De braam en de merels (en de tuinier)

joan squire en triple crown  (1)
Deze bramen  – en framboos Joan Squire – springen zo in je mond.

De hoofdrolspelers in dit verhaal.

De braam heet Triple Crown: een Amerikaans doornloos ras van eind vorige eeuw. Heel zoete, grote vruchten, veel beter dus dan die oudere rassen, zoals Black Satin (zùùr!) of Oregon Thornless (met dat mooie ingesneden blad, met kleine, vrij droge vruchten).

De merels: een jong vrouwtje en dito mannetje.

Die tuinier ben ik, hé, al sinds mijn prille puberjaren.

En dan is er nog een speler, maar die zegt niks, en die heeft misschien ook niks gedaan. Je vindt hem aan het einde van dit stuk.

Scène 1: de eerste bramen rijpen.

Aah, elk jaar kijken we weer uit naar Triple Crown. De overvloed van rode, over paarse, tot zwarte frambozen valt na half juli stil, en de meeste andere bessen (rood, roze, wit, zwart, kruis- en josta-) zijn dan ook op hun retour. Voorzichtig pluk ik die eerste rijpe bramen: ze zijn perfect als ze bij een lichte aanraking loslaten. Wie aan bramen zit te trekken, krijgt zure bessen voor z’n moeite. Mmm: die eerste mondvol bramen.

Scène 2: merels op bezoek

De jonge merels zijn blijkbaar tuk op onze bessen. Ze zitten eerst op een bramentak of op de pergola om vruchten aan te pikken, maar worden stilaan handiger. Zo zie ik er eentje, vanuit stilstand op het gazon, naar een braam op 100 cm hoogte springen: tsjakkaa! En dan met de buit wegvliegen.

Scène 3: de verbaasde tuinier.

Hé? Jullie hebben toch massaal lekkers in de buurt? Op amper 3 seconden vogelvlucht ligt het verwilderde voormalige Maria’s Hofke, met wilde bramen, veel frambozenstruiken etc. Daar is toch genoeg te vinden? En als jullie dorst zouden hebben: op ons garagedak heb ik speciaal voor jullie drinkbakjes en plonsbadjes gezet. Gratis! En waarom staan jullie zoveel vroeger op dan wij?

Scène 4: het arsenaal en de onverstoorde merels.

triple crown en vogelschrik (7)
Rood-wit lint, ballon met ogen, etc: meestal werken ze wél!

Ik heb wat linten, ballons en ouwe cd’s liggen, die ik pas bovenhaal als de nood het hoogst is. Een paar jaar geleden telde ik zo de aangepikte aardbeien, en ik installeerde het afschrikarsenaal pas zodra ik er twintig had geteld. Ik wil eerlijk delen, maar mijn gezin moet ook wat te eten hebben, snappen jullie dat? En in principe snappen de vogels het wel, tenminste een tijdje. Dan hang en zet ik die glinsterdingen weer wat anders, en blijven ze weer enkele dagen weg. En nee, geen netten: daar raken vogels alleen maar in verstrengeld.

 

Enfin: dit jaar werken die afschrikmiddelen nauwelijks. De merels blijven bramen pikken: als de schrikballon vooraan staat, gaan ze achterin – en andersom. Ik bekijk het maar, en beschouw het als een sport, hoor: een wedstrijdje mens versus cultuurvolgend beest. Gelukkig zijn er net ook veel appeltjes aan onze July Red, en mogen we pruimen plukken bij vrienden.

Scène 5: weg

En dan opeens, na drie weken, blijven de merels allebei weg, zonder afscheidsbrief. Wij plukken bramen.

Epiloog

De tuinier zoekt vooral naar verklaringen en remedies; de heel ecologische tuinier en/of permacultuurmens gaat daar nog veel dieper en holistischer in. Zo van: je ecosysteem is nog niet op punt. Of: snoei met afnemende maan. Als jij dit leest, zul je ook de drang voelen om jouw ervaring en jouw goeie raad te delen, en dat mag uiteraard. Maar, heel concreet observeer ik alvast dat bovenstaand scenario elk jaar weer anders is: het ene merelseizoen is het andere niet. In mijn vader z’n moestuin happen de mussen aan alle groene sla, en bij Fernand – 300 meter verderop – pikken ze de groene én de rode sla. Daar is geen snappen aan.

De natuur heeft de mens, op de keper beschouwd, niet nodig, en doet haar zin. De weldoorvoede mens van tegenwoordig heeft die bramen strikt genomen ook niet nodig, en gaat gewoon winkelen, wanneer hij te veel heeft moeten delen met vogels, wateroverlast, bladluis of schimmel. Zo ging het duizenden jaren lang niet, hoor: meteen ingrijpen, dat was telkens de boodschap;  anders hadden onze voorouders geen eten. De kinderen moesten bijvoorbeeld de oogst bewaken tegen vogels en andere dieven: ken je je geschiedenis wel?

Ik heb onze kater ook aangesproken over die merels, maar hij zwijgt wijselijk. Gewoon observeren zonder te oordelen, dat kan hij als de beste: hij is de mindfulste tuinier die ik ken. Z’n bakje kattenvoer staat dan ook altijd klaar…

 

Advertenties

Soep van de boom

Met de malse blaadjes van onze maggiboom (Toona Sinensis) brengen we de hele zomer soep en andere gerechten op smaak.  Het is met voorsprong onze makkelijkst te kweken groente: gewoon plukken, van mei tot oktober! Waarom hebben niet meer tuiniers zo’n soepboom?maggiboom (3)

Ons maggiboompje staat al tien jaar aan de omheining van de kippenren, samen met diverse bessenstruiken. Ik haalde het plantje – toen amper 5 cm hoog – bij Vreeken, maar ik zie intussen dat ook anderen deze boom aanbieden als sierplant.

De eerste jaren groeide het heel bescheiden: zou het echt wel, zoals Plants for a Future beweert, een forse boom worden? De voorbije twee jaar echter is ons boompje exponentieel gaan groeien, en vorige winter heb ik onze maggiboom dan maar getopt, zodat ie kan vertakken – en om ‘m op plukhoogte te houden. Benieuwd of dat lukt. O, en de vermeerdering gebeurt door te zaaien, maar dat heb ik dus nog niet gedaan.

Wij hebben de gewone groene maggiboom, maar ik zie dat er ook een paars-rode variant is, en dat de maggiboom uitlopers maakt; daar heb ik allemaal nog geen ervaring mee. Vorstbestendig is deze boom in ieder geval, en hij heeft niks last van beestjes of zo. De blaadjes lopen hier pas echt uit in mei, en dan aromatiseren we er meteen weer onze lentesoep mee.

