Categorie archief: ongewenst?

Onkruid vergaat niet (deel 3)

Vandaag drie belangrijke trucs om ongewenste planten onder de knoet te houden.

Onkruidwerende teelten.

Als je een braakliggend stuk grond hebt, zegt de ouwe buurman steevast: Daar moet ge het eerste jaar patatten op zetten. En dat werkt, ja, mits slim toegepast. Neem om te beginnen een laat ras, dat maakt extra veel loof. Weet je nog: onkruidzaden kiemen als ze licht zien? Wel, dat loof bedekt de grond maanden lang, en zo krijgen eenjarige onkruiden weinig kans. Nog beter: plant resoluut het aardappelras Sarpo Mira. Dat maakt ontzettend veel loof en ferme aardappelen, en is vooral helemaal bestand tegen de aardappelziekte.

sarpo mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog volop in blad
Sarpo Mira oogst je pas in het najaar, en staat dan nog fris in blad

Pompoenen werken op dezelfde manier: hun weelderige ranken zorgen van juni tot oktober ook voor een totale bodemverduistering. Niet meer naar omkijken tot de oogst dus.
Het enige dat je met aardappel en pompoen moet doen, is na het planten een paar keer schoffelen tussen de rijen, tot het gewas alles dichtgroeit. Rastip, alweer: neem Hokkaido’s of gelijkaardige kleinvruchtige, en vooral lekkere rassen.

Een derde teelt met dezelfde onkruidonderdrukkende kwaliteiten is phacelia: da’s een Californische groenbemester. Geen eetbare plant voor ons, maar de zachtpaarse bloemen zijn perfect bijenvoer. Zaai tussen april en half augustus, in rijtjes met telkens 25 cm tussen. Dit plantje kiemt razendsnel, je schoffelt twee keer tussen de rijen en daarna is je tuin één zee van fijn ingesneden blad. Een paar weken later: volop bijengezoem!

Deze drie superonkruidwerende planten zijn eenjarig. Na de eerste herfstvorst mag het loof als een dekentje blijven liggen: die mulch verteert de hele winter, en houdt je bodem nog steeds onkruidvrij. Het volgende voorjaar hark je de resten bij mekaar: goed materiaal voor je composthoop. Je grond is dan zo goed als onkruidvrij.

Zaai duidelijke rijtjes.

Je kunt op veel manieren zaaien: in rechte rijen, in kunstige bochten, of breedwerpig overal een beetje. Vrijheid blijheid, hoor. Ik strooi graag wat in het rond, kijk maar.cropped-pluktuin-290311-4.jpgMaar hoe weet een beginnende tuinier dan welke kiemplantjes de goeie en de slechte zijn? Om het nog erger te maken: wortel, peterselie, pastinaak en veel andere gewone groenten kiemen tergend traag – en onkruidzaden vreselijk snel. Rijen helpen dan, want tot nader order groeien onkruiden niet vanzelf in rechte rijtjes.

Met een plantkoord en een schoffeltje kun je heel ouderwets een mooie rechte rij maken. Of: je legt de steel van je hark (of zo) op de rulle grond, drukt even aan, en – presto! – je hebt een kaarsrecht geultje. Van mij mag je ook rondere, organische rijtjes trekken in je grond, het is maar waar je je goed bij voelt.

Markeer die rij in ieder geval. Met een labeltje, stokje – en hou ook in een schriftje of Excel bij wat waar wanneer de grond in ging: ikzelf vertrouw niet meer blindelings op mijn geheugen.
Ik ga nog een stapje verder met dat markeren van de rijen: in elke rij, om de tien tot twintig centimeter, stop ik een stokje. Gewoon een stukje aardpeerstengel van vorig jaar, of een gesnoeid twijgje van om het even welke boom of struik – behalve wilg, want die wortelt meteen: niet de bedoeling! Ons wortelbed ziet er dan na het zaaien uit als vier rijen vol stokjes. Ik kan dan, een week na het zaaien, al een keer rustig schoffelen tussen die rijen: het eerste onkruid kiemt immers snel, en worteltjes traag.
Wat ook helpt: zaai, in dat wortelgeultje, om de tien of twintig centimeter één radijszaadje. Dat kiemt snel en maakt de rij zo zichtbaarder.

Schoffel slim.

Hier in het Hageland zeggen grijze-tuiniers-met-grijze-tuinschort: de grond krabben (met een krabber). Elders spreken tuiniers van hakken, of schoffelen. Vooral dat laatste woord hou ik aan, en ik bedoel daarmee: heel oppervlakkig de onkruidplantjes en de bodem wegschrapen. Het snijvlak van de schoffel glijdt en snijdt door de (wortel van de) ongewenste planten heen, net op of onder het oppervlak. Dieper, heviger hakken haalt alleen maar nieuwe, kiemgrage onkruidzaden boven: niet doen, dus.

Schoffels en hakken bestaan in alle maten en kwaliteiten. Ik ben gek op mijn twee puntschoffels, waarmee je duwt in plaats van trekt. Ik heb ze van www.sneeboer.nl, ze hebben een ergonomisch superlange steel plus handvat.

werken met de duwschoffel, dat gaat nogal vooruit (1)Hierboven die met een roestvrij stalen blad van 20 cm breed voor het grove werk, en dan gebruik ik ook een fijner blad van 10 cm breed. Naar mijn ervaring werkt zo’n duwschoffel ongeveer vijf keer sneller dan een gewone trekschoffel.

