Categorie archief: natuur aan ’t werk

Onkruid vergaat niet

Op mijn knieën wied ik uien en worteltjes, uren schoffel ik tussen de kolen en de prei. Nutteloos gezwoeg? Ecologische zelfkastijding? Kun je met meer verstand minder moeten wieden? Wel, je moet je vijand doorgronden om hem te kunnen verslaan. Ontdek hoe onkruiden denken en doen, en dan snap je beter hoe je ze kunt aanpakken.

De strategie van eenjarigen

Kijk eens naar de bodem in een bos. Die is voor, laten we zeggen, 99% bedekt, met dode bladeren en/of met planten: dat doet de natuur spontaan als je haar laat begaan. Dat ene procentje blote grond, dat is de uitzondering. Heel soms komt de naakte grond piepen: als een boom omvalt, als een everzwijn of ander beest wroet, of bij zeldzamere calamiteiten als een bosbrand.
Die blote grond blijft nooit lang zo. Al na een paar dagen komen kiemplantjes piepen. Hé, waar komen die vandaan? Heeft iemand die gezaaid? Bijlange niet: die zaadjes zitten daar al lang te wachten. Jaren, decennia, eeuwen soms, in het donker van de ondergrond.

zaailingen van paarse dovenetel
Zo kiemt paarse dovenetel

Aan de universiteit van Wageningen deden bodemwetenschappers eens de proef met ’s nachts ploegen. Wat zagen ze? Veel minder onkruid! Want wat triggert de ontkieming van al die onkruidzaadjes? Licht! Ook al is het maar een fractie van een seconde dat ze belicht worden! Zaadjes hebben een receptor voor licht, en weten (bij manier van spreken) dat ze prompt in actie moeten schieten. Als je spit, freest of ploegt – maakt niet uit – belicht je duizenden slapende onkruidzaden, en je wekt ze.
Survival of the fittest, meer is het niet. Heel veel soorten eenjarige onkruiden hebben zich miljoenen jaren geweldig gespecialiseerd in snel reageren op verstoring van de grond. Alles gaat dan snel: kiemen, groeien, bloeien, zaad vormen, afsterven. Allemaal binnen de tijdspanne van een jaar.
En zaad in grote aantallen, dat ook nog. Eén herderstasjesplant produceert vlot 150000 zaadjes, die tot 35 jaar kunnen overleven in de bodem. Zwarte nachtschade: 850000 zaden, en 40 jaar. Ze zijn dus met veel en ze hebben geduld. Ze wachten tot iets of iemand de grond verstoort, en het maakt voor hen niet uit of die komt van een muisje of een bulldozer. En toch, vanuit hun standpunt: hoe meer gewroet, hoe liever ze het hebben. Geen wonder dat ze prima gedijen in mensenvelden en –tuinen. Miljoenen jaren hebben die soorten het moeten doen met minimale verstoring van de bodem, maar sinds de eerste grondbewerking door de mens (pakweg tienduizend jaar geleden) is het feestje voor onkruiden oneindig en steeds groter.

Eenjarige onkruiden zijn echte cultuurvolgers. Overal waar de mens graan ging telen, nam hij onbewust ook onkruidzaden mee. Ze verspreiden zich nu nog, met alle vervoer dat we ze aanbieden. Neem nu knopkruid. Dat komt uit Zuid-Amerika, en kwam hier door de legers van Napoleon en/of de Amerikanen: daar zijn verschillende verhalen over. Vast staat dat knopkruid elk jaar vanaf eind april met miljoenen je moestuin kan innemen, en een blijvertje is.

HPIM4291
Nog zo’n invasieve exoot: reuzenbalsemien

Poppies

Die eenjarige ongewenste planten produceren niet enkel massa’s zaden, maar bestaan ook in veel soorten. Vogelmuur, kamille, knopkruid, kleine brandnetel, melganzenvoet, hanenpoot, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek, melkdistel, Canadese fijnstraal, hoenderbeet, akkerkool, bingelkruid, straatgras, zwaluwtong, perzikkruid, klaproos, om er maar enkele te noemen.

 

perzikkruid
Het blad lijkt op dat van een perzikboom, vandaar de naam perzikkruid.

Even een historisch zijsprongetje over dat laatste: poppies, weet je wel. In de Westhoek, waar ik vandaan kom, stonden ze tijdens de Eerste Wereldoorlog zo massaal op de slagvelden, dat de Canadese legerarts John McCrae in 1915 zijn beroemde gedicht In Flanders Fields schreef. Die rode bloemen inspireerden hem nadat een goede vriend omkwam tijdens de tweede Duitse gasaanval. De bloedrode klaproos, Papaver rhoeas, wordt een zinnebeeld voor nutteloos verspilde levens. Klaprooszaden bevatten ongeveer 40% olie: daardoor kunnen ze tientallen jaren begraving overleven. Ze verrezen waar de aarde omgewoeld was, in en om loopgraven, in bomkraters en in de diepe sporen van allerlei legertuig.

Nooit meer oorlog, pardon: spitten

Die legers van sprintklare zaden in je moestuinbodem, die noemen we de zadenbank. En als we één ding geleerd hebben van al het bovenstaande: laat die zadenbank voor wat hij is, namelijk daar ergens onder je groenten. Spitten, frezen en ploegen doe je heel uitzonderlijk. Bijvoorbeeld om een stuk grond te ontginnen, maar daarna toch nooit meer. Of bijna nooit: als je aardappelen rooit, dan kun je bijna niet anders dan graven en wroeten.
Velt- en andere ecotuiniers kennen het alternatief voor spitten al bijna 50 jaar. De woelriek, ook woelvork of grelinette genoemd, is de evidentie zelve om moestuingrond te bewerken. Dit ergonomische gereedschap bestaat in veel versies, van licht tot zwaar, van fabriekskwaliteit tot zelfgemaakt. Meestal 50 cm breed, met tanden van 20 tot 25 cm, twee handvatten op borsthoogte. Mijn favoriete model is tot vandaag de Guérilu: een model dat ontworpen is door een tuinier én een kinesist.
Een slim werktuig dus. Vooral als je het slim gebruikt, is het veel beter voor je rug en voor je grond. Je verstoort de lagen niet, brengt nauwelijks onkruidzaden naar boven. En het gaat veel sneller dan spitten. Ooit gaf ik er een demonstratieles mee: op een uur tijd maakte ik honderd vierkante meter mee, terwijl ik nog uitleg gaf ook. Ook (matige) ruglijders en absolute moestuindummies leren er vlot de grond mee bewerken.
Maar, zegt de nog spittende lezer: hoe raak ik dan van mijn onkruid af in het voorjaar? Simpel en slim: bedek je bodem de hele winter met stro en/of mest of nog ander organisch materiaal. In het voorjaar gooi je die bedekking op de composthoop, en je hebt meteen zuivere grond. Even losmaken en harken: klaar voor alle teelten. Er zal altijd nog wel wat onkruid komen piepen – maar aanzienlijk minder.

melkdistel
Uitsmijter: melkdistel is bij de Maori’s gewoon een groente.
Advertenties

Compost maken: M A N G O !

Composteren is (g)een kunst. Ik verwerk jaarlijks enkele kubieke meters organisch afval tot compost. Op de (bijna) klassieke manier, maar even goed met andere technieken. Lees en verteer mee.