De smaak én de geur dan: ja, maggi, echt waar. Of uien- of kippensoep; er zitten zwavelverbindingen in, naar het schijnt – en ook veel mineralen en vitaminen en zo.  Zo te lezen is de maggiboom al héél lang dagelijkse kost in China, maar hier is ie nog niet zo bekend. Misschien staat ie al, heel anoniem, in een park in je buurt, en kun je er zo van gaan plukken. Of anders plant je er volgende winter eentje.

Het moestuinklimaat

Wie niet tuiniert, heeft het wel gezien op alle media. Wie tuiniert, heeft erop gevloekt. Wie al (heel) lang tuiniert, zegt me: “Dit heb ik nog nooit meegemaakt.” Wie boert, en ervan moet leven, krabt zich dit jaar nog meer in het haar dan gewoonlijk.

Het ongewone weer van de voorbije maanden, dus. Het klimaat flipt, zo te zien. Professioneel en privé heb ik al veel verzopen grond gezien dit jaar: alles naar de vaantjes, of redden wat er te redden is. Een te warme winter, een koud voorjaar, een hittegolf en stortbuien: in de media krijgen we cijfers en spectaculaire beelden. De horeca klaagt even, en de modale mens boekt een vakantie naar betere oorden. Voor land- en tuinbouw zijn die weerrecords echter nefast: onze voedselgewassen willen van alles wat, maar geen extremen. Hoe de boer dit ervaart? Lees het artikel van Tine Hens maar.

Enfin: daarom gaat onze tomatenproeverij van 31 juli niet door. De tomatenplanten hebben te veel stress gehad, te weinig vrucht gezet. Onze aardappeloogst is tot nu toe bedroevend, kwalitatief en kwantitatief. Idem voor onze pompoenen. Er zal nog genoeg zijn voor ons gezin, wees gerust, en ja, we kunnen altijd wel bijkopen.

Dit alles overstijgt allang het eigen tuintje. Minder beton, meer bomen, uiteraard. Onze voetafdruk beperken, het zal toch eens moeten.

Bedek je grond!

Blote grond is dode grond

Op alle werven, op de meeste akkers en in veel moestuinen zie ik blote grond. Die ligt daar, letterlijk blootgesteld aan de elementen. Bij felle regen spoelt de modder naar het laagst gelegen punt: de beek, je kelder, de straten, … De gemeente (dus de burger) betaalt het gelag voor het kortzichtig gedrag van de wroetende mens, in casu de boer. Bij droog en winderig weer waait de goeie grond weg. En voelen: als ik tijdens een droog voorjaar aan de verkeerde kant van zo’n kale maisakker sta, krijg ik dat opwaaiende zand-plus-drijfmestmengsel in mijn gezicht. Deze vormen van wind- en watererosie doen pijn aan mijn ogen– en dat zeg ik ook als boerenzoon. En ook: bij extremer weer (met een klimaat dat op hol slaat) hoort extremere erosie.

O ja: de klei- en leemtuiniers onder jullie zeggen (of krijgen te horen) dat je die zware grond voor de winter moet ploegen/spitten. Helemaal volgens de wetten van de fysica vriezen de kluiten dan stuk. Toch zijn er andere manieren om zware grond beter – en volgens de wetten van de biologie – bewerkbaar te krijgen. Daarover zo meteen meer.

Waar zit het bodemleven vooral?

De meeste bodembeestjes zitten aan de oppervlakte, met miljarden: daar, in het grensgebied van aarde en lucht, hebben ze volop warmte, zuurstof, voeding en vocht. Miljarden schimmels en bacteriën en ongewervelde diertjes floreren juist daar, en dus niet tien of dertig centimeter onder het oppervlak. Dat heb je zelf al geobserveerd: een houten paal zal altijd rotten tussen hemel en aarde, zoals mijn vader dat zegt.

Wanneer we deze grenslaag wat dikker en interessanter maken voor het bodemleven, dan bevorderen we de hele bodemvruchtbaarheid meteen.

Waarmee bedekken: met levende planten

Methode 1: niks doen.

De bodem van je tuin bedekt houden, da’s eigenlijk het makkelijkste wat er is, ook voor wie geen groene vingers en twee linkerhanden heeft. Vanzelf komen er eenjarige planten – meestal onkruiden genoemd – die de grond bedekken. Ze houden de bodem (en alle leven en voeding erin) vast en laten al gauw geen plekje bloot. Die eenjarigen (dus klaproos, knopkruid, muur) sterven wel af en verrijken daarmee de grond weer: een goeie voedingsbodem voor de volgende fase: de doorlevende onkruiden. Die ruimen dan stilaan het veld voor bramen, de eerste berkjes en wilgen, en ga zo enkele decennia door tot je een echt bos hebt, eik en beuk inbegrepen. Heel dit scenario, van pioniersplanten tot bos, heet successie.

Methode 2: met gewenste planten

Bovenstaande methode is wellicht niet erg gewenst door de gemiddelde tuinier. De meesten onder ons willen zelf de plantensoorten bepalen die onze bodem bedekken, en dan heb je gelukkig veel keuze. Heel veel vaste planten en struikjes en/of het onvermijdelijke gazon zorgen al voor on-blote grond in de siertuin.

Eind maart en de hele tuin is bedekt, terwijl klassieke tuiniers nog bloot zitten (1)
Eind maart: onze pluktuin staat vol eetbaar groen, terwijl blotegrondtuiniers nog staan te spitten…

Slimme moestuiniers wenden groenbemesters aan, of een heel scala aan bodembedekkende groenten. Winterspinazie, winterpostelein en veldsla tijdens de winter bijvoorbeeld. Of een lentebedje met raapsteel (en/of rucola, tuinkers, mosterd,…) gevolgd door allerlei kool later op het seizoen. Of andijvie die je zaait meteen na de oogst van de vroege aardappeltjes. Continu eetbaar bedekken is veelvoudig efficiënt, zoals je wel zult begrijpen.

Waarmee bedekken: met verse dode planten

Aha, dit is het eigenlijke mulchen. Je bedekt de ruimte tussen twee planten of twee rijen, een heel bed of zelfs een volledige tuin met dode plantenmaterialen. Die zijn er legio, en vaak met een gebruiksaanwijzing.

Grasmaaisel, om te beginnen. Sinds de komst van de gazonmaaier is dit notoir afval voor veel klassieke tuiniers, en een mooie grondstof voor ecologische mensen. De meeste kenners raden aan om dunne laagjes te strooien – zo dun, dat je de grond net niet meer ziet – anders gaat dat grasmaaisel rotten en stinken. Daar kan ik inkomen, voor zover het heel groen (en dus stikstofrijk) maaisel is, zoals je dat vaak hebt in het voorjaar én in flink bemeste gazons. Als je daarentegen maaisel krijgt waar veel dor materiaal (hooiachtig, dus met meer koolstof) in zit, kun je rustig wat dikker strooien zonder dat het begint te rotten.

