen in vele kleine druppeltjes. Stel: bovengenoemde 5 mm druppel valt uiteen in 1 mm druppels, dan verkleint het destructieve effect 625 keer. Een dikke laag mulch of een gesloten plantendek voorkomt dus wel degelijk het dichthameren van de grond door herhaalde hevige regen- en hagelbuien. Hier vind je de hele berekening…

IMG_0069.JPG
Uit het maisveld bovenaan onze straat spoelt, bij elke felle regenbui, de onbedekte aarde weg.

Al je bodemleven zit niet voor niks ondergronds: ultraviolette straling, met name UV-B, is schadelijk tot dodelijk voor heel veel soorten, zoals wormen en schimmels. Met de bedekking breng je dus een UV-filter aan op je bodem.

Blote grond droogt veel makkelijker uit dan bedekte grond. Beginnende en inzichtloze tuiniers herken ik gewoon aan hun waterverbruik; slimme, efficiënte tuiniers herken je aan hun bedekte grond – en zij hoeven nauwelijks nog te gieten.

Dehydratatie is niet goed voor je huid, maar evenmin voor je tuin. Vooral op hete dagen, maar evengoed wanneer het hard vriest, droogt je grond uit. Dat is heel stresserend voor je planten en voor je bodemleven. Overigens waait droge grond op den duur ook weg: zo verdwijnen jaarlijks miljoenen tonnen vruchtbare bodem.

Kleigrond moet gespit worden voor de winter, zodat de kluiten kapotvriezen,” hoor je in klassieke middens. Veel efficiënter is het afdekken met mest en/of halfrijpe compost, de hele winter lang: de vele pieren en andere bodemdiertjes zullen de kluiten wel fijnmaken, onder de bescherming van een isolerende, voedzame laag. Je grond ligt niet te rusten tijdens de vorst, maar kapot te gaan! Hittegolven, overstromingen en andere extreme omstandigheden zijn evenmin bevorderlijk: het leven ondergronds gedijt immers het best onder beschutting en met hapklaar voedsel bij de hand.

Wordt je grond dan niet zuur?

Nog zo’n fabel: al dat grasmaaisel zou je grond verzuren, en dus moet je kalk strooien. Vooral in tuinwinkels hoor je dit, en ze verkopen er veel kalk mee, maar eigenlijk is dat overbodig en vaak zelfs nadelig voor je bodem. Kalk maakt immers een deel van de minerale stikstof (in je mulchlaag) vrij onder de vorm van ammoniak – en die vervliegt dan, weg uit je tuin. Verder is de pH (de hoeveelheid kalk, zeg maar) in minstens de helft van de Vlaamse moestuinen te hoog. Die te hoge pH zorgt dan weer dat je planten bepaalde voedingsstoffen niet kunnen opnemen…

Voorkom onkruid

Tussen een flinke groenbemester, in een bed vol sla, op een gemulcht bed gaat eenjarig onkruid nauwelijks kiemen. Het zaad van die pionierplanten heeft immers licht nodig, en alle manieren van afdekken hullen de onderliggende bodem juist in het donker. Als er al eens een onkruidzaailing de kop opsteekt, kun je die vlot uittrekken, en op de mulchlaag deponeren: zo gaat dat onkruidje niet zozeer het probleem zijn, maar een deel van de oplossing.

Doorlevende onkruiden daarentegen laten zich niet afschrikken door bedekking met levende of dode planten. Je kunt ze beter helemaal uitgraven of ze eenmalig en stevig afdekken (en van het licht beroven) met karton – met daarop meer organisch materiaal.

Even onbedekt!

In ons klimaat kun je best de winterbedekking wegnemen begin maart. Onbedekte bodem neemt immers overdag meer warmte op (goed voor je vroegste teelten) en straalt ’s nachts meer warmte uit (en zo beperk je nachtvorstschade). Hark die mulchresten dus bij mekaar en gooi ze op de composthoop. Je hebt dan ook meteen schone, vruchtbare grond waarin je je radijsjes en erwten kun zaaien.

Na de ijsheiligen kun je weer stilaan met gras- en ander maaisel beginnen te bedekken.