De warme versie

Je verneemt het in brochures, op websites en uit de mond van gedreven kringloopkrachten: je composteert pas goed als je een broeiende hoop maakt, volgens de regels van de kunst. Dat warme compostproces vind ik ook het summum – straks meer over de minstens even waardige alternatieven.

Ik heb enkele decennia ervaring met dat echte composteren en ik heb er een beetje mijn eigen versie van gemaakt. Bijvoorbeeld met een vijfletterwoord dat je makkelijk kan onthouden. We gaan zo meteen Mengen, Afdekken, Natmaken, een Grote hoop maken, en Omzetten. Heb je het?

Meng bruin en groen materiaal.

Bruin (koolstofrijk en luchtig) materiaal is stro, zaagsel en de meeste houtsnippers, dorre bladeren en takjes. Groen (stikstofrijk en vochtig) materiaal is: mest, vers tuin- en keukenafval. grasmaaisel. Het groene materiaal levert vooral voedingsstoffen, en het bruine materiaal levert vooral structuur.

Ik gooi alles met een riek door mekaar, dus geen pure lagen groen of bruin materiaal. Veel materialen horen tussen bruin en groen in omdat ze van alles wat bevatten: stalmest, vers gesnipperde bladrijke takken (als de buur zijn haag geschoren heeft), vochtig hooi, … Die materialen zijn ideaal voor mijn hoop, maar ik meng ze voor de zekerheid ook met andere soorten afval. Precieze verhoudingen ga ik hier niet aangeven: in de praktijk moet je gewoon zorgen dat je een hele verscheidenheid aan materialen hebt, en ze goed mengt.

Te grof en te lang materiaal, zoals takken, knip ik in stukjes van 10 cm. Wie graag hakselt: leef je uit. Dat kleinmaken helpt straks de bacteriën en schimmels. Een beetje zoals je zelf je eten eerst fijnkauwt, zodat je maag en darmen hun werk kunnen doen. Hoe beter je mengt, hoe beter de start van je composteerproces.

Afdekken

De klassieke bak, met gaas of open wanden, en zonder bedekking bovenop, droogt veel te hard uit en koelt veel te snel af om de bacteriën en schimmels goed te laten werken. Ik geef mijn composthoop daarom wanden en een dak om het vocht en de warmte binnen te houden. Met jute zakken, grote stukken karton, wat plastic zeil,… knutsel ik een warme jas om de composthoop heen. Of een voering, eigenlijk: dat karton etc stop ik meestal aan de binnenkant van de bakwand.

Krijgt de hoop dan nog lucht? is de vraag die ik dan krijg. Volgens mijn meer dan twintig jaar ervaring zit er voorlopig genoeg lucht tussen het bruine materiaal, en is warmte veel belangrijker dan zuurstof voor al die compostwezentjes. Afdekken maakt echt een groot verschil.

Natmaken

Het gemengde groen-bruine materiaal moet ook genoeg water bevatten voor de schimmels en bacteriën. Grasmaaisel, dat is van zichzelf al 90 % of meer water, dus een waardevol ingrediënt voor elke hoop. Meestal voeg ik ook water toe aan de hoop die ik opzet. Een ontspannen plasje is ook een kleine, waardevolle bijdrage. Om te weten of de hoop vochtig genoeg is, neem ik een handvol van het mengsel in mijn hand en ik knijp die dicht. Als er enkele druppels uit lopen, is het vochtig genoeg; anders voeg ik nog water toe.

Een Grote hoop werkt beter dan een kleine.

Dat is logisch ook: de warmte- en vochtverliezen zijn immers beperkter. Een kop koffie koelt sneller af dan een grote ketel soep en een hoop van een kubieke meter composteert beter dan een paar emmers afval. Daarom spaar ik materiaal op, om op een mooie dag alles massaal bij mekaar te mengen. Zo gooi ik kleine hoeveelheden gft-afval voorlopig op een wachthoop. Voor ons is dat gewoon de kippenren. Ik spaar intussen ook een voorraad bruin materiaal op, op een andere plek. Wanneer ik een grote hoeveelheid vers materiaal heb of krijg, kom ik in actie. Een maai- of snoeibeurt, een vracht paardenmest: die zetten mij aan het werk, en dan zet ik een echte hoop op. Ik meng wachthoop- en bruin materiaal met vers materiaal. Ik stapel alles tot een hoop van minstens een vierkante meter oppervlakte, en minstens een meter hoog. Meestal zet ik ongeveer 2 kuub tegelijk op. Het is een leuk fysiek werkje.

Omzetten!

Na die vier stappen gaat de hoop heerlijk broeien. Ik heb zo’n compostthermometer, die aangeeft dat de temperatuur binnenin na enkele dagen oploopt tot 60 graden. Hoger hoeft voor mij niet. Ongelofelijk wat een warmte al dat afval kan genereren, en dat meestal 14 dagen lang. Ik heb al een paar keer de hoop extra geïsoleerd, met balen stro als deel van de wand dus, en dan bleek die hoge temperatuur drie weken aan te houden.

Na die broeifase – concreet: na drie of vier weken, zet ik de hele hoop om. Alles even door elkaar scheppen met de riek, waarbij ik dat wat eerst aan de buitenkant zat, nu binnen in de hoop breng. Ik sta bij dit klusje altijd verbaasd van de hoeveelheid warmte die nog vrijkomt. Jas uit!

Tijdens het omzetten zie ik ook hoe drooggestookt het midden van de hoop is, en hoe onverteerd de randen nog zijn. Ik doe ook even die knijptest van daarnet en giet wat extra water op de omgezette hoop. Na dat omzetten gaat de hoop weer broeien, iets minder lang en warm als tijdens de eerste fase. En dat is prima, op zich. Mijn trucje: als ik tijdens het omzetten extra vers grasmaaisel onder de hoop meng, geeft die nieuwe brandstof een echte boost aan de hoop, met weer wekenlange hitte.

Tot zover de MANGO-doctrine en het harde werk. Pak een pint, laat die omgezette hoop een half jaar liggen en het zwarte goud ligt voor het scheppen.

Voor wie die hete hoop helemaal wil benutten: hier een heel artikel over de jaarlijkse broeihoop in de serre.

Niet composteren

Warm composteren luistert nogal nauw, zoals je ziet. Als je niet genoeg materiaal hebt, komt er nooit een echte broei in je composthoop of –bak. En dat is het geval voor de meeste tuiniers. Dan wordt die compostbak een afvalbak waar onkruid in groeit. Zijn er dan alternatieven om al je organisch afval te verwerken? Ik noem er enkele die heel simpel zijn.

Ik beschreef al eerder hoe onze langgerekte kippenren onze hele gft-fractie aankan. De kippetjes scharrelen op de laag, de pieren eronder, en één keer per jaar schep ik een behoorlijk verteerd laagje uit de ren, in de kruiwagen en vandaar in de tuin. Is dat dan echte compost? Zo ongeveer wel. In ieder geval voedzaam genoeg voor onze groenten en bessen.

Mulchen is die tweede manier. Ik strooi regelmatig dunne laagjes kleingemaakt snoeisel en grasmaaisel als mulch tussen groenten en struiken, … – ook in de serre! – om onkruid te onderdrukken én om bij te mesten. Dunne laagjes, hé: net genoeg zodat je de bodem eronder niet meer kunt zien, niet dikker. En telkens weer, na elke maaibeurt, zo’n flinterdun laagje bijstrooien. Denk aan poedersuiker op je pannenkoek. En natuurlijk: gooi nooit zomaar maaisel tussen brandnetels: deze groeien er alleen maar harder door.