Alle andere groene planten kun je in principe ook maaien en als mulch tussen je gewassen leggen. Brandnetel en smeerwortel zijn daarvoor zeer aangewezen. Maar meer en meer boeren passen deze techniek toe met luzerne, een doorlevende vlinderbloemige die jaren lang groen blad produceert.

Maaimeststof

Dat luzernemaaisel gebruiken die boeren als maaimeststof op andere percelen. Maaimeststof is een term die we gewoon zouden kunnen gebruiken voor alle groene planten die we afsnijden en elders aanbrengen om te bemesten.

Hoeveel stikstof, fosfor en kalium je daarmee precies aanbrengt in je moestuin hangt van veel factoren af, maar in principe (en in de praktijk!) zou je uitsluitend met maaimeststof je moestuin kunnen mulchen én zo voldoende bemesten.

Voor wie nog brandnetelgier gebruikt: met brandnetel- of ander maaisel mulchen is beter, hoor. Gier stinkt, is een snel opneembare meststof die gemakkelijk verbranding en stikstofoverdaad geeft. Brandnetelmaaisel daarentegen is geurloos en geeft zijn voeding trager af, via het bodemleven. (Wie bladluisjes wil bestrijden, kan uiteraard nog steeds brandnetelaftreksel maken. Dat is thee, die hoogstens 48 u getrokken heeft en onder meer mierenzuur en histamine bevat – allebei stoffen die bladluizen en rupsen irriteren of doden. Na rotting zijn deze stoffen ontbonden tot ammoniak, fosfaten, … die deze insectenverdrijvende werking niet meer hebben.)

Tussen de planten? Over de planten heen!

Ik ben een luie – dus efficiënte! – tuinier. Als ik gras- of ander maaisel heb, strooi ik dat niet zozeer netjes op de grond tussen de gewassen. Nee: over de planten zelf van grove gewassen, zoals aardappelen, bonen, mais, pompoen, kool, selderij, … verspreid ik een dun laagje grasmaaisel. Dat ligt dan half op het gewas zelf, maar door de wind en de regen dwarrelen al die sprieten in de volgende dagen naar beneden, waar vanzelf een mooi mulchlaagje maken.

Bij sla, veldsla, raapsteeltjes en ook prei bestrooi ik het gewas uiteraard niet met maaisel, maar blijf ik tussen de rijen. Als je in de keuken al eens sla hebt ontdaan van grassprieten, begrijp je wat ik bedoel.

Waarmee: met dorre planten(-delen)

Je kunt uiteraard ook mulchen met stro, hooi en dorre bladeren. Die materialen zijn veel rijker aan koolstof, ze zijn droger, en je kunt er dus dikkere lagen mee leggen. Sommige tuiniers gaan tot 30 cm dik hiermee – met een bescheiden 10 cm zit je al even goed, vinden wij. Dit soort materiaal hoef je niet zo vaak aan te vullen: het vergaat veel trager.

Hooi bevat nog wat stikstof en fosfor, stro nauwelijks. Hooi zal dus nog heel wat voedingsstoffen kunnen aanbrengen. Ruth Stout (USA, 1884-1980) schreef zelfs een boek (bij ons vertaald als Tuinieren zonder spitten) over haar hooitechniek: ze dekte elk vrij plekje af met hooi.

Met een dikke laag natuurreservaathooi is het leuk en handig afdekken.
Met een dikke laag natuurreservaathooi is het handig afdekken.

Verder bevat hooi nog heel wat ongewenste kruidzaden. Voor Ruth Stout was dat geen probleem: Als er onkruid kiemt, leg er dan meer hooi op! Zelf heb ik ook al veel onkruidzaden ingevoerd door hooi te gebruiken, maar dat nadeel weegt voor mij niet op tegen de vele voordelen.

Met name hooi van natuurreservaten gebruik ik al veel jaren: mét zaden, ja, maar wellicht ook met veel goede mineralen. Het is vaak een kwestie van er (logistiek) aan te geraken, maar in principe zijn natuurbeheerders blij met dit afzetkanaal: zij willen hun natuurgebied verarmen, jij wil je moestuin verrijken, dus dan zijn beiden tevreden.

Herfstbladeren zijn ook leuk materiaal om mee af te dekken, de hele winter lang. Ze willen wel eens gaan waaien, dus dek ze af met kippengaas of stro – of je versnippert ze even, zodat ze ook makkelijker blijven liggen.

Waarmee: nog andere materialen

Heb je je heg gesnoeid? Heb je in het voorjaar alle dorre planten verwijderd uit je border? Ook die materialen kun je gewoon gebruiken tussen je groenten.

En hoe zit dat met houtsnippers? Als ze heel vers, fijn en groen zijn (van je heg, bijvoorbeeld), kun je ze met goed gevolg tussen je gewassen spreiden. Dorre, dikke, houtige snippers daarentegen bevatten veel koolstof onder de vorm van lignine: dat breekt traag af, en het bodemleven rooft daarvoor het eerste jaar nogal wat stikstof uit je bodem: eerder een soort mulch voor tussen je bessen is dat dan. Die struiken staan van nature aan de bosrand, en gedijen dus extra als je ze mulcht met snippers.

Ook je paden kun je met gehakseld hout bedekken: daar zullen ze een hele tijd kiemende onkruiden tegengaan, en dat is ook je bedoeling. Wanneer, gemiddeld na een jaar, die snippers half verteerd zijn, kun je ze prima gebruiken in je composthoop of –vat. Of je kunt je paden ook jaarlijks gewoon aanvullen met nieuwe snippers.

Hoe lang houthaksel erover doet om te verteren, hangt voor een groot deel af van de houtsoort en de dikte van de snippers. Wilg en Amerikaanse vogelkers bijvoorbeeld vergaan heel vlot; soorten met looizuur (berk, walnoot, eik) of hars (den, spar en andere coniferen) verteren langzamer.

Let op?

Zijn er mulchmaterialen die ik weiger? Niet veel: met beschimmeld (aardappel-)loof als bedekking heb ik al meer dan twintig jaar gewoon goede resultaten. De sporen van die schimmels zitten op dit moment op je neus, op mijn toetsenbord, … overal en onvermijdelijk dus, en in een ecologische tuin hoort het juist te wemelen van allerlei micro-organismen die mekaar in evenwicht houden. En dan nog: teel bijvoorbeeld resistente aardappelrassen, kweek vroege pompoenrassen, overdrijf niet met stikstof en water geven, en dan hou je de meeste schimmels al binnen de perken.