Al even handig, maar dan als handschoffeltje, is mijn razor hoe van Burgon and Ball. Scheermesschoffel, letterlijk. Een Japanse kruising tussen sikkeltje en handhakje, superlicht en –scherp. Ik heb dat nieuwe speelgoed nog maar enkele maanden en ik kan het niet meer missen. En ik hou het dunne stalen blad op snee met een wetsteentje.

razor hoe (5)
Goed gereedschap is het halve werk, goed gebruik het andere, en timing is alles. Droog weer is dodelijk voor weggeschoffelde planten: ik schoffel dus bij voorkeur in de ochtend van een aangekondigde zonnige en/of winderige dag. Op tijd en regelmatig ook, wanneer de ongewenste plantjes nog klein zijn. Een jeugdherinnering hierbij: buurman Henri, gepensioneerd en ADHD-er, stond elke morgen al het minste onkruidje op te wachten met zijn schoffel. Realistischer is een tot twee keer per week schoffelen, hoor.

schoffelen, voor en tijdens en na (1).JPG
En mag dat onkruid dan blijven liggen? Schiet dat niet meteen weer op? Wees gerust, wees slim en bespaar je de moeite van het oprapen: als je ze in jonge toestand, én bij droogte, wegschoffelt, overleven die ongewenste kiemplantjes je schoffelbeurt niet. Ik laat ze liggen, als een soort van mulch.

Onkruid vergaat niet (deel 2)

Wat ik me al heel lang afvraag: Waarom vreten slakken wel sla, maar geen onkruid? En waarom groeit onkruid sneller dan mijn groenten? Voor het antwoord nemen we eerst de teletijdmachine.

HPIM4281
Biggenkruid is verwant met paardenbloem, en dus vaak ook ongewenst. Lekker in een slaatje.

Jagers-verzamelaars

Kom mee, naar een Syrische vallei, elfduizend jaar geleden. Jij en ik gaan vandaag op zoek naar wilde peenwortels voor het avondmaal. Mandje in de ene hand, graafstok in de andere. Hé, wat zie je er knap uit, met enkel je konijnenbontbroekje aan!

Waar de rivier vorig jaar vruchtbaar slib afzette, daar groeit een hele strook wilde peen. We gaan er regelmatig een maaltje wortels graven: die zijn dun, wit en vezelig. Een heel klein beetje zoet ook – daar is het ons om te doen – en vooral heel aromatisch. Mijn moeder kookt ze vooral samen met wilde granen.

We graven met onze stokken, ik vertel een mop. Maar dan neemt het gesprek een historische wending (Ik vertaal simultaan uit het oer-Syrisch)

  • Hé, gast, deze peen is dubbel zo dik als de andere! (noot van de vertaler: dus 1.6 cm plaats van 0.8 cm)
  • Kom, we graven hem helemaal uit. Moeder zal content zijn!
  • Of wacht, we laten hem zitten.
  • Hoe bedoel je: laten zitten?
  • Ja, dan maakt ie volgend jaar zaad en dan komen daar allemaal dikkere penen van.
  • Als jij dat denkt, goed. Maar ik had ‘m liever meteen opgegeten.
    Zet er een stokje naast, dan herkennen we ‘m volgend jaar.

Fast forward naar twee jaar later, dus 10998 jaar geleden, zelfde plaats:

  • Wat had ik je gezegd?
  • Geniaal, man. Zeg, als die dikkere penen weer zaad maken, dan kom ik er eens plukken.
  • En dan?
  • Dan strooi ik dat zaad ook op andere stukken grond.
  • Syrieus, gast? Als dat lukt, kunnen we alle dagen penen eten.

Slow veredelen

Dat waren de eerste veredelaars, zo ongeveer ging het eraan toe. Ook met andere eetbare wilde gewassen: vooral een- en tweejarigen, die de verzamelaar vanzelf al plukte. Heel af en toe zit er in zo’n populatie planten een afwijkertje, want mutaties komen in de beste families voor. En het is een kwestie van goed kijken, dat zal bij alle latere veredelaars blijken.

Archeologen bevestigen het: veredeling ging allemaal heel traag, die eerste duizenden jaren. Dagelijks overleven was de kunst, er was niet veel tijd voor experimenten als hierboven. Zaden en kennis uitwisselen, dat wel. Generaties gaven tradities door, en zaden werden al gauw handig om te ruilen. De bruid kreeg de familiezaden mee om haar nieuwe akker in te zaaien.

De mens selecteerde wilde planten op gewenste eigenschappen, eerst onbewust en dan bewust. De voorouder van tarwe laat zijn zaden gewoon vallen als ze rijp zijn, en op een dag vond iemand een aar waar alle korrels nog aan vast hingen. Veel praktischer om te oogsten, en dat gold ook voor andere wilde granen en peulvruchten.

Welke kenmerken willen we nog, behalve oogstgemak? Zoet (we zijn er verzot op) en productief: dat zijn de twee belangrijkste eigenschappen waarop wij wilde planten selecteerden. En zo werden we van jagers-verzamelaars stilaan boeren.

küttiger wortelen (4)
Een Zwitsers wortelras: Küttiger Rüebli. Wit en fors, niet zo zoet als onze bekende worteltjes.

Sla

Neem nu wilde sla: die plant ken je, zonder het te weten. Ze staat op bouwpuin, in bermen, en groeit tot anderhalve meter hoog. Dat grijsgroenbladige onkruid is vreselijk bitter en heeft stekels op de nerven. Jakkes! En dat is ook de bedoeling. Planten zijn geëvolueerd zonder pootjes om weg te lopen van planteneters. In de loop van miljoenen jaren (Darwin alweer) hebben enkel de onvreetbaarste planten zich voortgeplant. Ze verweren zich met chemie (vieze smaak tot zelfs gif) en scherpe onderdelen. Dat werkt over het algemeen prima! (Natuurlijk is er altijd wel één plantenetertje dat mee evolueert. Coloradokevers vinden giftig aardappelloof heerlijk.)