Een derde, wijze verwerkingstruc voor de knutselaars. Schroef vier pallets tegen mekaar tot een soort compostbak, geef ze een voering van karton (zonder plakband of nietjes), en vul die bak met alles wat je veel vindt in je tuin. Niks snipperen, niks mengen, gewoon de bak volpleuren. Daar dan 10 cm aarde bovenop, begin mei twee pompoenplantjes planten, en klaar. De pompoenranken zullen de hele constructie mooi inpalmen en een half jaar later oogst je alle vruchten. Intussen ben je een tweede bak aan het vullen, verteert en zakt het spul in de eerste bak drastisch. Zo kun je heel veel, lang en makkelijk al je tuinafval kwijt, en het brengt nog wat op ook.

Kalk?

Laat je niks wijsmaken door oude tuinrotten en verkopers van kalk. Hun mythe luidt: je moet kalk toevoegen aan je composthoop. Niet dus, en om verschillende redenen. De gemiddelde moestuin is al te kalkrijk, da’s één. Te veel kalk (een te hoge pH is even slecht voor je moestuin als te weinig. Twee: compost is niet zuur. In iedere honderd kilo compost zit er vanzelf al een paar kilo kalk. Drie: grasmaaisel is ook niet zuur. Denk even na: melk bevat calcium, en de koe haalt die calcium uit… gras.

En vier: als je dan toch kalk in je composthoop zou mengen, reageert die met de aanwezige stikstof. Die vervliegt dan, onder de vorm van ammoniak. En dan kan de winkelier je weer stikstofmeststoffen verkopen, snap je.

Je personeel

Wie composteert er eigenlijk? Bacteriën, schimmels, … en andere nuttige minibeestjes zorgen voor de eerste afbraak, die gepaard kan gaan met hoge temperaturen: die eerste broei vernietigt alle onkruidzaden in je hoop, en dat is goed! Daarna komen pieren, mieren, pissebedden en vele andere nuttige diertjes: na 9 weken tot (normaal gezien) 1 jaar (afhankelijk van ingrediënten, seizoen en standplaats) hebben ze al je afval verwerkt tot compost. Voor wie vies is van al dat gewriemel: wees al blij dat die afbraakbeestjes er allemaal zijn. Anders was de wereld bedekt met een meterdikke laag organisch afval. En ook: in ons lijf zitten evenzeer goede bacteriën en andere nuttige organismen. We kunnen niet zonder ons inwendig personeel. In oude cursussen van biologische landbouw wordt het composteringsproces niet voor niks vergeleken met de spijsvertering.

Het product

Veel blijft er niet over van de hoop, of van de mulchlaag of welke methode je ook hanteert. Wanneer al die beestjes hun taak en hun buik vervuld hebben, blijft er hoogstens een derde van het oorspronkelijke volume over. En hoe weet je dat dat spul klaar is? Gebruik je ogen en je neus: rijpe compost is mooi bruin en ruikt naar En test je compost met tuinkers. Een heel eenvoudig testje, dat je ook met gekochte compost kunt (en moet) toepassen. Doe een handvol compost in een bakje en zaai er wat tuinkerszaadjes in. Je kunt ze tellen, maar dat hoeft niet. Dek ze af met een paar millimeter compost. Geef wat water (met een fijn sproeiertje) en kamerwarmte: na enkele dagen kiemen de zaadjes allemaal. Tenminste: op rijpe compost. Onrijpe compost bevat nog kiemremmende stoffen. Zie je dat niet alles kiemt, of zelfs helemaal niks? Wacht dan een paar maanden, en herhaal de tuinkerstest. Compost heeft immers tijd nodig om rijp te worden.

En wat doe ik met die zelfgemaakte compost, die zijn gewicht in goud waard is? Ik strooi die gewoon op de bedjes. Eventueel na het jaarlijkse ritueel met de woelvork.

 

De eeuwige pluktuin

Energetische instant-tuinefficiëntie bereik je met doorlevende eetbare planten: je plant, je plukt – meer moet dat niet zijn. Jaarlijks hernieuwen die planten zich immers vanzelf. Echte permaculteurs lopen zeer hoog op met doorlevend eetbaars: zero input, constante output – wat wil een mens nog meer? Een deel van onze Lusthof is dan ook voorbehouden aan een waaier aan vaste planten met smaak. De gemiddelde lezer – lapje grond, te drukke agenda om serieus te tuinieren – denkt nu allicht: Zo’n luilekkerhof wil ik ook!

Je hoort vaak van voedselbossen – kijk eens op www.voedselbos.be . Over bomen zal ik het hier nauwelijks hebben, want ik mik even op kleinere tuinen. Ik ga dan ook veel doorlevend lekkers uit lagere regionen opsommen: bessen, kruiden en groenten, snap je. Het onderscheid tussen die twee laatste vind ik academisch en dus overbodig.

Welkom dus in onze eeuwige pluktuin – een term van tuinmaat Hugo D’Hooghe uit Brasschaat. Verwacht niet meteen dat je hieruit je volledige dagelijkse kost kunt halen, maar veel(eer) extraatjes qua smaak en voedingswaarde. Bonus: de meeste hier volgende soorten zijn nog sierlijk ook.

Op 10 cm, in januari. Plukklaar zoekplaatje met moeslook, penningkruid, monarda, aangevuld met tweejarigen landkers, selder, zwartmoeskervel en roodlof.

Probleem één, voor veel bezoekers/lezers: je weet niet waar eerst kijken, en je kent de meeste planten niet. De baksteenburger kent immers meer merken van bier, sportgoden, automodellen, … dan eetbare planten. Hoe dat komt laat ik aan je gezond verstand over, maar het heeft iets te maken met onderwijs en opvoeding, media en reclame.

Het plukplezier begint al op vorstvrije winterdagen. Ik negeer in bovenstaand plukzoekplaatje even tweejarigen zoals landkers, roodlof en selder  en ook madeliefje en paardenbloem (sorry, die komen wel eens in een ander artikel aan bod). Ik stel hier even de volgende vaste planten voor in januaritoestand:

  1. Bergamotplant (Monarda didyma) geeft een heerlijk, bloemig tijmaroma aan slaatjes, thee en andere gerechten. De bloemen zijn roze, rood of paars, naargelang de cultivar, zijn erg in trek bij insecten en in de keuken. Rode monardabloemetjes geven hier elke zomer kruidige pit aan pastasalades. Dit is een flinke kruiper, hoor. Daarmee geef ik al aan dat een aantal doorlevende eetplanten ook zouden kunnen gaan woekeren – àls je ze niet opeet, tenminste.
  2. Allium zebdanense. Ik verzamel wel wat wilde alliums: hun smaak varieert van knof- tot bieslook, met soms een preitoets. Dit sierlookje bloeit in april, sierlijk wit; andere soorten geven een leuke spreiding in tijd en kleur. Jawel, alles aan deze lookjes is eetbaar: bloemetjes, bladeren, eventuele bolletjes… Komende herfst vind je wel plantgoed van alliums (sieruien) in tuincentra en –catalogi: gewoon wat proberen, een keertje proeven.
  3. Penningkruid (Lysimachia nummulata): kruipt vlot de tuin rond; de blaadjes hebben een prettig smaakje, het hele jaar door; eet ook de gele bloemen ’s zomers.
  4. Zwartmoeskervel (Smyrnium Olusatrum). Eigenlijk twee- tot driejarig, maar ik smokkel ‘m hiertussen. Indrukwekkende weerstand tegen alles behalve langdurige droogte; pittige selderachtige smaak. Wordt 100 cm hoog en is een heel oude eetplant.