Giftige planten, kun je die gebruiken om te mulchen (of te composteren), vragen bezorgde tuiniers me soms. Tja, vingerhoedskruid en taxus bijvoorbeeld zijn enkel giftig voor ons, enkele andere grote dieren, maar helemaal niet voor schimmels, bacteriën, pieren, …

Met herbiciden behandeld stro en gazon, die kunnen pas problemen geven. Spuitende gazoneigenaars en stroboeren dulden geen tweezaadlobbige (on-)kruiden, en hun herbiciden kunnen dan via het stro of het maaisel in jouw bodem komen en daar groeiremming geven – of erger – aan je groenten.

Oppervlaktecompostering

Alle dode plantaardige materialen die we hierboven genoemd hebben, gaan verteren tot compost of tot materiaal dat op compost lijkt. Dit proces kan heel langzaam tot heel snel gaan, afhankelijk van deze factoren:

  • Het soort materiaal: hoe hoger de stikstof/koolstofverhouding, en hoe fijner het materiaal, hoe sneller het verteert;
  • Contact met de grond;
  • Bodemleven: op een dode maisakker verteert alles veel trager; een moestuin vol wormen verteert vlot;
  • Vocht: als het materiaal, het weer en/of de ondergrond voldoende vocht bevatten, kan het bodemleven meteen aan de slag;
  • Warmte: tijdens de winter ligt het verteringstempo lager; vorst legt de meeste processen tijdelijk stil.

Dat verteringsproces lijkt voor een groot deel op de omzettingsprocessen in een composthoop, maar een goede composthoop ontwikkelt warmte, tussen 50 en 70 °C, terwijl vlakke compostering of oppervlaktecompostering koud blijft. Bijgevolg worden onkruidzaden en ziektekiemen niet gedood in je mulchlaag, en daar kun je best rekening mee houden.

Anderzijds is mulchen voor de meeste aanhangers veel natuurlijker en arbeidsarmer dan een composthoop opzetten. Pioniers als Masanobu Fukuoka en Ruth Stout werkten zelfs (bijna) uitsluitend met oppervlaktecompostering.

Mulchen met mest en/of compost

Mest en compost kun je ook grotendeels beschouwen als dood plantaardig materiaal. Strorijke mest of halfrijpe compost zijn ideaal als winterbedekking voor je moestuin; wat tegen dan niet verteerd is, hark je weg en gooi je op je composthoop. Nog even harken, en je tuintje is weer klaar.

In het geval van mest heeft het dier de planten fijngemaakt, er voedingstoffen aan onttrokken, en heel veel darmbacteriën aan toegevoegd. Zo is het een kant-en-klare hap voor het bodemleven. Ook halfrijpe of rijpe compost die je op je bodem aanbrengt, biedt je bodemleven meteen veel voeding.

Een deel van die voedingsstoffen – vooral nitraten, fosfaten en kalium – kunnen wel doorsijpelen naar diepere lagen en naar het grondwater: jammer voor de waterkwaliteit, en voor je groenten – zij wortelen te ondiep om nog van die voeding te kunnen profiteren.

In een dode maisakker zullen die NPK-voedingsstoffen gauw uitlogen, zoals dat officieel heet. Wat doe je tegen die verliezen? Humus en bodemdiertjes zijn een levende spons, die heel goed alle voeding kunnen vasthouden.

Bescherm je bodem tegen de elementen

De massa van een 5 mm regendruppel is 5x5x5 = 125 maal die van een 1 mm druppel en de terminale snelheid verdubbelt, waardoor de destructieve energie 5x5x5x5 = 625 keer groter wordt. Een regendruppel die op een blad of een strohalm valt, spat uiteen in vele kleine druppeltjes. Stel: bovengenoemde 5 mm druppel valt uiteen in 1 mm druppels, dan verkleint het destructieve effect 625 keer. Een dikke laag mulch of een gesloten plantendek voorkomt dus wel degelijk het dichthameren van de grond door herhaalde hevige regen- en hagelbuien. Hier vind je de hele berekening…

IMG_0069.JPG
Uit het maisveld bovenaan onze straat spoelt, bij elke felle regenbui, de onbedekte aarde weg.

Al je bodemleven zit niet voor niks ondergronds: ultraviolette straling, met name UV-B, is schadelijk tot dodelijk voor heel veel soorten, zoals wormen en schimmels. Met de bedekking breng je dus een UV-filter aan op je bodem.

Blote grond droogt veel makkelijker uit dan bedekte grond. Beginnende en inzichtloze tuiniers herken ik gewoon aan hun waterverbruik; slimme, efficiënte tuiniers herken je aan hun bedekte grond – en zij hoeven nauwelijks nog te gieten.

Dehydratatie is niet goed voor je huid, maar evenmin voor je tuin. Vooral op hete dagen, maar evengoed wanneer het hard vriest, droogt je grond uit. Dat is heel stresserend voor je planten en voor je bodemleven. Overigens waait droge grond op den duur ook weg: zo verdwijnen jaarlijks miljoenen tonnen vruchtbare bodem.

Kleigrond moet gespit worden voor de winter, zodat de kluiten kapotvriezen,” hoor je in klassieke middens. Veel efficiënter is het afdekken met mest en/of halfrijpe compost, de hele winter lang: de vele pieren en andere bodemdiertjes zullen de kluiten wel fijnmaken, onder de bescherming van een isolerende, voedzame laag. Je grond ligt niet te rusten tijdens de vorst, maar kapot te gaan! Hittegolven, overstromingen en andere extreme omstandigheden zijn evenmin bevorderlijk: het leven ondergronds gedijt immers het best onder beschutting en met hapklaar voedsel bij de hand.

Wordt je grond dan niet zuur?

Nog zo’n fabel: al dat grasmaaisel zou je grond verzuren, en dus moet je kalk strooien. Vooral in tuinwinkels hoor je dit, en ze verkopen er veel kalk mee, maar eigenlijk is dat overbodig en vaak zelfs nadelig voor je bodem. Kalk maakt immers een deel van de minerale stikstof (in je mulchlaag) vrij onder de vorm van ammoniak – en die vervliegt dan, weg uit je tuin. Verder is de pH (de hoeveelheid kalk, zeg maar) in minstens de helft van de Vlaamse moestuinen te hoog. Die te hoge pH zorgt dan weer dat je planten bepaalde voedingsstoffen niet kunnen opnemen…

Voorkom onkruid

Tussen een flinke groenbemester, in een bed vol sla, op een gemulcht bed gaat eenjarig onkruid nauwelijks kiemen. Het zaad van die pionierplanten heeft immers licht nodig, en alle manieren van afdekken hullen de onderliggende bodem juist in het donker. Als er al eens een onkruidzaailing de kop opsteekt, kun je die vlot uittrekken, en op de mulchlaag deponeren: zo gaat dat onkruidje niet zozeer het probleem zijn, maar een deel van de oplossing.