Sla dus. De Oude Egyptenaren selecteerden al een slavariant die veel zaad voortbracht. Dat gold als afrodisiacum, vooral omdat (half-)wilde sla een flink erecte plant vormt, met suggestief melksap in de bladeren. De Grieken en later de Romeinen selecteerden die oersla dan weer op bladproductie: het bittere blad was goed voor de spijsvertering, zeiden ze. Romeinse sla dus, maar om appetijtelijk te worden, moesten ze dat bittere blad bewerken met zout en/of azijn.

Onze kropsla dan, tweeduizend jaar later, is al helemaal weggeselecteerd van die bittere, wilde voorouders. Kijk: toen ik kind was, haalde mijn moeder zorgvuldig de bittere nerven uit de kropsla. Nu doet ze dat niet meer. Ligt dat aan mijn moeder of aan de sla? Het tweede: zelfs in de laatste halve eeuw hebben veredelaars sla nog zoeter/sappiger en vooral minder bitter gemaakt. Overigens: mijn moeder haalde indertijd ook de pikante schil van de radijzen, nu niet meer. Tegenwoordig gaat dat veredelen steeds sneller en doeltreffender. Goed voor de kok en zijn eters!

Valse competitie

Maar ook goed voor de tuinier? Goed voor rups, luis en slak, ja! Als zij een onkruid – naar keuze: taai, bitter of stekelig – naast een gecultiveerd gewas – zoet en sappig – zien staan, dan is hun keuze snel gemaakt. Vorig jaar kweekte ik een rij voederbiet naast onze rode biet: je mag drie keer raden waar de haas zijn tanden in zette. Onze smaakpapillen zijn niet uniek in het dierenrijk: iedereen gaat voor snelle suikers en de gemakkelijke hap.

We hebben dus, door al dat selectiewerk, de plant onder meer haar tanden en klauwen ontnomen. Veel van die bittere wilde stoffen zijn ook gezond voor ons, en we hebben ze weg geselecteerd.
Maar ook een deel van de groeikracht: daarvoor neem ik die wilde sla weer. Stel dat je een rijtje wilde sla zou zaaien naast een rijtje kropsla: welke zou er snelst kiemen? Die wilde, ja. Welke zou er snelst groeien, doorschieten en zaad maken? Weer die wilde sla. Welke sla wortelt het stevigst? Alweer die wilde voorouder: moderne sla is veredeld om met druppelbevloeiing op te groeien.

HPIM3984
Ik selecteer ook sla: op krokant blad, ziekte- en schietresistentie, én goede beworteling.

Geef toe: onze gecultiveerde gewassen zijn verwend, helemaal soft geworden. Toch delen ze in de moestuin dezelfde niche met wilde een- en tweejarige onkruiden. Wild en tam, ze willen allemaal vruchtbare, zonnige, losgemaakte grond. Heb je nu het antwoord op de vragen in de inleiding?

Voorlopig besluit

Na vorig onkruidartikel en dit heb je ongeveer door wat de strategie is van onkruiden en hoe ze zich verhouden tot onze groenten. Ziezo, je kent de vijand dus al een beetje beter. In een volgend artikel bekijken we dan concrete anti-onkruidmaatregelen voor je moestuin.

 

Onkruid vergaat niet (deel 1)

Op mijn knieën wied ik uien en worteltjes, uren schoffel ik tussen de kolen en de prei. Nutteloos gezwoeg? Ecologische zelfkastijding? Kun je met meer verstand minder moeten wieden? Wel, je moet je vijand doorgronden om hem te kunnen verslaan. Ontdek hoe onkruiden denken en doen, en dan snap je beter hoe je ze kunt aanpakken.

De strategie van eenjarigen

Kijk eens naar de bodem in een bos. Die is voor, laten we zeggen, 99% bedekt, met dode bladeren en/of met planten: dat doet de natuur spontaan als je haar laat begaan. Dat ene procentje blote grond, dat is de uitzondering. Heel soms komt de naakte grond piepen: als een boom omvalt, als een everzwijn of ander beest wroet, of bij zeldzamere calamiteiten als een bosbrand.
Die blote grond blijft nooit lang zo. Al na een paar dagen komen kiemplantjes piepen. Hé, waar komen die vandaan? Heeft iemand die gezaaid? Bijlange niet: die zaadjes zitten daar al lang te wachten. Jaren, eeuwen soms, in het donker van de ondergrond.

zaailingen van paarse dovenetel
Zo kiemt paarse dovenetel

Aan de universiteit van Wageningen deden bodemwetenschappers eens de proef met ’s nachts ploegen. Wat zagen ze? Veel minder onkruid! Want wat triggert de ontkieming van al die onkruidzaadjes? Licht! Ook al is het maar een fractie van een seconde dat ze belicht worden! Zaadjes hebben een receptor voor licht, en weten (bij manier van spreken) dat ze prompt in actie moeten schieten. Als je spit, freest of ploegt – maakt niet uit – belicht je duizenden slapende onkruidzaden, en je wekt ze.
Survival of the fittest, meer is het niet. Heel veel soorten eenjarige onkruiden hebben zich miljoenen jaren geweldig gespecialiseerd in snel reageren op verstoring van de grond. Alles gaat dan snel: kiemen, groeien, bloeien, zaad vormen, afsterven. Allemaal binnen de tijdspanne van een jaar.