Op 20 cm hoogte. Aan de voet van pruim Opal groeien citroenkruid, bieslook en monarda

Mei aan de voet van een pruimenboom – die dorre stengels dienen als bescherming tegen krabbende katten. Dit is een makkelijker zoekplaatje, hé, met maar enkele planten.

Wat ik vooral wil tonen: als je al plaats hebt voor een boom, geef ‘m dan wat pittige kruiden aan de voet. Die zouden de boom op één of andere manier helpen, lees ik in oude en nieuwe boeken. Ik volg mijn groene vinger en plant het volgende:

  1. Bergamotplant, Je ziet: dit is één van mijn favoriete thee-ingrediënten.
  2. Bieslook (Allium schoenoprasum). De gewoonste doorlevende uiensmaker. Makkelijk te kweken; scheur om de paar jaar, eet de bloemetjes natuurlijk ook, …
  3. Citroenkruid (Artemisia abrotanum). Kruidige citrusgeur en –smaak, met mate te gebruiken in thee – da’s mijn disclaimer. Op elke hoogte en op elk moment te snoeien; stop takjes van dit kruid in de grond en ze groeien: zo kun je zelfs een heel geurhaagje aanleggen.

De resterende foto’s dateren van eind juni: net voor veel doorlevenden in bloei schieten.

Op 30 cm hoogte. Berglook gaat goed samen met wilde rucola.

  1. Wilde rucola (Diplotaxis tenuifolia) smaakt steviger dan de eenjarige. Vol omega 3 en andere supergezonde stofjes, lees ik – de meeste doorlevende groenten zijn niet of nauwelijks veredeld, en zitten bijgevolg nog vol robuuste pit voor tuin en lijf. Voortdurend plukken en snoeien houdt wilde rucola productief en lekker. Haal simpelweg een paar wilde rucolaplantjes in je supermarkt of tuincentrum – ze hebben meestal zo’n heel diep ingesneden blad. Laat ze één keer bloeien (zwavelgeel, mooi!) en zaad vormen: zo ben je voor de rest van je dagen voorzien van wilde rucola
  2. Berglook (Allium carinatum). Van september tot maart knip ik blaadjes, bieslookgewijs; in april/mei oogst ik verfijnde potlooddikke preitjes (meteen ook de smaak verklapt); in juni/juli eten we de bloemhoofdjes (anders strooit berglook te kwistig met broedbolletjes); in augustus graaf ik de zilveruitjesachtige bolletjes op. Zo heb ik ze ook gevonden op vakantie in Frankrijk, eind vorige eeuw, en sindsdien niet meer weg te krijgen uit onze tuin. Al maar goed ook, want deze wilde allium zou ik niet meer willen missen.

Op 50 cm hoogte. Maggiboom en wilde venkel, daarachter brave hendrik.

  1. De Chinese maggiboom (Toona sinensis ofwel Cedrella sinensis) vind je als siergewas bij tuincentra, of ook bij vreeken.nl. Een traaggroeiend boompje, naar mijn ervaring, maar wàt een smaak: één blaadje geeft je soep en andere hartige gerechten een heerlijk bouillonaroma.
  2. Wilde venkel (Foeniculum vulgare) is de oerouder van de eenjarig gekweekte knolvenkel. Die intussen klassieke groente vraagt de nodige zorg om zo’n dikbilstengel te vormen, en die oogst je dan één keer. De wilde variant levert van het vroege voorjaar tot augustus vingerdikke stengels, als je tenminste blijft oogsten, want anders schiet hij prachtig door. De zaadjes kun je natuurlijk ook oogsten voor thee, en de holle stengels dienen na de winter voor de bouw van insectenhotels. Het zaad van deze doorlevende venkel plukte ik twintig jaar geleden aan een vier meter hoge plant in een naburige berm. Twee dagen later was deze plant met de klepelmaaier tot moes gemept. Wat geluk en wat aandacht helpen nogal eens om zaadjes te vinden van lekkere planten.
  3. Brave hendrik (Chenopodium bonus-henricus) is een stevige verwant van spinazie en melde: het blad is wat taaier en smaakt sterker. Alweer vanaf maart te oogsten, het hele seizoen door, als je maar blijft snijden. Typisch voor veel van die doorlevende rakkers is met hun lange penwortel goed verankerd zitten: ze hebben weinig last van klimaatkuren, vinden voldoende voeding in de diepere lagen, en komen elk voorjaar onverstoorbaar weer boven. Ik kreeg zo’n brave hendrik op een ruilbeurs vele jaren geleden. Heel soms laat ik ‘m in zaad komen, want met de zaadjes kan ik weer andere tuiniers plezieren. De kiemkracht van veel zulke wilde eetbaren is overigens vaak vluchtig: hoe verser het zaad, hoe sneller je zaait, hoe beter. Gewoon meteen na de oogst – typisch tijdens de nazomer – op de gewenste plaats uitstrooien werkt het beste.

Ziezo, dit waren al elf vaste klanten in de voortdurende eettuin: een volgende keer meer van dat. Hun cyclus kan niet eenvoudiger zijn: groeien, terug in de grond kruipen – meestal tijdens de winter, maar er zijn er ook met zomerrust. Doorlevend luilekker tuinieren is zo zen. Als je oogsten werk vindt, dan heb je veel werk aan deze doorlevende smaakmakers. Ze hebben een oerverleden en een mooie toekomst!

Het moeilijkste aan de meeste van die doorlevende eetbare planten is vaak de zoektocht naar plant- of zaaigoed. Kijk dan bijvoorbeeld eens bij Den Oude Kastanje: zij hebben al een pittig assortiment. Ook in onze tuin kun je van november tot maart is er altijd plantgoed: kom op bezoek, en met een schepje vul ik een hele doos voor je.

Slow composting

Kippenrencompost

Makkelijker dan zo’n echte composthoop opzetten: we gooien gewoon al ons organisch afval in onze langgerekte kippenren, en die doen daar hun ding mee. Misschien beoefen je die luie methode ook al lang – maar lees verder en kijk hoe wij daar een heel systeem van maken, met onderweg en uiteindelijk een aantal fijne resultaten.

Biodiversiteit, ook bij het composteren

Onze ingrediënten zijn zo divers mogelijk: zo krijgen we de goeie mix van bijvoorbeeld groene en bruine materialen, maar zelfs daarin gaan we lekker breed. Ik som wat op:

  • Grasmaaisel – ook van de buren (en die gebruiken geen herbiciden of zo op hun gazon)
  • Keukenafval: als daar nog wat lekkers tussen zit, halen onze kippen plus haan dat er wel uit. Qua theezakjes weren we die driehoekige, synthetische dingen, want die verteren niet. Noten- en eierschalen, én fijngemaakte mosselschelpen: die gaan er zeker in, in weerwil van bepaalde reglementen en angsten.
  • Tuinafval – en dat is geen afval, dat weet je. Dus: alle groenteloof, inclusief aardappel- en tomatenloof (je moet of kunt de schimmelsporen immers toch niet vernietigen; je moet gewoon resistente aardappelrassen planten, en je tomatenblad zo droog mogelijk houden). Ook zoveel mogelijk snoeihout: zo dik als de snoeischaar  aankan, en gewoon in stukjes van 10 tot 15 centimeter lang. We hakselen niet, nee.
  • Kippenmest, gekregen houtsnippers en snoeisel van coniferen: hup, allemaal de ren in!