Doorlevende onkruiden daarentegen laten zich niet afschrikken door bedekking met levende of dode planten. Je kunt ze beter helemaal uitgraven of ze eenmalig en stevig afdekken (en van het licht beroven) met karton – met daarop meer organisch materiaal.

Even onbedekt!

In ons klimaat kun je best de winterbedekking wegnemen begin maart. Onbedekte bodem neemt immers overdag meer warmte op (goed voor je vroegste teelten) en straalt ’s nachts meer warmte uit (en zo beperk je nachtvorstschade). Hark die mulchresten dus bij mekaar en gooi ze op de composthoop. Je hebt dan ook meteen schone, vruchtbare grond waarin je je radijsjes en erwten kun zaaien.

Na de ijsheiligen kun je weer stilaan met gras- en ander maaisel beginnen te bedekken.

Woelmuizen, slakken?

Een mulchlaag kan slakken én woelmuizen herbergen, en een continue groene bodembedekking herbergt soms slakken. Hier valt nog veel onderzoek te verrichten, al verwacht ik niet meteen kant-en-klare oplossingen. De situatie in de ene tuin is die in de andere niet: bijvoorbeeld predatoren, grondwaterstand, nabijheid van bos, … kunnen een groot verschil maken.

Over twee commerciële mulchproducten kan ik dit al kwijt: hennepstrooisel zou slakken afschrikken, en ricinusschroot (nu verboden wegens giftig voor honden) weert woelmuizen. En zijn er slakkenwerende groenbemesters? Goudsbloem wordt alvast niet gelust door slakken, en tagetes juist heel erg. Uitproberen dus, en vooral goed observeren wat er zich beweegt in en op die bovenste bodemlaag.

Kortom:

Ooit erfde ik een stukje loeizware grond. De vorige – eerder klassieke – tuiniers hadden er een paar jaIMG_2460ar spadestelen op gebroken, zo kleiig was het daar.

Na een paar jaar bedekken met compost en mulch – en door niet meer te spitten! – werd de bovenste laag al lekker kruimig. Nu, 20 jaar later, is dat tuintje tot 30 cm diep door en door mals en vruchtbaar. In dat tuintje komen we gemiddeld om de veertien dagen, want het ligt niet bij de deur. Het bedekken kost nauwelijks tijd en moeite, in vergelijking met blotegrondtechnieken, en het levert veel meer op.

Ecologie, ergonomie en efficiëntie gaan voor bodembedekkende tuiniers dus prima samen. Dan hoef je enkel nog regelmatig die buitenste huid van je bodem te observeren en bij te sturen waar nodig: wat toevoegen, wat wegnemen.

Het geloof in tagetes

Binnenkort staan ze weer in vele tuintjes: een rijtje van die schattige, dubbele afrikaantjes. Goed tegen ziektes, zegt de ene tuinier. Tegen de aaltjes, zegt de andere. Het helpt echt, hoor, verzekeren ze me; al weten ze niet meer van wie ze dat geleerd hebben: in een biologische tuin kun je niet zonder tagetes, hoor – blijkbaar. Of hoe zit dat?

Helpen tagetes, en hoe dan?

Wel, hier lees ik: tagetes scheiden via hun wortels o.a. thienylderivaten af die dodelijk zijn voor (bepaalde) aaltjes. De cysten (zeg maar: de eitjes van de aaltjes) ontwaken, maar de aaltjes vinden in tagetes geen geschikte waardplant en gaan dood.

Even opletten:

  • TegTagète Némagonen aardappelziekte, preimineervlieg, … en vele andere problemen helpen tagetes niet. Net zoals sommige mensen denken dat antibiotica helpen bij griep, hé. Veel tuiniers weten niet precies wat er aan de hand is met een gewas.
  • De geur van tagetes is dan wel bijzonder voor ons, maar fopt de meeste insecten niet – laat staan schimmels en bacteriën.
  • Voor een aaltjesdodende werking moet je de juiste soort tagetes zetten, meer bepaald Tagetes patula, met rasnamen als ‘Ground Control‘ en ‘Nemagon‘. Deze rassen zijn allemaal forse groeiers (minstens 80 cm), en hebben enkele bloemen – niet van die sierdubbele.
  • Dubbelbloemige-tagetesplantjes-uit-het-tuincentrum geuren nauwelijks, en produceren onvoldoende (of zelfs geen) thienylderivaten om aaltjes te doden. Nutteloos dus.
  • Overigens: hoe ecologisch is het gemiddelde tuincentrum waar je je afrikaantjesplantjes koopt?
  • Om aaltjes te doden moet je je hele perceel vol zaaien of planten met die juiste tagetes, en die teelt minstens drie maanden aanhouden.
  • Tagetes patula doodt weliswaar enkele schadelijke aaltjessoorten, maar laat vele andere soorten (waaronder schadelijke) ongemoeid.

Maar wat doe je dan tegen je aaltjes?

  • De grootste plaag in de moestuin is onwetendheid.
  • Er zijn heel veel aaltjessoorten, waaronder nuttige, schadelijke, roofaaltjes die andere aaltjes opeten, aaltjes die slakken of engerlingen opeten,
  • Je kunt de meeste aaltjes niet zien, hoor. Ze zijn meestal maximum 1 mm groot.
  • De meeste ecologische tuiniers hebben geen last van aaltjes, maar meestal van andere beestjes en van ziekten op hun gewassen.
    Schadelijke aaltjes zijn met name een probleem in de klassiek bewerkte velden: daar is er – in vergelijking met de ecologische tuin – nauwelijks bodemleven. Kunstmest, diepe bodembewerking, krappe vruchtwisseling, … dragen bij tot een dode bodem waarin enkele schadelijke soorten gauw vrij spel hebben.
    Een levende bodem in een ecologische tuin bevat juist bijzonder veel soorten fauna, schimmels, flora, … in een dynamisch evenwicht: zo kan er geen enkele soort domineren.
    Door vruchtwisseling  en door gebruik van goeie compost dijk je de meeste aaltjesproblemen (en andere beestjes en schimmels) al in.
  • Loop niet op je bedden:
    • (Schadelijke) aaltjes verplaatsen zich niet makkelijk van het ene bed naar het andere. Tenzij – en vooral! – via je laarzen of ander schoeisel: blijf dus van je bedden af!
    • Roofaaltjes zijn groter dan schadelijke aaltjes, en hebben graag luchtige grond, waar ze vlot in kunnen bewegen. Luchtige grond krijg je niet zozeer door in je bodem te woelen of te spitten, maar door met je voeten van je bedden af te blijven.
    • Onze bedden zijn ongeveer 120 cm breed: we werken vanaf de paden; deze werkwijze heeft veel voordelen, en werkt dus ook tegen schadelijke aaltjes. Efficiënter dan je tagetes, eigenlijk…

 

Waarom planten tuiniers dan tagetes?