En zaad in grote aantallen, dat ook nog. Eén herderstasjesplant produceert vlot 150000 zaadjes, die tot 35 jaar kunnen overleven in de bodem. Zwarte nachtschade: 850000 zaden, en 40 jaar. Ze zijn dus met veel en ze hebben geduld. Ze wachten tot iets of iemand de grond verstoort, en het maakt voor hen niet uit of die komt van een muisje of een bulldozer. En toch, vanuit hun standpunt: hoe meer gewroet, hoe liever ze het hebben. Geen wonder dat ze prima gedijen in mensenvelden en –tuinen. Miljoenen jaren hebben die soorten het moeten doen met minimale verstoring van de bodem, maar sinds de eerste grondbewerking door de mens (pakweg tienduizend jaar geleden) is het feestje voor onkruiden oneindig en steeds groter.

Eenjarige onkruiden zijn echte cultuurvolgers. Overal waar de mens graan ging telen, nam hij onbewust ook onkruidzaden mee. Ze verspreiden zich nu nog, met alle vervoer dat we ze aanbieden. Neem nu knopkruid. Dat komt uit Zuid-Amerika, en kwam hier door de legers van Napoleon en/of de Amerikanen: daar zijn verschillende verhalen over. Vast staat dat knopkruid elk jaar vanaf eind april met miljoenen je moestuin kan innemen, en een blijvertje is.

HPIM4291
Nog zo’n invasieve exoot: reuzenbalsemien

Poppies

Die eenjarige ongewenste planten produceren niet enkel massa’s zaden, maar bestaan ook in veel soorten. Vogelmuur, kamille, knopkruid, kleine brandnetel, melganzenvoet, hanenpoot, paarse dovenetel, zachte ooievaarsbek, melkdistel, Canadese fijnstraal, hoenderbeet, akkerkool, bingelkruid, straatgras, zwaluwtong, perzikkruid, klaproos, om er maar enkele te noemen.

 

perzikkruid
Het blad lijkt op dat van een perzikboom, vandaar de naam perzikkruid.

Even een historisch zijsprongetje over dat laatste: poppies, weet je wel. In de Westhoek, waar ik vandaan kom, stonden ze tijdens de Eerste Wereldoorlog zo massaal op de slagvelden, dat de Canadese legerarts John McCrae in 1915 zijn beroemde gedicht In Flanders Fields schreef. Die rode bloemen inspireerden hem nadat een goede vriend omkwam tijdens de tweede Duitse gasaanval. De bloedrode klaproos, Papaver rhoeas, wordt een zinnebeeld voor nutteloos verspilde levens. Klaprooszaden bevatten ongeveer 40% olie: daardoor kunnen ze tientallen jaren begraving overleven. Ze verrezen waar de aarde omgewoeld was, in en om loopgraven, in bomkraters en in de sporen van het legertuig.

Nooit meer oorlog, pardon: spitten

Die legers van sprintklare zaden in je moestuinbodem, die noemen we de zadenbank. En als we één ding geleerd hebben van al het bovenstaande: laat die zadenbank voor wat hij is, namelijk daar ergens onder je groenten. Spitten, frezen en ploegen doe je heel uitzonderlijk. Bijvoorbeeld om een stuk grond te ontginnen, maar daarna toch nooit meer. Of bijna nooit: als je aardappelen rooit, dan kun je bijna niet anders dan graven en wroeten.
Velt- en andere ecotuiniers kennen het alternatief voor spitten al bijna 50 jaar. De woelriek, ook woelvork of grelinette genoemd, is de evidentie zelve om moestuingrond te bewerken. Dit ergonomische gereedschap bestaat in veel versies, van licht tot zwaar, van fabriekskwaliteit tot zelfgemaakt. Meestal 50 cm breed, met tanden van 20 tot 25 cm, twee handvatten op borsthoogte. Mijn favoriete model is tot vandaag de Guérilu: een model dat ontworpen is door een tuinier én een kinesist.
Een slim werktuig dus. Vooral als je het slim gebruikt, is het veel beter voor je rug en voor je grond. Je verstoort de lagen niet, brengt nauwelijks onkruidzaden naar boven. En het gaat veel sneller dan spitten. Ooit gaf ik er een demonstratieles mee: op een uur tijd maakte ik honderd vierkante meter mee, terwijl ik nog uitleg gaf ook. Ook (matige) ruglijders en absolute moestuindummies leren er vlot de grond mee bewerken.
Maar, zegt de nog spittende lezer: hoe raak ik dan van mijn onkruid af in het voorjaar? Simpel en slim: bedek je bodem de hele winter met stro en/of mest of nog ander organisch materiaal. In het voorjaar gooi je die bedekking op de composthoop, en je hebt meteen zuivere grond. Even losmaken en harken: klaar voor alle teelten. Er zal altijd nog wel wat onkruid komen piepen – maar aanzienlijk minder.

melkdistel
Uitsmijter: melkdistel is bij de Maori’s gewoon een groente.

De braam en de merels (en de tuinier)

joan squire en triple crown (1)
Deze bramen  – en framboos Joan Squire – springen zo in je mond.

De hoofdrolspelers in dit verhaal.

De braam heet Triple Crown: een Amerikaans doornloos ras van eind vorige eeuw. Heel zoete, grote vruchten, veel beter dus dan die oudere rassen, zoals Black Satin (zùùr!) of Oregon Thornless (met dat mooie ingesneden blad, met kleine, vrij droge vruchten).