Met dat alles krijg je wel een goed evenwicht – en een moddervrije ren.

composteren-in-de-kippenren-6
Takjes van zwarte framboos, appeltwijgjes, en zoveel meer: onderweg naar de serre.

Schep & scharrel

Ik start in mei met een hoopje aan het kippenhok, en dat wandelt -nee: kruipt! – dan noordwaarts, naar de serres toe. Vijftien meter, heel op het gemak, maanden lang. Dat kruipen gaat zo: met de riek gooi ik, om de week of wanneer ik zin heb, de hoop een heel klein beetje verderop, richting serres. En dat maanden lang. Soms ontstaat er even een hoopje – en dat kan wel ’s broeien: dan zitten de kippen zich erop te warmen – maar even later scharrelen ze die hoop alweer uit mekaar, op zoek naar compostwormen, pissebedden en zoveel meer. Af en toe strooi ik een handvol gesteentemeel of bentoniet bovenop de hele laag: de pieren zijn er gek op.

Onderweg

Het hele proces gaat er dus traag aan toe: alles mag rustig half of heel verteren. Onze bessenstruiken, aan de castanea afsluiting, zitten ondergronds mee te genieten van zoveel eten dat voorbij schuift.

In het voorjaar schep ik de hele bovenste kippenrenlaag (20 cm dik) de tomatenserre in. Daar blijft dat spul een heel jaar verteren én eten geven aan de tomaten. Op het eind van het jaar komt het afgewerkte product (nu een laag van 10 cm dik) dan kruiwagengewijs naar de moestuin.

img_0021
Zo komt de compost dan uit de tomatenserre: heel af en toe nog een herkenbaar takje, hé.

Hoe lang is die compost dan onderweg geweest? Neem een frambozentakje dat ik in augustus 2016 in de kippenren verknip: omstreeks december 2017 komen z’n bijna helemaal verteerde restanten terecht in de moestuin.

Ach, het is tegenwoordig bon ton om te zeggen dat humus niet bestaat. Het is gewoon allemaal energie die onderweg is van de ene levende plant naar de andere, en in onze tuin gebeurt dat maximaal en bijzonder traag. De reis is belangrijker dan de bestemming, weet je wel.

Werk?

Ik krui en schep heel geregeld wat: fitness op m’n dooie gemak. Ik kan het je aanraden.

 

Alles behalve egels

Weer een zomer zonder egels. Deze beestjes waren er wél:

Deze platte wielwebspin vangt graag nachtvlinders, waaronder schadelijke Turkse mot.
De platte wielwebspin vangt graag nachtvlinders in de serre, waaronder de Turkse mot.
kameleonspin vangt hommel (2)
De kameleonspin ligt op de loer in onze Bulgaarse roos, en verschalkt zo zelfs hommels.
bessenglasvlinder of Synanthedon tipuliformis.
Deze bessenglasvlinders leven als larve binnenin de takken van onze aalbessenstruiken.
veelkleurig Aziatisch lhb of Harmonia axyridis forma succinea
Dit veelkleurige Aziatische lieveheersbeestje komt net uit z’n verpakking: van pop naar volwassene.
tijgerspin
Nog één spin om het af te leren: de tijgerspin komt uit Zuid-Europa en is een spectaculaire rover.

Maar geen egel deze zomer. Onze tuin biedt veel bessen op snuithoogte, af en toe een slak, massa’s wormen en nog veel ander grut. En: het voer voor kater Nelson staat dag en nacht klaar. Qua gedekte tafel zit dat dus goed; wij bieden ook veel schuilplekjes om achter en onder te schuilen.

Toch is het pakweg drie jaar geleden dat ik nog een egel of, op zijn minst, zijn keutels zag in onze tuin. O, zo’n vettig blinkend donker langwerpig keuteltje, dat kon me zo dan telkens zo blij maken! Vroeger waren egels weliswaar geen vaste klant bij ons, maar dan toch minstens dwaalgasten. Zijn we dan als tuinier niet goed bezig? Sommige tuingoeroes gaan ervan uit dat je, als je maar een natuurlijk evenwicht bereikt, alle goeie beestjes – egels inclusief – je tuin wel gaan vinden. Een mooi streven is dat, toch?

Of heeft de omgeving er meer mee te maken? Kijk even, met mij, rond in onze buurt – pakweg in een straal van driehonderd meter. Buren met bespoten gazon en dito klinkers van voor tot achter. Buren met onbespoten gazon en nogal wat bloeiende planten, strak in ’t gelid. Een maisveld en een wei met paarden. Een braakliggende, erg verruigde tuin. Veel schuttingen en zo. Een drukke steenweg, en een straat voor de deur waar minstens honderd auto’s per dag door rijden. (Jaren lang zagen we, vooral tijdens de zomer, wel eens een/onze platgereden egel in onze straat.)
Of is het dat losgeslagen klimaat? Te warme winter, te koud en nat voorjaar, hittegolven en extreme stortbuien: trop is te veel, ook voor egeltjes.

Tuinieren is en blijft boeiend, blijft zoeken. Nog meer biodiversiteit, nog betere bodemzorg, dynamische evenwichten en netwerken: daar zorgen we met plezier voor. Er valt elke dag wel wat te ontdekken en er is meer dan genoeg eten voor ons. Egeltjes laten zich echter niet dwingen, en zijn niet goed in polsstokspringen.

 

 

 

Bedek je grond!

Blote grond is dode grond

Op alle werven, op de meeste akkers en in veel moestuinen zie ik blote grond. Die ligt daar, letterlijk blootgesteld aan de elementen. Bij felle regen spoelt de modder naar het laagst gelegen punt: de beek, je kelder, de straten, … De gemeente (dus de burger) betaalt het gelag voor het kortzichtig gedrag van de wroetende mens, in casu de boer. Bij droog en winderig weer waait de goeie grond weg. En voelen: als ik tijdens een droog voorjaar aan de verkeerde kant van zo’n kale maisakker sta, krijg ik dat opwaaiende zand-plus-drijfmestmengsel in mijn gezicht. Deze vormen van wind- en watererosie doen pijn aan mijn ogen– en dat zeg ik ook als boerenzoon. En ook: bij extremer weer (met een klimaat dat op hol slaat) hoort extremere erosie.

O ja: de klei- en leemtuiniers onder jullie zeggen (of krijgen te horen) dat je die zware grond voor de winter moet ploegen/spitten. Helemaal volgens de wetten van de fysica vriezen de kluiten dan stuk. Toch zijn er andere manieren om zware grond beter – en volgens de wetten van de biologie – bewerkbaar te krijgen. Daarover zo meteen meer.

Waar zit het bodemleven vooral?

De meeste bodembeestjes zitten aan de oppervlakte, met miljarden: daar, in het grensgebied van aarde en lucht, hebben ze volop warmte, zuurstof, voeding en vocht. Miljarden schimmels en bacteriën en ongewervelde diertjes floreren juist daar, en dus niet tien of dertig centimeter onder het oppervlak. Dat heb je zelf al geobserveerd: een houten paal zal altijd rotten tussen hemel en aarde, zoals mijn vader dat zegt.

Wanneer we deze grenslaag wat dikker en interessanter maken voor het bodemleven, dan bevorderen we de hele bodemvruchtbaarheid meteen.

Waarmee bedekken: met levende planten

Methode 1: niks doen.

De bodem van je tuin bedekt houden, da’s eigenlijk het makkelijkste wat er is, ook voor wie geen groene vingers en twee linkerhanden heeft. Vanzelf komen er eenjarige planten – meestal onkruiden genoemd – die de grond bedekken. Ze houden de bodem (en alle leven en voeding erin) vast en laten al gauw geen plekje bloot. Die eenjarigen (dus klaproos, knopkruid, muur) sterven wel af en verrijken daarmee de grond weer: een goeie voedingsbodem voor de volgende fase: de doorlevende onkruiden. Die ruimen dan stilaan het veld voor bramen, de eerste berkjes en wilgen, en ga zo enkele decennia door tot je een echt bos hebt, eik en beuk inbegrepen. Heel dit scenario, van pioniersplanten tot bos, heet successie.

Methode 2: met gewenste planten

Bovenstaande methode is wellicht niet erg gewenst door de gemiddelde tuinier. De meesten onder ons willen zelf de plantensoorten bepalen die onze bodem bedekken, en dan heb je gelukkig veel keuze. Heel veel vaste planten en struikjes en/of het onvermijdelijke gazon zorgen al voor on-blote grond in de siertuin.

Eind maart en de hele tuin is bedekt, terwijl klassieke tuiniers nog bloot zitten (1)
Eind maart: onze pluktuin staat vol eetbaar groen, terwijl blotegrondtuiniers nog staan te spitten…

Slimme moestuiniers wenden groenbemesters aan, of een heel scala aan bodembedekkende groenten. Winterspinazie, winterpostelein en veldsla tijdens de winter bijvoorbeeld. Of een lentebedje met raapsteel (en/of rucola, tuinkers, mosterd,…) gevolgd door allerlei kool later op het seizoen. Of andijvie die je zaait meteen na de oogst van de vroege aardappeltjes. Continu eetbaar bedekken is veelvoudig efficiënt, zoals je wel zult begrijpen.

Waarmee bedekken: met verse dode planten

Aha, dit is het eigenlijke mulchen. Je bedekt de ruimte tussen twee planten of twee rijen, een heel bed of zelfs een volledige tuin met dode plantenmaterialen. Die zijn er legio, en vaak met een gebruiksaanwijzing.

Grasmaaisel, om te beginnen. Sinds de komst van de gazonmaaier is dit notoir afval voor veel klassieke tuiniers, en een mooie grondstof voor ecologische mensen. De meeste kenners raden aan om dunne laagjes te strooien – zo dun, dat je de grond net niet meer ziet – anders gaat dat grasmaaisel rotten en stinken. Daar kan ik inkomen, voor zover het heel groen (en dus stikstofrijk) maaisel is, zoals je dat vaak hebt in het voorjaar én in flink bemeste gazons. Als je daarentegen maaisel krijgt waar veel dor materiaal (hooiachtig, dus met meer koolstof) in zit, kun je rustig wat dikker strooien zonder dat het begint te rotten.

Alle andere groene planten kun je in principe ook maaien en als mulch tussen je gewassen leggen. Brandnetel en smeerwortel zijn daarvoor zeer aangewezen. Maar meer en meer boeren passen deze techniek toe met luzerne, een doorlevende vlinderbloemige die jaren lang groen blad produceert.

Maaimeststof

Dat luzernemaaisel gebruiken die boeren als maaimeststof op andere percelen. Maaimeststof is een term die we gewoon zouden kunnen gebruiken voor alle groene planten die we afsnijden en elders aanbrengen om te bemesten.

Hoeveel stikstof, fosfor en kalium je daarmee precies aanbrengt in je moestuin hangt van veel factoren af, maar in principe (en in de praktijk!) zou je uitsluitend met maaimeststof je moestuin kunnen mulchen én zo voldoende bemesten.

Voor wie nog brandnetelgier gebruikt: met brandnetel- of ander maaisel mulchen is beter, hoor. Gier stinkt, is een snel opneembare meststof die gemakkelijk verbranding en stikstofoverdaad geeft. Brandnetelmaaisel daarentegen is geurloos en geeft zijn voeding trager af, via het bodemleven. (Wie bladluisjes wil bestrijden, kan uiteraard nog steeds brandnetelaftreksel maken. Dat is thee, die hoogstens 48 u getrokken heeft en onder meer mierenzuur en histamine bevat – allebei stoffen die bladluizen en rupsen irriteren of doden. Na rotting zijn deze stoffen ontbonden tot ammoniak, fosfaten, … die deze insectenverdrijvende werking niet meer hebben.)

Tussen de planten? Over de planten heen!

Ik ben een luie – dus efficiënte! – tuinier. Als ik gras- of ander maaisel heb, strooi ik dat niet zozeer netjes op de grond tussen de gewassen. Nee: over de planten zelf van grove gewassen, zoals aardappelen, bonen, mais, pompoen, kool, selderij, … verspreid ik een dun laagje grasmaaisel. Dat ligt dan half op het gewas zelf, maar door de wind en de regen dwarrelen al die sprieten in de volgende dagen naar beneden, waar vanzelf een mooi mulchlaagje maken.

Bij sla, veldsla, raapsteeltjes en ook prei bestrooi ik het gewas uiteraard niet met maaisel, maar blijf ik tussen de rijen. Als je in de keuken al eens sla hebt ontdaan van grassprieten, begrijp je wat ik bedoel.

Waarmee: met dorre planten(-delen)

Je kunt uiteraard ook mulchen met stro, hooi en dorre bladeren. Die materialen zijn veel rijker aan koolstof, ze zijn droger, en je kunt er dus dikkere lagen mee leggen. Sommige tuiniers gaan tot 30 cm dik hiermee – met een bescheiden 10 cm zit je al even goed, vinden wij. Dit soort materiaal hoef je niet zo vaak aan te vullen: het vergaat veel trager.

Hooi bevat nog wat stikstof en fosfor, stro nauwelijks. Hooi zal dus nog heel wat voedingsstoffen kunnen aanbrengen. Ruth Stout (USA, 1884-1980) schreef zelfs een boek (bij ons vertaald als Tuinieren zonder spitten) over haar hooitechniek: ze dekte elk vrij plekje af met hooi.

Met een dikke laag natuurreservaathooi is het leuk en handig afdekken.
Met een dikke laag natuurreservaathooi is het handig afdekken.

Verder bevat hooi nog heel wat ongewenste kruidzaden. Voor Ruth Stout was dat geen probleem: Als er onkruid kiemt, leg er dan meer hooi op! Zelf heb ik ook al veel onkruidzaden ingevoerd door hooi te gebruiken, maar dat nadeel weegt voor mij niet op tegen de vele voordelen.

Met name hooi van natuurreservaten gebruik ik al veel jaren: mét zaden, ja, maar wellicht ook met veel goede mineralen. Het is vaak een kwestie van er (logistiek) aan te geraken, maar in principe zijn natuurbeheerders blij met dit afzetkanaal: zij willen hun natuurgebied verarmen, jij wil je moestuin verrijken, dus dan zijn beiden tevreden.