In de jaren ’70 en ’80 van vorige eeuw propageerden biologisch tuinierende pioniers – onder wie Rik Dedapper – de teelt van tagetes (uitsluitend die grote, enkelbloemige variëteiten, ja) om grond te ontsmetten.

Sindsdien zijn er meer wetenschappelijke inzichten over de precieze rol en mogelijkheden van tagetes, zoals hierboven beschreven, maar bij vele tuiniers is gewoon de plaat blijven hangen bij ‘Tagetes tegen aaltjes‘ of, bij uitbreiding ‘Tagetes (maakt niet uit welke) tegen alle tuinproblemen‘.

Bij dit soort tradities vertel ik meestal dit mopje:

Een vrouw gaat worst in de pan bakken. Zij snijdt eerst de twee uiteinden eraf. Haar man vraagt: ‘Hé, waarom snij je die topjes af?’ Ze antwoordt: ‘Dat moet je eens aan mijn moeder vragen, die doet dat ook altijd.’ Ze gaan naar haar moeder. ‘Mama’, vraagt de dochter, ‘Waarom snij je altijd die topjes van de worst af?’ ‘Tja,’ zegt de moeder, ‘Dat moeten we aan bomma vragen, die deed dat ook altijd.’ Die avond gaan ze naar bomma… ‘Bomma, waarom snij je altijd de topjes van de worst voor je ‘m bakt?’ ‘O, die topjes?’ zegt de bomma… ‘Dat heb ik van mémé zo geleerd. Maar waarom? We vragen het haar morgen in het rusthuis.’ De volgende dag staan ze daar met z’n allen: ‘Mémé, waarom sneed je vroeger altijd de topjes van de worst?‘ ‘Wàt?’ roept mémé, ‘bakken jullie nog altijd in dat veel te kleine pannetje?’

Het planten van die dubbelbloemige-tagetesplantjes-uit-het-tuincentrum is volgens mij vooral een nieuwe invulling van een veel oudere traditie. Eeuwen lang stopten boeren en tuinders op Palmzondag gewijde palmtakjes op de hoeken van hun veld. Tegen onweer, ziekten en plagen – maakt niet uit wat.

Hielpen die palmtakjes? Brengt een klavertje vier geluk? Houden dubbelbloemige-afrikaantjes-uit-het-tuincentrum ziekten en plagen weg? Als je erin gelooft, dan héél misschien wel… Magisch denken heet dat, en daar is op zich niks fout mee.

Mensen zullen altijd verhalen en gewoontes overnemen en aandikken, tot de oorspronkelijke toedracht zelfs helemaal niet meer klopt. Let er eens op: tradities uit andere culturen vinden we heel vreemd, maar onze eigen tradities doodnormaal.

Hebben wij afrikaantjes in onze tuin?

Tuurlijk. Eigenlijk meer goudsbloemen, want die zaaien zichzelf vlot uit – en nog veel andere eenjarige, tweejarige en doorlevende bloemetjes. Enkelbloemige, dat spreekt vanzelf, want die leveren nectar en/of stuifmeel aan veel nuttige insecten. We laten ook veel groenten bloeien, die trekken ook weer goeie beestjes aan. In een moestuin horen kleuren, geuren en gezoem.

We trekken dus jaar na jaar goeie helpers aan, en dat is volgens de wetenschap, ons gezond verstand en vele jaren ervaring, nuttiger dan tagetes-tegen-aaltjes.

Hoe is het met jouw afrikaantjesgeloof?

Schrijf je commentaar hieronder!

 

Woelriek, woelvork, grelinette, …

De woelriek of woelvork heeft vele namen, maar we hebben het dus over een soort brede vork, waarmee je de grond verlucht zonder te keren. Een ergonomische, ecologische vervanger voor de spade dus.
Grelinette is een gedeponeerd merk, hoor, al weet niemand dat nog; verder heet dit gereedschap in het Frans ook aé­ra­bêche, biofourche, ac­ti­bêche, in het Engels broadfork, U-bar, U-fork, …  Ik zal het in dit artikel vooral hebben over deze woelriek, die in de winkel ook nog eens guérilu heet, en die voor ons en onze grond het beste werkt.

Soorten en maten

Ik heb al meer dan tien uitvoeringen van de woelriek in mijn handen gehad, en met enkele daarvan heb ik ook al werkervaring. Hier zie je de collectie van Guy Augustijns:

Links bovenaan: het basismodel van de beginjaren van Velt. Rechts daarvan: de guérilu. Onderaan twee modellen van Roger Haeck uit Tielt.

Sommige exemplaren zijn heel zwaar –  om zware grond te kunnen bewerken, zeggen de makers, en/of omdat de tuinier zijn eigen woelvork zo heeft gelast. Ergonomie én robuustheid in één gereedschap: wat mij betreft is de guérilu het mooiste compromis tussen die twee – maar tuiniers met een heel lemige of kleiige grond lezen nu best even onderaan hoe ik met zware grond omga.

Gelakte modellen of roestvrije modellen: graag hoor ik je opinie hierover. Onze roestvrije guérilu blinkt na tien jaar zoals op de eerste dag.

Goed voor de grond, goed voor je rug…

Dit verkondigen we bij Velt al sinds 1974: met de woelriek geef je je grond een niet-kerende bewerking. De bouwvoor (pakweg de bovenste 25 cm) wordt er luchtig(er) van, en je haalt de onderste (anaërobe) lagen niet naar boven. Zo spaar je het bodemleven.

Je spaart ook je rug, gewrichte, spieren, … Als je aanneemt dat je belangrijkste gereedschap je eigen lijf is, kun je er maar beter goed voor zorgen. De guérilu bijvoorbeeld is ontworpen door een fysiotherapeut en een tuinier.

Akkoord, zo’n woelriek is een investering van pakweg € 115.00. Duurzaam, dat wel. Eén exemplaar gaat – bij goed gebruik en onderhoud – heel lang mee, en je kunt je woelriek natuurlijk delen met andere tuiniers. Ten slotte heb je dit apparaat maar één keer per jaar nodig.

Hoe gebruik ik de woelriek?

Dit eerste filmpje –  de eerste 14 seconden – toont hoe ik werk.

Deze man keert de kluiten meer om dan ik (0.48 tot 1.30): er zijn ook diverse werkwijzen, zoals je ziet.

En dan heb je nog dat soort tuiniers dat op het eind zeer on-ergonomisch heen-en-weer schudt. Ik schud daar mijn hoofd bij…

 

Waar gebruik ik onze woelriek niet of nauwelijks?