De merels: een jong vrouwtje en dito mannetje.

Die tuinier ben ik, hé, al sinds mijn prille puberjaren.

En dan is er nog een speler, maar die zegt niks, en die heeft misschien ook niks gedaan. Je vindt hem aan het einde van dit stuk.

Scène 1: de eerste bramen rijpen.

Aah, elk jaar kijken we weer uit naar Triple Crown. De overvloed van rode, over paarse, tot zwarte frambozen valt na half juli stil, en de meeste andere bessen (rood, roze, wit, zwart, kruis- en josta-) zijn dan ook op hun retour. Voorzichtig pluk ik die eerste rijpe bramen: ze zijn perfect als ze bij een lichte aanraking loslaten. Wie aan bramen zit te trekken, krijgt zure bessen voor z’n moeite. Mmm: die eerste mondvol bramen.

Scène 2: merels op bezoek

De jonge merels zijn blijkbaar tuk op onze bessen. Ze zitten eerst op een bramentak of op de pergola om vruchten aan te pikken, maar worden stilaan handiger. Zo zie ik er eentje, vanuit stilstand op het gazon, naar een braam op 100 cm hoogte springen: tsjakkaa! En dan met de buit wegvliegen.

Scène 3: de verbaasde tuinier.

Hé? Jullie hebben toch massaal lekkers in de buurt? Op amper 3 seconden vogelvlucht ligt een wild tuintje, met ongetemde bramen, veel frambozenstruiken etc. Daar is toch genoeg ongestoord eten te vinden? En als jullie dorst zouden hebben: op ons garagedak heb ik speciaal voor jullie drinkbakjes en plonsbadjes gezet. Gratis! En waarom staan jullie zoveel vroeger op dan wij?

Scène 4: het arsenaal en de onverstoorde merels.

triple crown en vogelschrik (7)
Rood-wit lint, ballon met ogen, etc: meestal werken ze wél!

Ik heb wat linten, ballons en ouwe cd’s liggen, die ik pas bovenhaal als de nood het hoogst is. Een paar jaar geleden telde ik zo de aangepikte aardbeien, en ik installeerde het afschrikarsenaal pas zodra ik er twintig had geteld. Ik wil eerlijk delen, maar mijn gezin moet ook wat te eten hebben, snappen jullie dat? En in principe snappen de vogels het wel, tenminste een tijdje. Dan hang en zet ik die glinsterdingen weer wat anders, en blijven ze weer enkele dagen weg. En nee, geen netten: daar raken vogels alleen maar in verstrengeld.

Enfin: dit jaar werken die afschrikmiddelen nauwelijks. De merels blijven bramen pikken: als de schrikballon vooraan staat, gaan ze achterin – en andersom. Ik bekijk het maar, en beschouw het als een sport, hoor: een wedstrijdje mens versus cultuurvolgend beest. Gelukkig zijn er net ook veel appeltjes aan onze July Red, en mogen we pruimen plukken bij vrienden.

Scène 5: weg

En dan opeens, na drie weken, blijven de merels allebei weg, zonder afscheidsbrief. Wij plukken bramen.

Epiloog

De tuinier zoekt vooral naar verklaringen en remedies; de heel ecologische tuinier en/of permacultuurmens gaat daar nog veel dieper en holistischer in. Zo van: je ecosysteem is nog niet op punt. Of: snoei met afnemende maan. Als jij dit leest, zul je ook de drang voelen om jouw ervaring en jouw goeie raad te delen, en dat mag uiteraard. Maar, heel concreet observeer ik alvast dat bovenstaand scenario elk jaar weer anders is: het ene merelseizoen is het andere niet. In mijn vader z’n moestuin happen de mussen aan alle groene sla, en bij Fernand – 300 meter verderop – pikken ze de groene én de rode sla. Daar is geen snappen aan.

De natuur heeft de mens, op de keper beschouwd, niet nodig, en doet haar zin. De weldoorvoede mens van tegenwoordig heeft die bramen strikt genomen ook niet nodig, en gaat gewoon winkelen, wanneer hij te veel heeft moeten delen met vogels, wateroverlast, bladluis of schimmel. Zo ging het duizenden jaren lang niet, hoor: meteen ingrijpen, dat was telkens de boodschap;  anders hadden onze voorouders geen eten. De kinderen moesten bijvoorbeeld de oogst bewaken tegen vogels en andere dieven: ken je je geschiedenis wel?

Ik heb onze kater ook aangesproken over die merels, maar hij zwijgt wijselijk. Gewoon observeren zonder te oordelen, dat kan hij als de beste: hij is de mindfulste tuinier die ik ken. Z’n bakje kattenvoer staat dan ook altijd klaar…

Het succes van successie

Ik herinner me precies wanneer (1988) en waar (da’s minder belangrijk in dit kader) ik voor het eerst over successie las. Met dit inzicht ben ik anders gaan tuinieren – en ik wens je hetzelfde.

Biologieles: van bloot naar bos

Een blote bodem blijft niet lang onbegroeid, dat weet je zo. Als de gemiddelde tuinier niet ingrijpt, verandert de plantengroei voortdurend: mijn lapje grond verwildert, denkt hij/zij dan.

In onze streken is het eindstadium (ook wel climaxvegetatie genoemd) het loofbos.

Het hele proces  van opeenvolgende fasen van plantengroei wordt successie genoemd – dat betekent dus gewoon ‘opvolging’.

Vooraf al dit: in alle stadia is de bodem van nature steeds bedekt, met planten en/of met een strooisellaag.