Herfstbladeren zijn ook leuk materiaal om mee af te dekken, de hele winter lang. Ze willen wel eens gaan waaien, dus dek ze af met kippengaas of stro – of je versnippert ze even, zodat ze ook makkelijker blijven liggen.

Waarmee: nog andere materialen

Heb je je heg gesnoeid? Heb je in het voorjaar alle dorre planten verwijderd uit je border? Ook die materialen kun je gewoon gebruiken tussen je groenten.

En hoe zit dat met houtsnippers? Als ze heel vers, fijn en groen zijn (van je heg, bijvoorbeeld), kun je ze met goed gevolg tussen je gewassen spreiden. Dorre, dikke, houtige snippers daarentegen bevatten veel koolstof onder de vorm van lignine: dat breekt traag af, en het bodemleven rooft daarvoor het eerste jaar nogal wat stikstof uit je bodem: eerder een soort mulch voor tussen je bessen is dat dan. Die struiken staan van nature aan de bosrand, en gedijen dus extra als je ze mulcht met snippers.

Ook je paden kun je met gehakseld hout bedekken: daar zullen ze een hele tijd kiemende onkruiden tegengaan, en dat is ook je bedoeling. Wanneer, gemiddeld na een jaar, die snippers half verteerd zijn, kun je ze prima gebruiken in je composthoop of –vat. Of je kunt je paden ook jaarlijks gewoon aanvullen met nieuwe snippers.

Hoe lang houthaksel erover doet om te verteren, hangt voor een groot deel af van de houtsoort en de dikte van de snippers. Wilg en Amerikaanse vogelkers bijvoorbeeld vergaan heel vlot; soorten met looizuur (berk, walnoot, eik) of hars (den, spar en andere coniferen) verteren langzamer.

Let op?

Zijn er mulchmaterialen die ik weiger? Niet veel: met beschimmeld (aardappel-)loof als bedekking heb ik al meer dan twintig jaar gewoon goede resultaten. De sporen van die schimmels zitten op dit moment op je neus, op mijn toetsenbord, … overal en onvermijdelijk dus, en in een ecologische tuin hoort het juist te wemelen van allerlei micro-organismen die mekaar in evenwicht houden. En dan nog: teel bijvoorbeeld resistente aardappelrassen, kweek vroege pompoenrassen, overdrijf niet met stikstof en water geven, en dan hou je de meeste schimmels al binnen de perken.

Giftige planten, kun je die gebruiken om te mulchen (of te composteren), vragen bezorgde tuiniers me soms. Tja, vingerhoedskruid en taxus bijvoorbeeld zijn enkel giftig voor ons, enkele andere grote dieren, maar helemaal niet voor schimmels, bacteriën, pieren, …

Met herbiciden behandeld stro en gazon, die kunnen pas problemen geven. Spuitende gazoneigenaars en stroboeren dulden geen tweezaadlobbige (on-)kruiden, en hun herbiciden kunnen dan via het stro of het maaisel in jouw bodem komen en daar groeiremming geven – of erger – aan je groenten.

Oppervlaktecompostering

Alle dode plantaardige materialen die we hierboven genoemd hebben, gaan verteren tot compost of tot materiaal dat op compost lijkt. Dit proces kan heel langzaam tot heel snel gaan, afhankelijk van deze factoren:

  • Het soort materiaal: hoe hoger de stikstof/koolstofverhouding, en hoe fijner het materiaal, hoe sneller het verteert;
  • Contact met de grond;
  • Bodemleven: op een dode maisakker verteert alles veel trager; een moestuin vol wormen verteert vlot;
  • Vocht: als het materiaal, het weer en/of de ondergrond voldoende vocht bevatten, kan het bodemleven meteen aan de slag;
  • Warmte: tijdens de winter ligt het verteringstempo lager; vorst legt de meeste processen tijdelijk stil.

Dat verteringsproces lijkt voor een groot deel op de omzettingsprocessen in een composthoop, maar een goede composthoop ontwikkelt warmte, tussen 50 en 70 °C, terwijl vlakke compostering of oppervlaktecompostering koud blijft. Bijgevolg worden onkruidzaden en ziektekiemen niet gedood in je mulchlaag, en daar kun je best rekening mee houden.

Anderzijds is mulchen voor de meeste aanhangers veel natuurlijker en arbeidsarmer dan een composthoop opzetten. Pioniers als Masanobu Fukuoka en Ruth Stout werkten zelfs (bijna) uitsluitend met oppervlaktecompostering.

Mulchen met mest en/of compost

Mest en compost kun je ook grotendeels beschouwen als dood plantaardig materiaal. Strorijke mest of halfrijpe compost zijn ideaal als winterbedekking voor je moestuin; wat tegen dan niet verteerd is, hark je weg en gooi je op je composthoop. Nog even harken, en je tuintje is weer klaar.

In het geval van mest heeft het dier de planten fijngemaakt, er voedingstoffen aan onttrokken, en heel veel darmbacteriën aan toegevoegd. Zo is het een kant-en-klare hap voor het bodemleven. Ook halfrijpe of rijpe compost die je op je bodem aanbrengt, biedt je bodemleven meteen veel voeding.

Een deel van die voedingsstoffen – vooral nitraten, fosfaten en kalium – kunnen wel doorsijpelen naar diepere lagen en naar het grondwater: jammer voor de waterkwaliteit, en voor je groenten – zij wortelen te ondiep om nog van die voeding te kunnen profiteren.

In een dode maisakker zullen die NPK-voedingsstoffen gauw uitlogen, zoals dat officieel heet. Wat doe je tegen die verliezen? Humus en bodemdiertjes zijn een levende spons, die heel goed alle voeding kunnen vasthouden.

Bescherm je bodem tegen de elementen

De massa van een 5 mm regendruppel is 5x5x5 = 125 maal die van een 1 mm druppel en de terminale snelheid verdubbelt, waardoor de destructieve energie 5x5x5x5 = 625 keer groter wordt. Een regendruppel die op een blad of een strohalm valt, spat uiteen in vele kleine druppeltjes. Stel: bovengenoemde 5 mm druppel valt uiteen in 1 mm druppels, dan verkleint het destructieve effect 625 keer. Een dikke laag mulch of een gesloten plantendek voorkomt dus wel degelijk het dichthameren van de grond door herhaalde hevige regen- en hagelbuien. Hier vind je de hele berekening…

IMG_0069.JPG
Uit het maisveld bovenaan onze straat spoelt, bij elke felle regenbui, de onbedekte aarde weg.

Al je bodemleven zit niet voor niks ondergronds: ultraviolette straling, met name UV-B, is schadelijk tot dodelijk voor heel veel soorten, zoals wormen en schimmels. Met de bedekking breng je dus een UV-filter aan op je bodem.

Blote grond droogt veel makkelijker uit dan bedekte grond. Beginnende en inzichtloze tuiniers herken ik gewoon aan hun waterverbruik; slimme, efficiënte tuiniers herken je aan hun bedekte grond – en zij hoeven nauwelijks nog te gieten.

Dehydratatie is niet goed voor je huid, maar evenmin voor je tuin. Vooral op hete dagen, maar evengoed wanneer het hard vriest, droogt je grond uit. Dat is heel stresserend voor je planten en voor je bodemleven. Overigens waait droge grond op den duur ook weg: zo verdwijnen jaarlijks miljoenen tonnen vruchtbare bodem.

Kleigrond moet gespit worden voor de winter, zodat de kluiten kapotvriezen,” hoor je in klassieke middens. Veel efficiënter is het afdekken met mest en/of halfrijpe compost, de hele winter lang: de vele pieren en andere bodemdiertjes zullen de kluiten wel fijnmaken, onder de bescherming van een isolerende, voedzame laag. Je grond ligt niet te rusten tijdens de vorst, maar kapot te gaan! Hittegolven, overstromingen en andere extreme omstandigheden zijn evenmin bevorderlijk: het leven ondergronds gedijt immers het best onder beschutting en met hapklaar voedsel bij de hand.

Wordt je grond dan niet zuur?

Nog zo’n fabel: al dat grasmaaisel zou je grond verzuren, en dus moet je kalk strooien. Vooral in tuinwinkels hoor je dit, en ze verkopen er veel kalk mee, maar eigenlijk is dat overbodig en vaak zelfs nadelig voor je bodem. Kalk maakt immers een deel van de minerale stikstof (in je mulchlaag) vrij onder de vorm van ammoniak – en die vervliegt dan, weg uit je tuin. Verder is de pH (de hoeveelheid kalk, zeg maar) in minstens de helft van de Vlaamse moestuinen te hoog. Die te hoge pH zorgt dan weer dat je planten bepaalde voedingsstoffen niet kunnen opnemen…

Voorkom onkruid

Tussen een flinke groenbemester, in een bed vol sla, op een gemulcht bed gaat eenjarig onkruid nauwelijks kiemen. Het zaad van die pionierplanten heeft immers licht nodig, en alle manieren van afdekken hullen de onderliggende bodem juist in het donker. Als er al eens een onkruidzaailing de kop opsteekt, kun je die vlot uittrekken, en op de mulchlaag deponeren: zo gaat dat onkruidje niet zozeer het probleem zijn, maar een deel van de oplossing.

Doorlevende onkruiden daarentegen laten zich niet afschrikken door bedekking met levende of dode planten. Je kunt ze beter helemaal uitgraven of ze eenmalig en stevig afdekken (en van het licht beroven) met karton – met daarop meer organisch materiaal.

Even onbedekt!

In ons klimaat kun je best de winterbedekking wegnemen begin maart. Onbedekte bodem neemt immers overdag meer warmte op (goed voor je vroegste teelten) en straalt ’s nachts meer warmte uit (en zo beperk je nachtvorstschade). Hark die mulchresten dus bij mekaar en gooi ze op de composthoop. Je hebt dan ook meteen schone, vruchtbare grond waarin je je radijsjes en erwten kun zaaien.

Na de ijsheiligen kun je weer stilaan met gras- en ander maaisel beginnen te bedekken.

Woelmuizen, slakken?

Een mulchlaag kan slakken én woelmuizen herbergen, en een continue groene bodembedekking herbergt soms slakken. Hier valt nog veel onderzoek te verrichten, al verwacht ik niet meteen kant-en-klare oplossingen. De situatie in de ene tuin is die in de andere niet: bijvoorbeeld predatoren, grondwaterstand, nabijheid van bos, … kunnen een groot verschil maken.

Over twee commerciële mulchproducten kan ik dit al kwijt: hennepstrooisel zou slakken afschrikken, en ricinusschroot (nu verboden wegens giftig voor honden) weert woelmuizen. En zijn er slakkenwerende groenbemesters? Goudsbloem wordt alvast niet gelust door slakken, en tagetes juist heel erg. Uitproberen dus, en vooral goed observeren wat er zich beweegt in en op die bovenste bodemlaag.

Kortom:

Ooit erfde ik een stukje loeizware grond. De vorige – eerder klassieke – tuiniers hadden er een paar jaIMG_2460ar spadestelen op gebroken, zo kleiig was het daar.

Na een paar jaar bedekken met compost en mulch – en door niet meer te spitten! – werd de bovenste laag al lekker kruimig. Nu, 20 jaar later, is dat tuintje tot 30 cm diep door en door mals en vruchtbaar. In dat tuintje komen we gemiddeld om de veertien dagen, want het ligt niet bij de deur. Het bedekken kost nauwelijks tijd en moeite, in vergelijking met blotegrondtechnieken, en het levert veel meer op.

Ecologie, ergonomie en efficiëntie gaan voor bodembedekkende tuiniers dus prima samen. Dan hoef je enkel nog regelmatig die buitenste huid van je bodem te observeren en bij te sturen waar nodig: wat toevoegen, wat wegnemen.

Winterwerk in de serre

Ligt onze serre droog en leeg de hele winter? Nee, natuurlijk niet: we gaan voor veel vocht en verse groentjes, want da’ s beter voor de serregrond én we hebben extra productie.

Dit jaar kwam de tomatenserre pas vrij eind december; gewoonlijk bepaalt een eerste strenge vorst in november al wanneer het uit is met de tomatenteelt. Hoe dan ook: op dat moment is de grond vrij – en kurkdroog.

Tijd dus om water te geven! Het staat in alle boeken, en ook alle ervaren tuiniers weten dat je de grond tijdens de winter moet doorspoelen, om opstapeling van zouten in de bovenste bodemlaag te vermijden. Sneeuw in je serre scheppen – zo’n oude methode – is achterhaald, hoor: je brengt daarmee véél te weinig water binnen, én intussen is je grond werkloos en koud.

Wat is dan onze methode anno nu? Wel: de bodem krijgt minstens 150 liter per vierkante meter, en dat over de hele winter gespreid. Ik maak daartoe rijstveldjes: bedjes van ongeveer 120 cm breed, met dammetjes ertussen. Gewoon met de hark gemaakt, hoor: door 22 jaar compostaanvoer is de grond lekker kruimelig.

'Rijstveldjes' bevloeien.
‘Rijstveldjes’ bevloeien.

Vervolgens laat ik elk veldje vollopen met opgespaard regenwater, en dan zakt het water na een kwartier wel weg. Uiteraard doe ik dat niet met emmertjes, maar gewoon door de kraan open te zetten: ondergronds komt er een hele leiding in de serre aan, die ons het opgespaarde regenwater van een vat (2000 liter) in de kippenren brengt. Op een uur tijd is dat vat leeggelopen, en staat de hele serre onder water.

IMG_0096
De vochtige veldjes: het water is net weggezakt.

Na een uur of twee is de grond dan bewerkbaar. Met de woelriek maak ik de grond los.

Links de losgemaakte grond, met woelriek
Links de losgemaakte grond, met woelriek

Volgende – zeer eenvoudige – bewerking: even harken. Vanaf nu werk ik uiteraard enkel nog vanaf de dammetjes en het hoofdpad: het zou zonde zijn om die losgemaakte grond weer aan te stampen.

Netjes geharkt
Netjes geharkt

Tot slot: zaaien! Rucola, sla, kervel, dille, tuinkers, radijs, … kunnen – zeker als jong plantje – behoorlijk wat kou hebben. Ze zullen de rulle, vruchtbare grond dankbaar doorwortelen, en in het voorjaar hebben we dan veel vers lekkers.

De rucola is gezaaid
De rucola is gezaaid