Thuis hebben we zandleem, lopen we nooit op de bedden, en komt er sinds 1993 telkens gewoon een laagje compost bovenop. In Tielt bewerken we sinds 1996 een stuk – oorspronkelijk loeizware klei: daar komt er elk jaar een laag reservaathooi op. Onze voorgangers hadden er enkele spadestelen op gebroken…

Beide percelen zijn door jarenlange goeie zorg humusrijk en rul. De woelriek hebben we er eigenlijk niet nodig; voor de bedden waar de wortelen komen, haal ik ‘m wel eens van stal, al zal het wellicht geen verschil maken.

De woelriek is volgens mij verder niet geschikt om woeste grond (vol kweekgraswortels, bijvoorbeeld) te ontginnen. Daarvoor zijn er andere, efficiënte technieken, zoals het afdekken met karton.

Waar en wanneer gebruik ik de woelriek dan wel?

Ten eerste: om te demonstreren aan beginnIMG_1842ende tuiniers hoe je met weinig moeite veel en gunstig effect kunt hebben. ‘Goed nieuws: vanaf nu spitten we niet meer!

Ten tweede: in de Theatuin – hier links op de foto. Da’s 500 m2 lemige, vochtige grond aan de andere kant van het dorp. Heel vruchtbaar, maar nogal moeilijk bereikbaar: alle vrachten moeten honderd meter met de kruiwagen afleggen eer ze dit lapje grond bereiken. Compost, hooi, houtsnippers,… aanvoeren is er logistiek dus niet erg evident. De woelriek bewijst er goede diensten: jaar na jaar wordt, met beetjes compost en door niet op de bedden te lopen, de grond wel beter.

Makkelijk, efficiënt

Met onze woelriek bewerk ik 100 m2 per uur, en de dag nadien heb ik in mijn schouders en armen hoogstens wat extra spiergevoel. Niks rugpijn, dus. Die echte ouwe Velt-tuiniers werken al meer dan 40 jaar met de woelriek, toch?

Ooit gaf ik, in een samentuin, de woelriek aan een rugpatiënte, die er ijverig – en voorzichtig – mee begon te werken. Na een half uur kwam haar partner erbij, verrast en eigenlijk boos: ‘Schatje, je weet toch dat je geen zwaar werk mag verrichten!‘ Zij had nergens last van (ook niet achteraf), en het bed lag er al mooi bij.

En als je dacht dat dit instrument enkel voor de hobbyist bedoeld was: er zijn ook (kleinschalige, echte) boeren, zoals bijvoorbeeld Les Jardins de la Grelinette, die steevast met de woelriek werken.

Natuur, permacultuur?

In de natuur komen er geen woelrieken voor – akkoord. Daar voeg ik aan toe: de natuur werkt normaal 100 jaar om een paar cm humus op te bouwen, en levert ons zeer vezelige, witte oerwortelen en bittere wilde sla. Ingrijpen doen we toch, hé. Ik beeld me soms in dat de woelriektanden fungeren als dikke dierlijke klauwen die de grond even optillen. Uitvergrote natuur dus, net zoals we vele centimeters compost aanbrengen, duimdikke wortelen en sappige sla kweken.

Uiteraard verstoort de woelriek het bodemleven, al is dat dan veel minder drastisch dan frees of spade. De eerst vrij solide bodem krijgt zo lucht en wat van de bovenste (mulch-/compost-)laag. Zo creëer je een zekere onrust, uiteraard, of anders gezegd: je vergroot het contactoppervlak (de randen) tussen aarde- en luchtlagen. John Jeavons schreef in zijn eerste boek (1972) al dat hij opmerkte dat de vruchtbaarste gronden bestonden uit licht verstoorde lagen. (En toen is hij gaan dubbelspitten, maar da’s voor zijn rekening).

Ik laat Meadow Farm nog even aan het woord:

The Meadow Creature® Broadfork is an ideal tool for Permaculture. It allows aeration of soil without disturbing soil layers

Mijn omgekeerde piramide

Ten eerste: voor de meeste bodems en percelen die ik ken, loont deze dubbele techniek het beste: mulch en compost aanbrengen, én enkel op de vaste paden lopen. Zo heb ik al in veel verschillende tuinen rulle grond gecreëerd, die vanzelf (door het bodemleven, ja) steeds ruller en beter wordt. Jawel, ook zware grond tem ik zo.  Geen geploeter, geen gesukkel!

Ten tweede: tijdelijk en plaatselijk gebruik ik de woelriek, waar de bodem nog niet optimaal is. Ja, en dat is die ene keer per jaar dat ik het bed betreed. Je zou ook vanaf de paden kunnen werken, hoor.

Ten derde: spitten is zo passé, onergomisch, onecologisch, …, maar kan wel eens dienen om grond te ontginnen, een boom of struik te planten, …

Nu jij

Ben je trots op een zelfgemaakt exemplaar? Heb je vragen, heb je zelf heel andere ervaringen? Ik verneem het graag!

 

 

 

 

 

Op een bedje van aardappelen

Waarom zou je aardappelen kweken?

Aardappelen zijn spotgoedkoop in de winkel, en in je tuin nemen ze al gauw veel te veel plaats in. Dus waarom zou je ze dan zelf kweken?

Misschien gewoon hierom: stel dat onze vanzelfsprekende, veel te goedkope voedselvoorziening in de komende jaren hapert. Wat gaan we dan eten? Droge voeding hamsteren helpt een tijdje, maar daarna zullen de jacht en de visvangst zullen bijster weinig opleveren in volgebouwd Vlaanderen. In The Resilient Gardener: Food Production and Self-Reliance in Uncertain Times houdt Carol Deppe onder meer een pleidooi voor de Solanum tuberosum, onze nederige patatten dus.

Of gewoon voor de smaak: uit blinde smaaktests is gebleken dat met compost gekweekte aardappelen gewoon lekkerder zijn dan klassiek bemeste aardappelen, en dat die terroir of teeltwijze meer doorweegt dan de raskeuze. Ga dus voor kwaliteit!

Frieslander en Robinta, pas geoogst
Frieslander en Robinta, pas geoogst

Hoe kweek je ze?

En ga meteen ook voor kwantiteit: aardappelen brengen meer koolhydraten per vierkante meter op dan om het even wat wij in Europa kunnen kweken. Ze bevatten evenveel eiwit (in de droge stof) als de meeste granen – alleen droge bonen doen nog beter. Ook hun gehalte aan vitamine C en mineralen is prachtig – ze zijn ook prima voor je lijn als je ze niet verzuipt in frituurolie of vettige sauzen.

Per calorie input (werk en compost, zeg maar) brengt de eenvoudige aardappel het meeste calorieën op. Iedere dummy kan een aardappel in de grond stoppen en er wat compost overheen strooien. Graan kweken is daarentegen verre van simpel.