Van nature volgen deze stadia mekaar op: pioniersvegetatie, graslandvegetatie, ruigtekruidenvegetatie en uiteindelijk struweel- en bosvegetatie.

De tijd tussen pioniersvegetatie en ruigtevegetatie is kort, maximum. 5 jaar. Van ruigte naar struweel duurt pakweg 2 tot 5 jaar, en de evolutie van struweel naar stabiel bos kan wel een eeuw duren.

De ene bodem is daarbij de andere niet. In een climaxbos op droge zandgrond bijvoorbeeld groeien eik, wilde kamperfoelie en eikvaren, terwijl je in een vochtiger bos op leembodem ook es, wilde hyacint, daslook en kleine maagdenpalm vindt.

We overlopen hieronder de diverse stadia, hun typische plantengroei en de groenvormen – zeg maar: soorten gecultiveerde natuur – die ervan afgeleid zijn.

Pioniersvegetatie

Pioniersvegetatie is de begroeiing bij uitstek op verstoorde bodem. Blote grond is heel uitzonderlijk in de natuur: bosbrand of erosie, of ook wel gravende dieren maken al eens wat bodem ‘vrij’, maar dat is dan ook heel tijdelijk. Verstoring van de bodem komt ook voor waar een boom is omgewaaid.

Ons spitten, frezen, bulldozeren, … zorgt voor massaal veel verstoorde bodem: wat in de natuur de uitzondering is, daar hebben wij de regel van gemaakt. Braakliggende terreinen vràgen gewoon om pioniersplanten.

Die pioniers zijn overwegend eenjarige planten, die gespecialiseerd zijn in snelle verspreiding. Ze kiemen, groeien en produceren dus zaad in eenzelfde groeiseizoen. Ze vormen veel, licht zaad dat zich vlot verspreidt. Zo bedekken ze heel snel een je blote tuingrond – tot ongenoegen van de bezitter; daarom heten ze dan ook onkruiden. Melganzevoet, perzikkruid, knopkruid, korenbloem, vogelmuur, klaproos en kamille, om er maar een handvol te noemen.

In ‘14-‘18 verstoorden tanks en loopgraven de West-Vlaamse klei, zodat de poppies welig tierden: net zoals bij vele andere eenjarige soorten kan het zaad van klaproos heel lang – tientallen jaren als het moet – wachten tot iets of iemand de grond verstoort. Je begrijpt dus al waarom het slimmer is om niet meer te spitten…

Perzikkruid: eigenlijk een sierlijk eenjarig onkruid.
Perzikkruid: eigenlijk een sierlijk eenjarig onkruid.

Tuiniers kennen eigenlijk heel goed eenjarigen, en kweken ze maar al te graag – of toch een aantal ervan, met zaadjes uit een glossy catalogus. We zaaien die dan in de volgende groenvormen: een bloemenakker, uiteraard, maar ook de moestuin zelf. Je weet het of je weet het niet: heel veel van onze groenten zijn geselecteerd uit eenjarige of tweejarige kruiden. En uit de wilde klaproos, korenbloem, goudsbloem, … hebben veredelaars dubbele vormen gekweekt, met afwijkende kleuren. Daar zijn de meeste tuiniers dol op, maar op de spontaan opkomende eenjarige plantjes niet…

Graslandvegetatie

Na een jaar of zo evolueert een pioniersvegetatie vanzelf naar een graslandvegetatie. Grassen zijn meerjarig en kiemen trager en wortelen dieper dan pioniersplanten. De graswortels vormen een grasmat die ondoordringbaar is voor de wortels van pioniers, waardoor die laatste dan het loodje leggen.

In een graslandvegetatie vind je behalve grassen ook graslandplanten. Ze zijn uiteraard eveneens meerjarigen en hun bouw is aangepast aan het leven in een dichte grasmat. Zo hebben ze diepe wortels die onder de mat van graswortels zitten. Je kent ze wel: paardenbloem, het verdoemde jakobskruiskruid (giftig voor paarden), margriet, gewoon duizendblad en langbladige ereprijs zijn een paar voorbeelden van graslandplanten.

Een beproefde truc hebben ze gemeen: hun bladrozet waarmee ze een schaduw werpen op het gras dat rond hun stengel groeit. Zo houden ze het gras op een afstand. Dankzij hun lange bloeistengel kunnen ze goed concurreren met de grassen. Op die manier kunnen ze ook gegraas makkelijk overleven.

Zie je zo al een hooilandje voor je, of varianten ervan? Gazon, bloemenweide, bollengrasland, of gewoon een weide met een paar grazers erin: dat zijn bekende groenvormen.

Ruigtekruidenvegetatie

Als je gras niet wordt gemaaid of afgegraasd, komt het in bloei, gaan de halmen liggen en sterven ze af. Doe dat enkele jaren na mekaar en je krijgt een pak opeengestapeld gras waarvan de onderste laag mooi verteert. Op die voedselrijkdom gedijen dan weer bepaalde nieuwkomers beter, en we noemen ze ruigtekruiden: brandnetels, bramen, leverkruid, harig wilgenroosje, boerenwormkruid, moerasspirea, kattenstaart, ridderzuring, … Het zijn allemaal hoogopschietende kruiden die veel voedsel willen, en sterk ontwikkelde wortels maken. Gaandeweg verdringen ze het gras en de graslandplanten.

De groenvorm die hier het best bij aansluit is het bloemenmassief, met bijvoorbeeld echinacea, aster, solidago, smeerwortel en andere ruige jongens.

Struweel- en bosvegetatie

In die ruigte duiken na een paar jaar zaailingen van struiken en bomen op. Met dank aan wind, water, vogels, …: die voeren gratis zaadjes aan. Er ontstaat een heel struweel met struiken  – denk maar aan meidoorn en vlier –  en de eerste bomen – berk, els en wilg, vooral. Na enkele jaren groeien die bomen al boven het struweel uit. Door een gebrek aan licht verdwijnen veel struiken, grassen en ruigtekruiden. Het struweel verandert stilaan in een bosje – dat zag ik ook in Maria’s Hofke gebeuren, tussen 1993 en 2007 (dus voor ik het perceel ontgon).

Welke groenvorm hoort hierbij? Je heg, haag, struikengordel, of bosje, uiteraard – al dan niet met eetbare planten erin, natuurlijk.

De eerste bomen zijn lichtkiemers: hun zaad wil licht om te kiemen. Door hun dichte bladerdek maken zij de weg vrij voor soorten die een schaduwrijke plek verkiezen. Zo evolueert ons bosje vanzelf naar een gemengd bos van lichtminnende bomen (onder meer grove den, berk en populier) naar een bos met halfschaduwsoorten (tamme kastanje, boskers, eik en es) en uiteindelijk krijg je  een bos met schaduwboomsoorten (beuk, haagbeuk). Tegen die tijd, beste lezer, zijn we al een paar decennia verder.

Probeer het gewoon eens, zou ik zeggen. Het enige wat je moet doen is: niet ingrijpen en geduld oefenen. Niks energieverspilling: alleen maar observeren, met je handen in je zakken, of met je camera in de aanslag.

Opbouwen en afbreken

In het blotegrondstadium is er vaak nul procent organische stof in de bodem, in het climaxbos zitten we makkelijk aan 10 procent organische stof in de bodem. Meer cijfers: een volwassen Vlaams bos stockeert 30 kg koolstof per vierkante meter, gelijk verdeeld over ondergrondse en bovengrondse biomassa. Ook het aantal soorten neemt gestaag toe: een kale akker. Voor zijn boek ‘The World in a Cubic Foot’ nam de auteur telkens ongeveer een emmer grond, en fotografeerde hij alle zichtbare levende wezens. Een maïsakker scoort 9 beestjes of plantjes; een struweel of bos al gauw 100.

Stel dat je alle foto’s, van pioniers- tot climaxfase naast mekaar plakt, zie je een toename van groen, van koolstof, van biodiversiteit. Beeld je die foto’s in, van links naar rechts: continue opbouw, hé. Volgens de Gaiatheorie (James Lovelock, 1969!) is dat een bijna bewuste strategie van planeet aarde, maar dat zou ons te ver leiden.

Tegenover die hele opbouwgoesting van de aarde staat meestal de menselijke afbraakwoede. Meestal echter willen we immers een bepaald stadium in stand houden. Alsof je zou willen voorkomen dat je kinderen groot worden! We gaan dus ingrijpen, en dat noemen we beheer.

Om te voorkomen dat een pioniersstadium grasland wordt, moet je de bodem jaarlijks verstoren. Vandaar al dat geploeg en gespit, al duizenden jaren lang. Schoffelen en/of mulchen (veel makkelijker!) horen ook thuis in dit rijtje van beheersmaatregelen.

Als je niet wil dat je grasland overgaat in een ruigte, moet je minstens een keer per jaar maaien, en om te voorkomen dat een ruigte verandert in een bosvegetatie, moet je minstens om de 3 tot 5 jaar maaien.

Al dat beheer vergt massa’s – vooral fossiele – energie: we verzetten heel wat om te voorkomen dat ons gazon en onze stoep aan successie gaan doen. Ooit waren er geen bladblazers of grasmaaiers, kettingzagen of hakselaars, strimmers of trimmers. Hoe zag de wereld eruit voor herbiciden akkers en opritten ‘schoon’ hielden?

En ooit, wie weet wanneer, wordt fossiele energie weer schaars en gaan we weer zinvol zwetend werk verzetten in de natuur, om den brode. Maaien met de zeis, hakken met de bijl, en andere middelen inzetten waar we van vervreemd zijn: afbranden, laten begrazen. Zien we dat zitten? Een andere keer ga ik dieper in op dat soort historisch natuurbeheer…

Slakken: fabels, feiten en trucs

Voor vele moestuiniers  zijn slakken met voorsprong nummer 1 van de te vrezen beesten. Hieronder zet ik een aantal feiten en fabels op een rijtje en geef ik een aantal trucs om de beestjes uit je moestuin te krijgen.

Feit: we hebben invasieve slakkensoorten

Er zijn minstens twee zeer invasieve naaktslakkensoorten in onze streken. Deroceras invadens beweegt zich sneller dan 28 andere slakkensoorten, met name 4,9 mm per seconde! Arion vulgaris (de Spaanse slak) legt tot 400 eitjes, die beter bestand zijn tegen uitdroging: ook een overlevingstroef. Deze soort kruist vlot met de inheemse Arion ater (de zwarte wegslak); hun nazaten kunnen dan weer beter tegen de koude. De eerste meldingen van deze soorten in België dateren van rond 1970. Intussen hebben ze onze tuinen veroverd. Ze hebben hun verspreiding aan de mens te danken. Als slak of nog eerder als ei liften ze mee met potgrond, planten, tractorwielen …

Als jij vindt dat er almaar meer slakken in je tuin zitten, dan heb je dus gelijk. Overigens: van alle ingevoerde plantjes en diertjes kunnen alleen de sterkste soorten overleven. Een extra troef is dat ze hier meestal geen natuurlijke vijanden hebben, en zo worden ze gemakkelijk een plaag.

Fabel: huisjesslakken zijn nuttig en naaktslakken schadelijk

Als je opzoekt wat iedere soort precies eet, kom je tot veel juistere bevindingen. De meeste naakt- en huisjesslakken hebben een heel breed menu, gaande van (verse tot vergane) bladeren en schimmels tot dode diertjes – inclusief slakken!

Eén slakkensoort is een ware bondgenoot in onze tuin: het lookglansslakje (Oxychilus alliarius). Dit donkere, glanzende huisjesslakje is amper een hemdsknoop groot en zit graag onder tegels en dergelijke. Het eet vooral kleine naaktslakken en slakkeneieren.

Fabel: slakken hebben een voorkeur voor de zwakste planten

Slakken lusten in de twee ookglansslakjes vooraan, leeggevreten slakkenhuisjes (van onder een tegel) achteraan (6)praktijk vooral de sappigste en zoetste planten. Hoe zou je zelf zijn? Kom je ooit wilde sla – de voorouder van onze kropsla – tegen, dan zul je daar nooit slakken op zien grazen, want deze wilde plant verdedigt zich met bitterstoffen en stekels. Die verdedigingsmiddelen hebben we in de voorbije eeuwen weg geselecteerd, zodat sla nu lekkerder is dan 2000, 200 of zelfs 20 jaar geleden. Dat is ook voor de slakken goed nieuws. Hetzelfde deden we overigens met worteltjes, radijs, en bijna alle andere groenten.
Nu weet je meteen ook waarom je onkruid zelden last heeft van ziekten of plagen: het verdedigt zich zelf wel.

Feit: we hebben niet genoeg egels en lijsters

Alle ecologische tuiniers willen graag een natuurlijk evenwicht, waarin natuurlijke vijanden net op tijd je ongewenste diertjes komen intomen. Egels, padden, kikkers, heel veel vogelsoorten … al deze helpers hebben we maar al te graag in onze tuin om de slakken te lijf te gaan. Al die slakkeneters hebben huisvesting nodig en natuurlijke biotopen in en om je tuin.

Helaas zijn er meer levensgevaarlijke straten dan gastvrije egelhuisjes in ons landschap, meer katten dan nestkastjes, meer omheiningen dan vijvertjes …

Minder bekend feitje: egels krijgen meestal longwormen door het eten van besmette slakken.

Feit: er zijn ook veel kleine slakkenvreters

Er zijn kleine, vrij onbekende slakkenetende soorten die je vlot kunt aantreffen in je ecotuin. Veel spinnensoorten, en ook de verwante hooiwagens, lusten wel een stukje slak. De slakkenhooiwagen bijvoorbeeld scheurt slakkenhuizen met zijn krachtige scharen stuk en eet dan de bewoner op!

Over het lookglansslakje hadden we het al; onder dezelfde tegels (of een omgekeerde stenen bloempot) huizen ook vaak loopkevers. Daar zijn diverse soorten van, maar allemaal hebben ze glanzende schilden – zwart en andere kleuren – en ze lopen weg als je hun schuilplaats verstoort. Loopkevers eten graag mals vlees, slakken dus, maar ook af en toe een wormpje. Een van deze loopkevers heet overigens de slakkenloopkever.

Truc: laat dode slakken gewoon liggen

Als je regelmatig dode slakken in je tuin deponeert, is dat gefundenes Fressen voor die natuurlijke vijanden. Als je slakkenvallen installeert (op basis van bier of suikerwater), kun je de lijkjes dus het best gewoon in je tuin laten liggen, ten voordele van diverse slakkeneters.

Je kunt ook zelf actief op slakken jagen, bij voorkeur ’s avonds met een zaklamp en een prikkend of snijdend voorwerp.
Is slakken jagen wreed? Beschouw jezelf misschien als medepredator. Je neemt zo immers je plaats in (‘je verantwoordelijkheid’, zei een ervaren permacultuurtuinier me) in het voedselweb, als helper van de plaatselijke slakkeneters.

Laat de dode slakken zeker liggen! Zo zal je populatie aan lookglansslakjes, loopkevers, hooiwagens etc. toenemen. En ja, onder onze tegels huizen almaar meer van die slakkenpredators.

Slakken die Escar-Go eten (of een andere slakkenkorrel op basis van ijzerfosfaat) kruipen de bodem in voor ze sterven, en worden daar probleemloos verwerkt door vele eters. Verder is ijzerfosfaat helemaal onschadelijk voor je bodem, je planten en je beestjes.

Truc: helpt mulchen tegen slakken?

Mulchen moet, ook al heb je slakken; maar observeren en bijsturen waar nodig, dat zeker ook. Gedroogd grasmaaisel blijkt alvast een goede barrière tegen slakken, en ook hennepsnippers.

Nog een gouden tip: een laagje industriële compost bevat, in vergelijking met je huisgemaakte compost meer ammoniak, meer zouten, en ook – als er veel coniferen in verwerkt zijn  – meer harsen. Dat zijn allemaal stoffen die heel irriterend zijn voor slakken en hun eitjes, en dat maanden lang.

Truc: kippen!

Uiteraard helpen kippen mee! Tijdelijk (de hele winter) of plaatselijk (met een verplaatsbare kippenren) scharrelen ze elke slak weg. Of nog: omring je moestuin (deels) met een kippenren.

Lees nog meer slakkentrucs op www.velt.nu/slakken en stuur je bevindingen naar lieven@velt.be.