Woelmuizen, slakken?

Een mulchlaag kan slakken én woelmuizen herbergen, en een continue groene bodembedekking herbergt soms slakken. Hier valt nog veel onderzoek te verrichten, al verwacht ik niet meteen kant-en-klare oplossingen. De situatie in de ene tuin is die in de andere niet: bijvoorbeeld predatoren, grondwaterstand, nabijheid van bos, … kunnen een groot verschil maken.

Over twee commerciële mulchproducten kan ik dit al kwijt: hennepstrooisel zou slakken afschrikken, en ricinusschroot (nu verboden wegens giftig voor honden) weert woelmuizen. En zijn er slakkenwerende groenbemesters? Goudsbloem wordt alvast niet gelust door slakken, en tagetes juist heel erg. Uitproberen dus, en vooral goed observeren wat er zich beweegt in en op die bovenste bodemlaag.

Kortom:

Ooit erfde ik een stukje loeizware grond. De vorige – eerder klassieke – tuiniers hadden er een paar jaIMG_2460ar spadestelen op gebroken, zo kleiig was het daar.

Na een paar jaar bedekken met compost en mulch – en door niet meer te spitten! – werd de bovenste laag al lekker kruimig. Nu, 20 jaar later, is dat tuintje tot 30 cm diep door en door mals en vruchtbaar. In dat tuintje komen we gemiddeld om de veertien dagen, want het ligt niet bij de deur. Het bedekken kost nauwelijks tijd en moeite, in vergelijking met blotegrondtechnieken, en het levert veel meer op.

Ecologie, ergonomie en efficiëntie gaan voor bodembedekkende tuiniers dus prima samen. Dan hoef je enkel nog regelmatig die buitenste huid van je bodem te observeren en bij te sturen waar nodig: wat toevoegen, wat wegnemen.

Winterwerk in de serre

Ligt onze serre droog en leeg de hele winter? Nee, natuurlijk niet: we gaan voor veel vocht en verse groentjes, want da’ s beter voor de serregrond én we hebben extra productie.

Dit jaar kwam de tomatenserre pas vrij eind december; gewoonlijk bepaalt een eerste strenge vorst in november al wanneer het uit is met de tomatenteelt. Hoe dan ook: op dat moment is de grond vrij – en kurkdroog.

Tijd dus om water te geven! Het staat in alle boeken, en ook alle ervaren tuiniers weten dat je de grond tijdens de winter moet doorspoelen, om opstapeling van zouten in de bovenste bodemlaag te vermijden. Sneeuw in je serre scheppen – zo’n oude methode – is achterhaald, hoor: je brengt daarmee véél te weinig water binnen, én intussen is je grond werkloos en koud.

Wat is dan onze methode anno nu? Wel: de bodem krijgt minstens 150 liter per vierkante meter, en dat over de hele winter gespreid. Ik maak daartoe rijstveldjes: bedjes van ongeveer 120 cm breed, met dammetjes ertussen. Gewoon met de hark gemaakt, hoor: door 22 jaar compostaanvoer is de grond lekker kruimelig.

'Rijstveldjes' bevloeien.
‘Rijstveldjes’ bevloeien.

Vervolgens laat ik elk veldje vollopen met opgespaard regenwater, en dan zakt het water na een kwartier wel weg. Uiteraard doe ik dat niet met emmertjes, maar gewoon door de kraan open te zetten: ondergronds komt er een hele leiding in de serre aan, die ons het opgespaarde regenwater van een vat (2000 liter) in de kippenren brengt. Op een uur tijd is dat vat leeggelopen, en staat de hele serre onder water.

IMG_0096
De vochtige veldjes: het water is net weggezakt.

Na een uur of twee is de grond dan bewerkbaar. Met de woelriek maak ik de grond los.

Links de losgemaakte grond, met woelriek
Links de losgemaakte grond, met woelriek

Volgende – zeer eenvoudige – bewerking: even harken. Vanaf nu werk ik uiteraard enkel nog vanaf de dammetjes en het hoofdpad: het zou zonde zijn om die losgemaakte grond weer aan te stampen.

Netjes geharkt
Netjes geharkt

Tot slot: zaaien! Rucola, sla, kervel, dille, tuinkers, radijs, … kunnen – zeker als jong plantje – behoorlijk wat kou hebben. Ze zullen de rulle, vruchtbare grond dankbaar doorwortelen, en in het voorjaar hebben we dan veel vers lekkers.

De rucola is gezaaid
De rucola is gezaaid

 

Elfenbankje pakt griep aan!

Als je een remedie zoekt tegen de griep, dan biedt de natuur een prima middeltje aan: Elfenbankje!

Deze paddenstoel (Coriolus versicolor; een andere naam is Trametes versicolor) is vrij makkelijk te herkennen (zie verder), en werkt echt.

Ik citeer mycologe Ann Van Belle van Mycobois.be, van wie ik dit allemaal vernomen heb, en die me het recept gaf:

Het elfenbankje is één van de wereldwijd meest bestudeerde medicinale zwammen met als voornaamste eigenschappen zijn lever-regenererend en zijn virusremmend vermogen.

Toen een of ander griepvirus ons onlangs bezocht, en we dus de eerste symptomen vertoonden, ging ik meteen zwammetjes plukken in de tuin.

Een berkenstammetje met elfenbankje.

Met een drietal zwammetjes zetten we dan een liter thee, waar we dan de hele dag regelmatig van dronken. Elfenbankjesthee smaakt ongeveer naar niks, dus dat viel mee. Het koortsige, slappe gevoel beterde, de volgende dag voelden we ons al beter en herhaalden we onze kuur. De dag daarop waren we al fit genoeg om uit werken te gaan. Om Ann Van Belle nog eens te citeren:

Bij virale infecties halveert elfenbankje de duur van de ziekte én de ernst van de symptomen.

Je kunt elfenbankje ook gebruiken tegen andere virussen, zoals bijvoorbeeld een verkoudheid. De kunst bestaat erin dat je bij de eerste symptomen al meteen ingrijpt, en een of twee dagen thee drinkt. Het zwammetje verhoogt je weerstand, en die pakt dan de virussen aan.

Hoe kom je nu aan elfenbankjes? In de natuur plukken, dat kan volgens mij wel: je hebt er niet veel van nodig, en het is een veel voorkomend zwammetje. Herkennen doe je zo:

  • Een leerachtig, klein, plat zwammetje, met een mooie afwisseling van lichte en donkere zones.
  • Elfenbankjes groeien meestal dakpansgewijs en bij voorkeur op loofhout.
  • Aan de onderkant zitten geen plaatjes, maar buisjes.

Zelf kweken is ook makkelijk:

  • Stop een vers stammetje van berk, appel, pruim, of ander loofhout voor 1/3 in de grond, op een wat beschaduwde plaats, en wacht een jaar of zo.
  • Coriolus versicolor komt er dan vanzelf wel op: het is het onkruid onder de paddenstoelen; je hoeft het niet te enten.

Ik zal hier maar een disclaimer plaatsen, zeker? Pluk en drink op eigen risico, dus, en google nog wat rond, want elfenbankjes zijn indrukwekkend op medisch gebied.

Deel je bevindingen vooral!

Tomaten en vruchtwisseling?

Steeds op dezelfde plaats?

Tja, in principe zou je wisselteelt moeten kunnen toepassen bij alle teelten, dus ook bij tomatenteelt. Hoe zit dat in de Lusthof?

  • We hebben twee serres, waaronder één tomatenserre. Daarin scheppen we een ander klimaat dan in de komkommer/paprikaserre, elk jaar weer.
  • De juiste plant op de juiste plaats is een ander principe, dat voor ons – en vooral voor onze tomaten – meer doorweegt dan het principe van de wisselteelt.
  • Van principes kun je niet eten, hoor, en onze methode gaan we ook niet propageren als de alleenzaligmakende. Gewoon: dit ervaren wij al vele jaren, en we kunnen mekaar maar inspireren, hé.
mulch in de serre!
mulch in de serre!

Onze tomaten blijven dus ter plaatse trappelen, jaar na jaar. Worden ze daar dan niet ziek van? Bij andere tuiniers, en zeker in de industrie, is kurkwortel het grote probleem:

      • Kurkwortel (Pyrenochaeta lycopersici) is een schimmel, die de wortels van je tomatenplant binnendringt, en die ze kurkachtige bobbels en aders bezorgt. Daardoor gaat de productie zienderogen achteruit.
      • Ik controleer jaarlijks, na de teelt, de wortels van onze planten: ze moeten geelachtig zijn en gaaf – en dat zijn ze ook. Bruine, verdikte, gebarsten wortels wijzen daarentegen op de aanwezigheid van kurkwortel, en die symptomen zie ik zelden.
      • Klassiek/gangbaar/industrieel gebruiken tomatentelers tegen kurkwortel (en ook aaltjes) fungiciden en andere pestiden, waaronder bodemontsmetting – het woord alleen al! -, en het jaarlijks vervangen van het substraat – zeg maar tonnen rotswol die de afvalberg vergroten.
      • Onze methode bestaat erin dat we het bodemleven zo goed stimuleren, dat die kwaaie aaltjes en schimmels & bacteriën genoeg concurrentie krijgen van goeie soorten. En als je weet dat bodemleven opfleurt bij compostgebruik, en wegkwijnt door chemische middelen en door spitten, is mijn conclusie duidelijk.

Voor ik onze methode toelicht, geef ik eerst nog enkele mogelijke methodes die we zelf niet toepassen:

  • Je grond helemaal of deels vervangen, maar dan moet je weten dat tomaten diep wortelen: tot 150 cm diep – dus tot waar moet je dan je grond afgraven?
  • Je kas helemaal verplaatsen is een heel structurele ingreep, die prima lukt bij collega Eduard; kijk maar op http://users.telenet.be/stuyenhof/groentetuin.html.

Onze eigen werkwijze dan. Die hebben we de voorbije 20 jaar ontwikkeld, en gaat als volgt:

  • Onze teeltwijze is die van de Mexicaanse Mesthoop – lees daar eerst even voor je hier verder gaat.
  • Ergens in november, na de eerste goeie vorst, gaan de planten – in stukken van 20 cm – op de composthoop. We moeten altijd stevig trekken, want ze wortelen behoorlijk ver en diep, en dat vind ik al een goed teken. Tegelijk controleer ik ook meteen de kwaliteit van de wortels – zie boven.
  • Dan harken we de onverteerde bovenste laag bijeen en die gaat ook op de composthoop (en die broeit meteen).
  • De daaronder liggende laag (10 à 15 cm) is heel goed gecomposteerd en zo goed als droog. Licht om te scheppen dus; ik krui deze kant en klare compost naar de tuin, op bijna alle percelen – bijvoorbeeld niet op het toekomstige aardappelbed.
  • De zwarte grond die nu in de serre achterblijft, bevloeien we een week lang met veel regenwater. Daarna zaai en plant ik heel wat winterse bladgroentjes – veldslaplantjes komen van uit de tuin naar binnen;
  • Het valt me telkens weer op hoeveel pieren (compostwormen en regenwormen) er meteen weer actief worden na die bevloeiing. Wellicht zijn zij de sleutel tot succes.
  • Spitten en spuiten, daar gaan ze van dood, maar gesteentemeel en véél organisch materiaal, daar zijn ze gek op. Hé, en laat dat nu net zijn wat onze tomaten volop krijgen.
  • In de loop van de zomer zijn ze dieper gaan boren, omdat de bovenste laag uitdroogde, maar die bevloeiing lokt ze weer massaal. We zien in de loop van de winter ontelbare pierenmesthoopjes verschijnen.
  • Wat doen die pieren ondergronds? Alles opruimen, neem ik aan  – en dus ook alle achtergebleven tomatenwortels.

    compostworm aan het werk
    compostworm aan het werk

Ons resultaat: geen problemen met bodemmoeheid, en dat al 20 jaar lang. Wél veel tomaten, tot het vriest, elk jaar weer.