De kunst bestaat er natuurlijk in om de gevreesde aardappelplaag te omzeilen. Klassieke landbouwers spuiten hun aardappelgewas tot 25 keer per groeiseizoen – de naam gifpieper is dan ook terecht voor dat soort knollen. Nu, helemaal ongelijk kan ik ze niet geven: Phytophthora infestans is immers een heel hardnekkige schadelijke schimmel op aardappel (en tomaat), en die wordt juist door dat gifspuiten elk jaar nog wat weerbarstiger.

Hoe gaan we dan wel ecologische en dus gezonde patatjes kweken? Voorkomen is ook hier beter dan genezen:

  • Kweek eens resistente aardappelrassen: Sarpo Mira, Carolus, Bionica, Connect… Het is wel een beetje zoeken naar plantgoed hiervan. Een heel officieuze tip: haal bij je bioboer bovenstaande (of andere) rassen als eetaardappel, en planten maar!
  • sarpo una in september (1)
    Sarpo Una in september: het loof is nog frisgroen en blijft maar groeien.
  • Kweek vooral geen Bintjes, want die zijn supergevoelig voor Phytophthora en nog een paar andere kwaaie ziekten. Een flinke deuk voor hun culinaire faam, dus. Weet je overigens dat dit ras 100 jaar geleden maar heel koel onthaald werd door de koks?
  • Biodiversiteit: kweek vooral veel verschillende rassen. Je hoeft niet van elk ras een are te zetten als je wat plantgoed uitwisselt met tuinvrienden. Die variatie zal trouwens nog van pas komen in de keuken.
  • Kiem je plantaardappelen goed voor: zo krijgen ze een voorsprong. Gewoon omstreeks half maart al je potertjes in eierkartons leggen, één per hokje, en dat op kamertemperatuur.
  • Wisselteelt, dat moet: plant je aardappelen niet vaker dan eens in de vier jaar op hetzelfde perceel. Anders kunnen aaltjes massaal toenemen, met aardappelmoeheid tot gevolg
  • Zorg voor ruime plant- en rijafstanden: zo kan het loof tijdig opdrogen;
  • Geef je aardappelen niet te veel stikstof want dat geeft veel en teer blad, en daar zijn onder meer schimmels tuk op. De klassieke tuinier is kwistig met ondergespitte mest – wees zelf matig en zuinig met compost die je over je pas geplante pootaardappelen strooit. Wat vinasse of patentkali erbij zorgt overigens voor een goede aanbreng van kalium: goed voor de knolvorming en –kwaliteit!
  • Versterk je planten door om de paar weken met basaltmeel of lavameel te stuiven, of door heermoesaftreksel te spuiten.
  • Wees lui en aard je planten eens niet aan: strooi gewoon de hele zomer na iedere maaibeurt een dun laagje gazonmaaisel over je rijen heen – idem met fijn haagsnoeisel. De talrijke pieren maken hiervan dan wormenmest: de beste voeding voor aardappelen!
  • Het aangetaste aardappelloof tijdig afmaaien kan het doorgroeien van de schimmel tot in de knol voor de oogst afremmen.

Bewaren om langer te genieten

Sarpo Mira: laat,  superresistent en -productief
Sarpo Mira: laat, superresistent en -productief

Zorg vanaf november voor een bewaarplek tussen 8 en 12 °C  – dat is het moeilijkste aan heel de bewaarklus. Controleer met een thermometer: meten is weten. Bewaar aardappelen ook donker (om groenvorming te vermijden) en luchtig (tegen mogelijke schimmels).

Aardappelen ademen, zweten en verbranden calorieën! Tot pakweg november maken ze wel een natuurlijke periode van rust door en ademen dan zeer weinig.

Controleer een paar keer op rotte exemplaren: die kunnen door de aardappelziekte zijn aangetast en snel de rest aansteken.

Na de rustperiode gaat de knol, boven 10°C, meer ademen en heeft hij de neiging om scheuten te vormen. De knol verschrompelt, de schil wordt rimpelig.

Aardappelen mag je ook niet bij te lage temperatuur bewaren. Onder  8°C neemt het suikergehalte immers sterk toe en daardoor ook het acrylamidegehalte als ze worden gebakken of gefrituurd.  Acrylamide is schadelijk voor onze gezondheid.

Vanaf januari moet je regelmatig scheuten verwijderen.  Chemische – kankerverwekkende! – kiemremmers raden we ten stelligste af!

Even logisch is dat je je vroege rassen eerst en je late rassen laatst opeet: hoe vroeger het ras, hoe sneller het scheuten maakt.

Luchtige bakken – in je kelder of zo –  zijn beter dan aardappelzakken: die dienen in principe enkel voor het vervoer en voor korte bewaring.

De aardappeleters

Van linksachter met de klok mee; Laura, Truffelaardappel, Bionica, twee dochters van Sarpo Mira x Vitelotte Grande, Corne de Gatte, Bleue d'Auvergne (3)
Van linksachter met de klok mee; Laura, Truffelaardappel, Bionica, twee dochters van Sarpo Mira x Vitelotte Grande, Corne de Gatte, Bleue d’Auvergne

Op http://www.20potatoesaday.com/ getuigt ene Chris Voight over die twee maanden lang dat hij bijna uitsluitend aardappelen at: eenzijdig, Amerikaans, maar toch gezond en goedkoop – en, meegenomen: hij viel af.

Alleen maar aardappel eten is natuurlijk eenzijdig, maar als de nood aan de man komt, heb je aan aardappel, (geiten-)melk en wat groente een volwaardige voeding. Het is trouwens op dit dieet dat de doodarme Ierse boerenbevolking tussen 1779 and 1841 toenam van 5.7 miljoen tot maar liefst 8.2 miljoen. Daarna volgde de grote aardappelplaag, vooral omdat de boertjes slechts een paar productieve rassen teelden, en dan nog in monocultuur

Pas die (bio)diversiteit ook eens in je keuken toe! Wie enkel fletse, afgekookte knollen kent, moet maar eens de volgende heerlijkheden proberen:

  • Krielaardappelen in de schil gestoomd, met een pittig yoghurtdipsausje
  • Simpele puree, maar dan met karnemelk en een greep verse fijngehakte tuinkruiden;
  • Vitelotte is een lust voor het oog met zijn paarse vruchtvlees; Mayan Gold is dan weer gewoon geel, maar je stoomt dit ras in amper 10 minuten bloemig gaar; er zijn zelfs rassen met paars of roze vlees van binnen; Pink Fir Apple ziet eruit als een smalle aardpeer, en smaakt naar noten; …
  • Mijn favoriete recept: Sarpo Mira (of om het even welke aardappel) in blokjes snijden, en dan met wat knoflook en Provençaalse kruiden in hete olijfolie gaarstoven. Of in de oven. Hmm!

 

 

 

%d bloggers liken dit: