Hoe efficiënt is je tuin?

Wat brengt je tuin op?

Vaststelling nummer één: de modale Vlaamse tuin kost handenvol (fossiele en spier-)energie maar brengt geen gram eten op. Gazon, terras, een paar sierstruiken: mag het even, zul je me vragen. De oorlog ligt toch al lang achter ons, een krop industriesla kost amper enkele centen, hé.

Opbrengst? Tja, wat brengt een tuin allemaal voort?

  • Mag ons tuintje ook niet gewoon dienen als kijksalon, barbecueplek en sjotpleintje? Tuurlijk: als langdurige tuinier ben ik de eerste om tuinplezier te stellen boven pure in- en output.
  • Werken in de tuin levert gezonde in- en ontspanning, zeggen studies.
  • Werk, ja! Één are moestuin vraagt, op jaarbasis en heel gemiddeld genomen voor gemiddelde moestuiniers, één uur per dag werk. Je werkt dan best bijna dagelijks even in je tuin tijdens de piekmaanden (vooral april tot juni): om de maand grote wiedrazzia houden is niet goed voor je tuin en je rug! Door te mulchen en andere slimme technieken toe te passen kun je deze input makkelijk halveren, hoor.
  • Biodiversiteit zou je wel kunnen tellen: hoeveel soorten vlinders, spinnen, enzovoort herbergt je tuin? Een bezoeker vertelde me trots dat hij ringslangen ‘heeft’ in zijn tuin; zelf vond ik eens een alpenwatersalamander in het Tieltse veld: tegen dat wow-gevoel kan niks op!
  • De ultieme meetbare opbrengst is die aan calorieën: eten, dus. Tip: aardappelen scoren in ons klimaat heel hoog qua opbrengst – dat schrijf ik elders. Als er een dappere tuinier eens wil eens bijhouden wat haar/zijn tuin aan calorieën opbrengt – en ook verbruikt, dan hoor ik dat wel graag. Met andere woorden: wat zou jouw tuin-EPC zijn? Zelf begin ik wijselijk niet aan deze rekenoefening: ik tuinier liever dan dat ik excelbestanden zit te vullen…

Wat leert ons de geschiedenis over energie-efficiënt omgaan met voedsel?

Het kan je verbazen, maar zogezegd primitieve jagers-verzamelaars gebruiken amper 1 calorie om er 10 te winnen. Ze hebben namelijk heel veel terreinkennis en overlevingsvaardigheden, en weten gewoon wanneer de noten vallen, hoe ze hagedissen moeten vangen enzovoort. Voorraden leggen deze nomaden niet of nauwelijks aan: ze volgen de seizoenen, het wild, de oogst – en dus lijden ze wel eens honger. Met zoveel zijn die natuurvolkeren niet meer, maar dat ligt niet aan hen.

Tienduizend jaar geleden dan begon de mens landbouw te bedrijven. In de oorspronkelijke versie, met menselijke of dierlijke tractie, stopt de boer ongeveer 1 calorie in zijn bedrijf om er 1 uit te halen. Hou hier al rekening mee als je zelf je voedsel wilt verbouwen, beste lezer! In die traditionele boerenmaatschappij, tot pakweg 1900, kwamen misoogsten hard aan. De eerste grote aardappelplaag, eind de jaren 1840, eiste miljoenen levens van Ierland tot ver op ons vasteland.

Het petroleumtijdperk, van 1900 tot nu toe, heeft de wereldbevolking doen exploderen. Tegenwoordig verbruiken we gemiddeld tien – voornamelijk fossiele – calorieën om er 1 calorie aan eten mee te produceren. Kunstmest, tractoren, wereldwijd vervoer: ze zijn zo onvermijdelijk dat de Amerikaanse voedseljournalist Michael Pollan stelt dat ons eten vooral uit olie bestaat. Onze maatschappij zou dus – volgens mij – veel efficiënter zijn als we gewoon dagelijks ons half litertje ruwe olie zouden drinken – zonder al die omwegen dus.

Sterker nog: in een wereld waar efficiëntie zogezegd primeert, vind je Ierse boter in Oostenrijkse supermarkten en andersom. Zouden die vrachtwagenchauffeurs mekaar halverwege soms ontmoeten? Keniase boontjes, Chileense bio-appels, Braziliaanse verse kippen, …: de wereldmarkt gooit ze tegen belachelijke prijzen op je bord, en hoe hard moet je je best doen om als zelfvoorziener tegen die consumptiestroom in te roeien?

Voor en na het petroleumtijdperk.

Zou onze tuin – na de oliepiek – kunnen functioneren met minder of zelfs zonder fossiele brandstof? Sjonge: lastige vraag, want net als elke andere moestuinier hangen wij af van aangevoerde voeding. Alle planten verbruiken immers stikstof, fosfor, kalium, magnesium en kalk – plus nog een handvol sporenelementen – en die moeten ergens vandaan komen. Aanvoer dus, want onze kringloop is helaas niet gesloten.

Heel veel tuiniers kopen compost aan; ik doe dat zo min mogelijk omdat ik het composteerproces maximaal wil benutten – over die broeihoop schrijf ik elders. Daarom dus sleur ik massaal composteerbare materialen aan. Buurman Marc levert graag en gratis paardenmest (zoveel als ik wil); Natuurpunt Aarschot is gul met verse houtsnippers (jaarlijks zo’n kuub of 4 of 5) van een beheerswerkdag; van enkele buren krijg ik af en toe een paar zakken vol vers grasmaaisel; op het veld in Tielt brengt een brave reservaatbeheerder jaarlijks reusachtige balen maaisel aan; … Ik ben er trots op dat ik al die materialen (zo goed als) gratis vast kan krijgen: het heeft wel enkele jaren geduurd eer ik de juiste personen op de juiste manier aansprak…

Al deze ingrediënten kosten vanzelfsprekend heel wat fossiele brandstof eer ze bij mij komen: hoe lang zal ik nog (bijna) gratis over deze lokale maar energie-intensieve bronnen kunnen beschikken?.

Al die bronnen zullen in post-petroleumtijden – dat is een kwestie van enkele jaren, zeker? – opdrogen, dat staat vast. Hoe zal ik dan biomassa vinden om mijn planten te voeden om mijn gezin te voeden?

Één alternatief, las ik ergens, bestaat erin dat je de helft van je perceel vol luzerne en smeerwortel zet. Die twee planten wortelen immers heel diep en ze produceren – zeker in combinatie met mekaar – jaren na mekaar massa’s groen dat je kunt blijven snijden.

Smeerwortel bloeit sierlijk.
Smeerwortel bloeit sierlijk.

Prima gratis materiaal om mee te mulchen en te composteren, dus. In Engelstalige permacultuurboeken horen die twee planten tot de dynamic accumulators. In het Nederlands zou ik die opslagplanten of doorlevende groenbemesters noemen. Dat zijn (een hele reeks) planten die zonder moeite uit de grond veel voedingsstoffen oppompen, die je dan kunt inzetten voor je voedingsgewassen.

Voor wie al die theorie moeilijk vindt: gras, paardenbloem en klaver zijn ook van die vanzelf groeiende opslagplanten. Meer heb je niet nodig om zelf wat konijnen te kweken: ook al zo’n pre- (en post-) industriële zelfvoorzieningsmethode.

Advertenties

Aardappelen in de transitietuin

Stel dat onze voedselvoorziening in de komende jaren hapert. Je hoeft geen doemdenker of gespecialiseerde wetenschapper te zijn om in te zien dat die kans vrij groot is. Bijvoorbeeld: petroleum (bijgevolg ook transport en ongeveer alles) wordt ontiegelijk duur; ons klimaat doet een beetje raar; banken vallen als dominostenen. Voedselrellen zijn voorlopig ver van ons bed, denken we dan…

Wat gaan we dan eten? Droge voeding hamsteren helpt een tijdje, maar daarna zullen de jacht en de visvangst zullen bijster weinig opleveren in volgebouwd Vlaanderen.
In The Resilient Gardener: Food Production and Self-Reliance in Uncertain Times houdt Carol Deppe onder meer een pleidooi voor de Solanum tuberosum, onze nederige patatten dus. Ik ben het met haar eens: laten we (meer) aardappelen kweken!

Van linksachter met de klok mee; Laura, Truffelaardappel, Bionica, twee dochters van Sarpo Mira x Vitelotte Grande, Corne de Gatte, Bleue d'Auvergne
Van linksachter met de klok mee; Laura, Truffelaardappel, Bionica, twee dochters van Sarpo Mira x Vitelotte Grande, Corne de Gatte, Bleue d’Auvergne

Hoe kweek je ze?

Aardappelen zijn namelijk om te beginnen heel productief en gemakkelijk. Ze brengen meer koolhydraten per vierkante meter op dan om het even wat wij in Europa kunnen kweken. Ze bevatten evenveel eiwit (in de droge stof) als de meeste granen – alleen droge bonen doen nog beter. Ook hun gehalte aan vitamine C en mineralen is prachtig – ze zijn ook prima voor je lijn als je ze niet verzuipt in frituurolie of vettige sauzen.

Per calorie input (werk en mest, zeg maar) brengt de eenvoudige aardappel het meeste calorieën op. Iedere dummy kan een aardappel in de grond stoppen en er wat compost overheen strooien. Graan kweken is daarentegen verre van simpel.

De kunst bestaat er natuurlijk in om de gevreesde aardappelplaag te omzeilen. Klassieke landbouwers spuiten hun aardappelgewas tot 25 keer per groeiseizoen – de naam gifpieper is dan ook terecht voor dat soort knollen. Nu, helemaal ongelijk kan ik ze niet geven: Phytophthora infestans is immers een heel hardnekkige schadelijke schimmel op aardappel (en tomaat), en die wordt juist door dat gifspuiten elk jaar nog wat weerbarstiger.

Hoe gaan we dan wel ecologische en dus gezonde patatjes kweken? Voorkomen is ook hier beter dan genezen:

  • Kweek eens resistente aardappelrassen: (Sarpo) Mira, Bionica, Toluca, … Het is wel een beetje zoeken naar plantgoed hiervan. Een heel officieuze tip: haal bij je bioboer bovenstaande (of andere) rassen als eetaardappel, en planten maar!
  • Kweek vooral geen Bintjes, want die zijn supergevoelig voor Phytophthora en nog een paar andere kwaaie ziekten. Een flinke deuk voor hun culinaire faam, dus. Weet je overigens dat dit ras 100 jaar geleden maar heel koel onthaald werd door de koks?
  • Biodiversiteit: kweek vooral veel verschillende rassen. Je hoeft niet van elk ras een are te zetten als je wat plantgoed uitwisselt met tuinvrienden. Die variatie zal trouwens nog van pas komen in de keuken.
  • Kiem je plantaardappelen goed voor: zo krijgen ze een voorsprong. Gewoon in maart al je potertjes in eierkartons leggen, één per hokje, en dat op kamertemperatuur.
  • Wisselteelt rendeert: plant je aardappelen niet vaker dan eens in de vier jaar op hetzelfde perceel.
  • Zorg voor ruime plant- en rijafstanden: zo kan het loof tijdig opdrogen;
  • Geef je aardappelen niet te veel stikstof want dat geeft veel en teer blad, en daar zijn onder meer schimmels tuk op. De klassieke tuinier is kwistig met ondergespitte mest – wees zelf matig en zuinig met compost die je over je pas geplante pootaardappelen strooit. Wat vinasse of patentkali erbij zorgt overigens voor een goede aanbreng van kalium: goed voor de knolvorming en –kwaliteit!
  • Versterk je planten door om de paar weken met basaltmeel of lavameel te stuiven, of door heermoesaftreksel te spuiten.
  • Wees lui en aard je planten niet aan: strooi gewoon de hele zomer na iedere maaibeurt een dun laagje gazonmaaisel over je rijen heen – idem met fijn haagsnoeisel. De talrijke pieren maken hiervan dan wormenmest: de beste voeding voor aardappelen!
  • Het aangetaste aardappelloof tijdig afmaaien kan het doorgroeien van de schimmel tot in de knol voor de oogst afremmen.
    Sarpo Una in september: het loof is nog frisgroen en blijft maar groeien.
    Sarpo Una in september: het loof is nog frisgroen en blijft maar groeien.

    Bewaren om langer te genieten

    Zorg vanaf november voor een bewaarplek tussen 8 en 12 °C  – dat is het moeilijkste aan heel de bewaarklus. Controleer met een thermometer: meten is weten. Bewaar aardappelen ook donker (om groenvorming te vermijden) en luchtig (tegen mogelijke schimmels).

    Aardappelen ademen, zweten en verbranden calorieën! Tot pakweg november maken ze wel een natuurlijke periode van rust door en ademen dan zeer weinig.

    Controleer een paar keer op rotte exemplaren: die kunnen door de aardappelziekte zijn aangetast en snel de rest aansteken.

    Na de rustperiode gaat de knol, boven 10°C, meer ademen en heeft hij de neiging om scheuten te vormen. De knol verschrompelt, de schil wordt rimpelig.

    Aardappelen mag je ook niet bij te lage temperatuur bewaren. Onder  8°C neemt het suikergehalte immers sterk toe en daardoor ook het acrylamidegehalte als ze worden gebakken of gefrituurd.  Acrylamide is schadelijk voor onze gezondheid.

    Vanaf januari moet je regelmatig scheuten verwijderen.  Chemische – kankerverwekkende! – kiemremmers raden we ten stelligste af!

    Even logisch is dat je je vroege rassen eerst en je late rassen laatst opeet: hoe vroeger het ras, hoe sneller het scheuten maakt.

    Luchtige bakken – in je kelder of zo –  zijn beter dan aardappelzakken: die dienen in principe enkel voor het vervoer en voor korte bewaring.

    De aardappeleters

    Op http://www.20potatoesaday.com/ getuigt ene Chris Voight over die twee maanden lang dat hij bijna uitsluitend aardappelen at: eenzijdig, Amerikaans, maar toch gezond en goedkoop – en, meegenomen: hij viel af.

    Alleen maar aardappel eten is natuurlijk eenzijdig, maar als de nood aan de man komt, heb je aan aardappel, (geiten-)melk en wat groente een volwaardige voeding. Het is trouwens op dit dieet dat de doodarme Ierse boerenbevolking tussen 1779 and 1841 toenam van 5.7 miljoen tot maar liefst 8.2 miljoen. Daarna volgde de grote aardappelplaag, vooral omdat de boertjes slechts een paar productieve rassen teelden, en dan nog in monocultuur

    Pas die (bio)diversiteit ook eens in je keuken toe! Wie enkel fletse, afgekookte knollen kent, moet maar eens de volgende heerlijkheden proberen:

    • Krielaardappelen in de schil gestoomd, met een pittig yoghurtdipsausje
    • Simpele puree, maar dan met karnemelk en een greep verse fijngehakte tuinkruiden;
    • Vitelotte is een lust voor het oog met zijn paarse vruchtvlees; Mayan Gold is dan weer gewoon geel, maar je stoomt dit ras in amper 10 minuten bloemig gaar; er zijn zelfs rassen met paars of roze vlees van binnen; Pink Fir Apple ziet eruit als een smalle aardpeer, en smaakt naar noten; …
    • Mijn favoriete recept: Sarpo Mira (of om het even welke aardappel) in blokjes snijden, en dan met wat knoflook en Provençaalse kruiden in hete olijfolie gaarstoven. Hmm!

Tomaten: zelf kweken, lekker eten

Ik lust geen tomaten: uit de winkel en buiten het seizoen!

Ik ga in dit artikel stevig in op dé groente die iedereen lust en zo graag zelf zou kweken. Er zijn wel duizenden rassen, en wij kweken vooral de lekkerste. Wil je proeven? Kijk dan al onderaan deze pagina.

Vanaf  10 juni tot het vriest, is het hier dagelijks tomatenproeverij.

rhoades family heirloom
Rhoades Family Heirloom: een oud ras, met matige productie van heerlijk smakende vlees-/harttomaten.

Als je voor het eerst tomaten kweekt, zul het je wel vreemd vinden dat zelfgekweekte tomaten één voor één, vanaf de stam, rood kleuren. Niet in een hele tros dus, zoals je ze in de winkel vindt. Hebben die beroepstelers dan bijzondere rassen, waarbij de eerste en de tiende tomaat aan dezelfde tros even rood rijpen? Deels wel, maar professionele trostomaten krijgen meestal een portie ethyleen of zoiets over zich heen, zodat ze allemaal in één keer rood en plukklaar worden. Wij, amateurs, kunnen onze tomaatjes rustig op volle smaak laten komen. Vanaf de stam, van boven tot onder, één na één. Let er maar eens op: elke dag – bij heet weer – of om de twee dagen kun je van dezelfde tros de rijpste vrucht plukken.

Hou je tomatenplanten droog!

Eigenlijk zou je je serre de hele zomer in twee compartimenten moeten splitsen. Ik doe dat, omdat sommige subtropische groenten uit vochtige streken komen en andere uit drogere klimaten. De komkommers en aubergines op onze oude broeihoop genieten dus van een matig vochtige bodem aan hun voeten en dito lucht om hun bladeren. Te droge serrelucht moedigt spintmijten aan om het komkommer- en auberginegebladerte aan te vallen.

Anderzijds zijn onze tomatenplanten eigenlijk gebaat bij een drogere omgeving. Hoe meer vocht boven- en ondergronds, hoe gevoeliger ze worden voor diverse schimmels.

De serre staat vanaf half juni tot minstens half september constant met voor- en achterdeur open: een eenvoudig middel om de witte vlieg en de meeste schimmels weg te houden. Hieronder lees je overigens meer over de gevreesde tomatenziekte en wat ertegen te doen.

Tussen de tomaten ligt hooi of zo – een dikke laag, dat vooral.

Tomaten in het stro en zo

Tussen onze snel groeiende tomatenplanten strooi ik elk jaar maaisel van brandnetels, smeerwortel, of andere grote planten die ergens in de weg staan. Vaak komt daar nog een extra laagje reservaathooi bovenop.

De voordelen van al dat serrestrooisel zijn legio:

    • Vooral onze kater ligt in de zomer graag in al dat warme hooi;
    • Het is aangenaam werken en plukken;
    • Als er eens een tomaat valt, ligt die meteen heel zacht;
    • We hebben geen onkruid;
    • De mulchlaag houdt het vocht lang vast: daardoor volstaat een maandelijkse (!) watergift, en die is dan meteen 10 liter per m2;
    • Het bodemleven vermenigvuldigt zich vlot: we hebben veel pieren!
    • Het is gewoon een leuke opslagplaats voor hooi en andere droge planten: af en toe halen we er wat uit om in ons kippenhok vers strooisel te hebben.
    • Op het eind van het seizoen hark ik alle mulch uit te serre, en die kan dan nog de tuin op, of in een composthoop, of…

Tomaat: één uur werk per week…

In de serre staan nu veertig tomatenrassen, telkens door één plant vertegenwoordigd. Elk ras heeft zijn eigen manier van produceren, ziektegevoeligheid, smaak, verwerkingsmogelijkheden, … Ik noteer de nodige gegevens, als basis voor  mijn rassenkeuze volgende winter.

Sommige tomatenplanten vallen in de loop van de zomer helemaal door de mand, wegens niet lekker, veel te gevoelig voor ziektes of niet productief genoeg. De ergste gevallen ruk ik gewoon uit de grond: zo krijgen de buurplanten meteen wat meer plaats. Wijkers en blijvers, noem ik dat.

Één dag per week werk ik twee keer een half uur in de tomatenplantage. ’s Morgens pluk ik de onderste bladeren, en verwijder ik de ongewenste dieven.
Vroeger plukte ik enkel de verdorde tomatenbladeren, maar ooit vertelde Paul Renders (ex-beroepsteler) me dat  een tomatenplant aan 15 à 17 bladeren genoeg heeft om goed vrucht te zetten. Hoe meer blad je plukt, hoe beter de luchtcirculatie en hoe minder ziektes en plagen, zegt hij nog. Ik tel sindsdien dus elke zomer tomatenbladeren…

Overigens is de ochtend het beste moment om blad te plukken: de planten zitten vol sap, en door die turgor (zo heet dat) breken de bladeren beter af. Ook kan het gewas nog goed opdrogen na deze ingreep. Opbinden is dan weer een half uur werk ’s avonds. De wat slappere tomatenplanten hebben al de hele dag water verdampt, en laten zich nu makkelijker om het touw draaien.

… maar kilo’s en kilo’s vruchten!

De tomatenjungle hangt de hele zomer vol eetbare diversiteit. Iedere dag is het hier tomatenproeverij, en het mooie is dat er voor elk wat wils is. Mijn gezinsleden weten welke rassen ze het lekkerst vinden! Enkele weken lang piekt de productie ver boven wat wij kunnen verwerken, maar familie en vrienden zijn al jaren geabonneerd op onze overschotten.

Zelf tomaten telen heeft het voordeel dat ik ze zo rijp kan plukken als ik wil. Niet op kleur, maar op smaak plukken is namelijk de kunst. Het verschil tussen een rode, maar onrijpe tomaat en een volrijpe, even rode tomaat zit binnenin: daar zet een rijpingsenzym het zetmeel om tot enkelvoudige suikers, en dat proef je dus. Vooral vleestomaten worden door dit rijpingsproces ook een tikkeltje malser: wijlen mijn kleurenblinde tomatenvriend kon feilloos voelen wanneer zijn dikke tomaten rijp waren. Bij de meeste kleinere rassen speelt nog een ander rijpingsfenomeen mee: hun vruchten laten het steeltje vlot los als ik ze met zachte hand probeer te plukken.

Ook romatomaten pluk ik op dit gevoel: enkel de rijpste vruchten mogen naar de keuken. Van dit type kan ik elk jaar een flinke voorraad inmaken: ik kook enkele kilo’s roma’s, mix ze fijn en een giet de hete brij in bokalen. Schroefdeksel erop, omdraaien, en klaar. Deze gepasteuriseerde passata zal later als prima basis voor tomatensoep of –saus dienen.

Het verschil tussen al die tomatenrassen wordt steeds duidelijker naarmate het seizoen vordert:

      • De afvallers: sommige heb ik, samen met wat van mijn grijzende haren, reeds in volle zomer uitgerukt;
      • Het peloton: daar komt wat sleet op – zo noem ik al die schimmelziektes. Uiteindelijk zullen ze helemaal stilvallen;
      • De kopgroep der volhouders: alsof er niets aan de hand is, groeien, bloeien en rijpen deze dapperen tot de eerste nachtvorst ze velt.

Waarom kweek ik dan niet enkel rassen van dit laatste type? Tja, ik heb hiervan nog maar enkele rassen, namelijk Sungold F1(een geel kerstomaatje), Black Cherry (wat denk je?) en Juliet F1(een kleine romatomaat), plus een paar eigen kruisingen daartussen. Zolang ik al die andere smaken en vormen even graag teel, kweek ik natuurlijk met plezier ook al die rassen die het wat sneller opgeven.

Zelf tomatenhybriden maken?

Alsof er nog niet genoeg tomatenrassen zijn, maak ik graag zelf al enkele mijn eigen hybride tomaten. Ach, veel werk is dat niet – ik praat er meer over dan dat ik het doe – en voor mij heeft dat spelen met tomatengenen alleen maar lekkere voordelen. Trouwens: als ik nog tien keer meer plaats had, zou ik tien keer meer tomatenhybriden en –rassen willen maken…

Hoe doe ik dat?

        • Twee interessante rassen uitzoeken. Eind augustus kan ik die prima evalueren (zie boven). Je kunt alle kanten op: zo nam ik eens twee heel productieve, goed gelijkende romarassen, die ik tot mijn eigen romahybride combineerde. Of: zo’n pittig zoet, felgroeiend kerstomatenras met een forse, zoetsmakende vleestomaat; resultaat: middelgrote vruchten (uiteraard) met een schitterende smaak en dito opbrengst.
        • Ik dek, zowel bij de uitverkoren moeder- als vaderplant, een trosje af met wat gaas, of gewoon een nylonkous. Zo kunnen hommels en zo geen vreemd stuifmeel binnenbrengen.
        • Dan kies ik een moederbloemetje dat pas geopend is, en verwijder, met een pincet, alle meeldraden. Zo blijft de stamper eenzaam en onbestoven in het midden staan. Oefening en een vaste hand baren kunst!
        • Van de vaderplant pluk ik een bloem waar veel stuifmeel in zit, en strijk dat voorzichtig over de stamper van de moederbloem. Bevrucht!
        • Een labeltje aan de bestoven bloem is onmisbaar om later de rijpe vrucht met het bijzondere zaad terug te vinden.

          harub f1
          Als je Russian Black kruist met Black Cherry, krijg je dit leuke resultaat.

Waarom maak ik mijn eigen hybriden?

      • Oorspronkelijk gewoon voor de lol: wat zou de kruising van ras X en ras Y geven? Uiteraard combineerde ik dan twee van mijn lekkerste en productiefste rassen, en had ik hoge verwachtingen naar dat kruisingsproduct toe.
      • Die hybride, F1 genoemd omdat het de eerste generatie is in deze kruising, vertoont heel leuke eigenschappen: extra groeikracht, productie en – met wat geluk – weerstand. Voor die interessante eigenschappen zijn diverse theorieën, die mij te lang en te moeilijk zijn om hier uit te leggen.
      • Commerciële F1’s zijn op de koop toe nog eens mooi uniform, omdat ze uit extra ingeteelde ouderlijnen worden gekruist. Daardoor zijn deze hybriden extra voorspelbaar: ideaal voor efficiënte bedrijfsvoering, dat wel.
      • Ik, als gepassioneerde liefhebber, kruis echter meestal gewoon twee bestaande rassen, die niet zover ingeteeld zijn en dus meer variatie vertonen. Mijn amateurhybriden behouden hierdoor een vrij brede genetische basis, waardoor twintig planten van mijn eigen F1 toch nog elk hun eigen manier van groei en vruchtzetting hebben. Weer meer spreiding van de oogst, een breder smakenpalet én wellicht een variabele ziekteresistentie: daar ga ik voor!
      • Hybridezaden zijn duur, en de commercie heeft er ook meestal een patent op genomen: wat wij zelf maken, is daarentegen lekker gratis!
      • Wie wil, kan dan zaad van haar/zijn F1 nemen en weer uitzaaien: de volgende generatie, F2 genoemd, zal het jaar erop een ongelofelijke diversiteit tentoonspreiden, waarin je alle mogelijke combinaties van de oorspronkelijke ouders herkent. Hieruit kun je dan één of meer interessante types selecteren. Nog enkele jaren verder kweken (van F3 tot ongeveer F8) en dan heb je een eigen zaadvast ras, dat je bijvoorbeeld naar je liefste kunt noemen.
      • Gek? Over de hele wereld, maar vooral in de USA, zijn er van die bevlogen amateurs bezig met het scheppen van hun eigen rassen; vooral tomaat, ja, maar ook zoveel andere groenten en vruchten. Deze creatieve hobby heeft ook dit voordeel: je kunt je misbaksels gewoon … opeten!

Opbinden en dieven.

De meeste serreplanten hebben een behoorlijk steuntje nodig. Vier verzinkte bovendraden, over de hele lengte aan het serredak bevestigd, vormen de leidraad en vergemakkelijken het opbinden. Daaraan knoop ik de verticale steundraad voor elke plant. Ik werk met stevig jutetouw, dat een heel seizoen de planten goed zal steunen, en dat het jaar daarna nog een tweede leven als opbindtouwtjes voor buitenplanten zal krijgen.

Onze tomatenplanten staan volop in een voedselrijk, verterend milieu. Twee weken na het uitplanten – dus ongeveer in de derde week van mei – zijn ze groot genoeg om aan te binden, en voor het eerst te dieven.

Niet alle rassen dief ik op dezelfde manier. Als ik één klassieke stam aanhoud, is dat meestal om plaats te sparen. Zo kan ik méér rassen in de serre planten.
Vaak hou ik echter twee tot vier stengels aan: dat doe ik door één of meer flinke dieven gewoon te laten staan en ook op te binden. Het grote voordeel is dat ik zo meer plantmassa en  meer vruchten van één plantje krijg: meer waar voor mijn geld, zeg maar.

Waarom niet iedereen dat dan doet? Ik som enkele bezwaren en risico’s op, plus mijn antwoord:

      • Dat wordt me daar een jungle. In ons vochtig klimaat gaat zo’n wirwar van takken en gebladerte wel gauw vol schimmels zitten. Wees gerust: ik bind mijn tweede (en derde, …) tak met een ruime afstand op tegenover de hoofdtak. Daarnaast neem ik de hele zomer de normale biologische voorzorgsmaatregelen tegen ziektes: zie onderaan dit artikel. Ook houd ik elke rank netjes: ik verwijder de hele zomer overbodige dieven en bladeren.
      • Je put de plant uit, of: je wortelgestel kan zo’n (drie-)dubbele plant niet dragen. Klopt niet, als je, zoals ik, zorgt voor een massale aanvoer van verterend materiaal. Het wortelstelsel ontwikkelt zich even groot als de bovengrondse delen, en gaat trouwens ook heel diep.
      • Je vleestomaten worden nooit zo dik als de mijne. De onze hoeven geen halve of hele kilo’s te wegen – maar dat doen ze vaak wel. Verder gaat het mij niet om de dikste, maar om de lekkerste vruchten; en als we die met emmers tegelijk kunnen plukken, dan werkt dit systeem blijkbaar.

Bovenstaande teeltsuggesties gelden in principe voor alle rankende tomaten. Daarnaast zijn er ook superlage en -vroege zusjes, die ongesnoeid vrucht zetten. Onbekend, maar je kent toch ook  struik- en staakbonen?

Spurttomaten

In 2006 kweekte en observeerde ik zo een dertigtal extravroege lage tomatenrassen, die ik onbeschut buiten plantte. Heel veel van die rassen werden ontwikkeld voor serreteelt in Alaska, Groenland of Siberië. Dat zijn natuurlijk streken waar je niet spontaan tomaat gaat kweken, maar bevlogen professionele zaadveredelaars vonden het een hele uitdaging om tomaat en andere tropische gewassen te selecteren voor hun klimaat. Die kweekprogramma’s beleefden hun hoogdagen tussen 1900 en 1950: sindsdien is het economisch interessanter om tomaten uit warmere streken aan te voeren. Wat kost petroleum nu eenmaal?

Dankzij de ijver van die veredelaars beschikken we nu over tientallen echte sprintvariëteiten. Die leggen, in plaats van fatsoenlijke stengels en bladeren, bijna meteen bloemknoppen aan. Lage temperaturen zijn daarbij blijkbaar geen bezwaar: ook weer een gevolg van bewuste selectie.

Deze snelle jongens komen amper tot aan je enkels, en zullen dan ook niet zoveel opbrengen als hun hoog rankende verwanten. Maar met wat geluk blijven ze alle ziektes voor, en eet je in volle zomer een hele waaier aan zorgeloze tomaten. Dieven of opbinden hoeven immers ook helemaal niet; enkel mulchen met stro om de vruchten van de grond af te houden.

Je moet wat geluk hebben met de zomer, dat wel. Juli, warm en droog, is ideaal voor prima vruchtzetting en smaak, zodat we de rassen daarop goed kunnen beoordelen. Tijdens een regenzomer kun je maar beter een (tijdelijk) afdakje boven deze struikjes zetten.

In onderstaand lijstje heb ik mijn eigen favorieten aangegeven, maar jouw tuin en jouw smaak liggen allicht heel anders. Geniet alvast van de veelzeggende rasnamen; let wel: zelf bied ik hier geen zaden meer van aan; je moet even gaan zoeken, bijvoorbeeld bij http://www.vreeken.nl.

      • Andrina, Florida Petite, Red Robin, Birdie (enzovoort) zijn eigenlijk zogenaamde balkontomaatjes: in een vijfliterpot geplant vormen ze een compact plantje met daaraan rode kerstomaatjes.
      • Pendulina Orange en Pendulina Yellow: kerstomaat; als hangplant bedoeld, dus voor potteelt. Lukt ook prima vollegronds.
      • Sub-Arctic Cherry, Gold Nugget en Whippersnapper: respectievelijk rode, gele en rozerode kerstomaten aan vroegdragende struiken.
      • Ronde vruchten van 30 à 50 gram mag je verwachten aan 42 Days, Gem State, Glacier, Ida Gold, Ida Rouge, Iagodka, Latah, Otradnyi, Oregon Spring, Polar Baby, Polar Beauty, Sub-Arctic Plenty,…
      • Joyau d’Idaho hoort bij vorige categorie thuis, maar is als vroegste-en-lekker ras een extra vermelding waard.

        joyau d'idaho - eerste rijpe vruchten (1)
        Joyau d’Idaho: losse struikjes die gaan liggen van het gewicht.
      • Langwerpige tomaten tussen 60 en 100 gram zwaar hangen volop aan Peasant, Sub-Arctic Paste en Plum Tigris. Het laatste ras heeft gele tijgerstreepjes op een rode achtergrond.
      • Nog bijzondere kleuren vind je bij Bursztyn Amber en Lime Green Salad – telkens ongeveer 100 gram
      • Echte vleestomaten bestaan ook in deze struikversies: Qiyanai Fen, Siberia, Sophie’s Choice, Sub-Arctic Maxi en Silvery Fir Tree zijn hier enkele vertegenwoordigers. Dit laatste – Russische – ras heeft overigens een prachtig ingesneden blad; vandaar het synoniem Varenbladtomaat.
      • Er zijn uiteraard nog vele andere rassen die zo extra vroeg en laag vrucht zetten. Je kunt ze in pot, in volle grond en uiteraard in de kas uitproberen: een lekker, kleurrijk experiment!
      • Van je best gelukte buitentomaten kun je makkelijk zelf zaad winnen.
        iagodka
        Iagodka is een vroeg Siberisch tomaatje, dat gewoon bloeit , gaat liggen en rijpt.

        Halfhoge tomaten

        Tussen die twee uitersten (hoog en laag) zijn er nog veel andere, halfhoge types. Zo probeerde ik al met succes een aantal Russische rassen uit die zichzelf toppen op bijvoorbeeld één meter hoogte. Verder kweek ik ook al jaren Martino’s Roma en Royal Chico. Deze twee goed gelijkende rassen dief ik niet, maar ik leid al hun takken doorheen betongaas (twee meter lang en één meter hoog, met mazen van 15 cm). Het resultaat: een groene wand, die waar lucht en teler nog makkelijk bij kunnen. We plukken er hele emmers vol klassiek peervormige romavruchten van!

        belarus orange (2)
        Belarus Orange!

        Een recente halfhoge aanwinst is Belarus Orange: een vroegrijpend oranje vleestomaatje. Ook bij dit ras dief ik niks. Steunen en plukken!

        Terzijde: tomaten in de kooi.

        Ik zie dat amateur-tomatentelers in (het zuiden van) de VS duchtig gebruik maken van tomato cages. Dat zijn manshoge cilinders, van grootmazig, stevig gaas, die ze om elk plantje zetten. Het tomatengewas gaat dan, compleet ongediefd, de hele tomatenkooi begroeien. Af en toe een rank naar binnen leiden, en vooral veel plukken: dat moeten ze daar in de zuidelijke VS nog doen. Hun klimaat is uiteraard het onze niet: zij kweken buiten, terwijl onze serres en onze zomers juist te vochtige omstandigheden scheppen.

        Moge de beste winnen!

        Een nazomers middagmaal mag van mij goeddeels bestaan uit een grote kom met daarin een bonte mengeling tomaatjes en tomaten. Ik begin overigens zo tegen het eind van de zomer die tientallen rassen op mijn bord al behoorlijk uit elkaar te houden. Blind proeven lukt me al bij enkele rasjes met een heel uitgesproken smaak.

        In de nazomer zien de veertig tomatenplanten (en dus –rassen) in en buiten de serre er al heel anders uit dan in de voorzomer. Sommige zijn aan ziektes ten onder gegaan; de beste staan fluitend verder te groeien en te dragen; de meeste rassen zitten daar ergens tussenin.

        De verleiding besluipt me nu wel eens om dat hele tomatengewas maar door te laten woekeren: die wekelijkse dief- en opbindbeurt, daar kruipt toch steeds een uurtje in. Maar, opgelet: in combinatie met kortere nachten en vochtige dagen is dat jungleachtig tomatenloof een ware broeihaard voor schimmels. Volgehouden snoei loont dus de moeite, en zorgt dat we tomaat zullen kunnen eten tot het vriest.

        Tijdens onze dagelijkse tomatenproeverij noteer ik mentaal welke rassen er qua smaak en productie uitspringen. Natuurlijk zou ik alle evaluatiegegevens kunnen meten, wegen en in grafieken gieten, maar ik zit liever in de tuin dan achter mijn computer.

        Rassen met de volgende negatieve kantjes vliegen onverbiddelijk aan de serredeur:

        • Phytophthora, kurkwortel en andere klassieke tomatenziektes (er zijn er heel wat);
        • Barsten;
        • Slechte vruchtzetting;
        • Fletse smaak.

        Toegegeven: bovenstaande gebreken liggen niet steeds aan het ras, maar ook aan omgevingsfactoren. Als ik echter twee jaar na mekaar hetzelfde euvel opmerk, krijgt het bewuste ras geen derde kans bij mij. Er zijn immers nog duizenden andere rassen (oud én nieuw) die ik zo graag eens wil uitproberen. Om het Darwiniaans uit te drukken: de selectiedruk ligt hier hoog.

        Natuurlijk zijn mijn observaties (vooral qua smaak) zeer subjectief, en is onze serre de jouwe niet. De conclusies die ik trek, hebben dus enkel waarde binnen De Lusthof. Ik raad dan ook elke tuinier aan om gewoon zelf elk jaar zoveel mogelijk tomatenrassen uit te proberen, al was het maar om van al die kleuren, smaken en vormen te genieten.

        Wat met de tomatenziekte?

        Phytophthora infestans is een heel hardnekkige schadelijke pseudoschimmel op aardappel en tomaat. Door aanpassen en muteren ontwikkelen steeds sterkere schimmelversies zich, zodat een eerder effectief fungicide plots geen beveiliging meer biedt. Eerst komen er grijsbruine vlekken op de bladeren – hier kun je nog ingrijpen – en later op de stengels en de vruchten – en dan is het te laat!

        Voorkomen is ook hier beter dan genezen:

        • Ik kweek bewust biodivers. Niet dat je meteen ook tientallen rassen moet verzamelen zoals ik, maar je kunt je risico wel goed spreiden op deze manier.
        • Versterk je planten door om de paar weken met basaltmeel of lavameel te stuiven, of door heermoesaftreksel te spuiten.
        • Geef tomaten niet te veel stikstof want dat geeft veel & teer blad.
        • Resistente rassen kunnen tijdelijk soelaas bieden; vaak presteren ze toch niet zoals de catalogus beloofd had. Resistente tomatenrassen zijn er nauwelijks voor buitenteelt: de Olijftomaat doet het wel behoorlijk goed, maar de zomer moet toch wat mee willen.
          Verder kun je experimenteren met de reeds eerder genoemde spurttomaten,  die de ziekte als het ware voorblijven.
        • Snijd, van zodra de eerste vruchten rijpen, regelmatig de onderste bladeren van je tomatenplanten, voor een betere luchtcirculatie.
        • Planten waarvan stengel en vruchten zijn aangetast, zijn enkel nog goed voor de composthoop!
        • Zet een dakje boven je buitentomaten.
        • Geef je tomatengeen of heel weinig water (de wortels zoeken zelf wel hun water) en laat de serre zo veel mogelijk luchten.
        • Bedek de bodem rond je tomatenplanten regelmatig met verse laagjes grasmaaisel. Zie ook boven – er zijn nog andere mulchmiddelen…
        • De twee voorgaande maatregelen zorgen voor een Mexicaanse mesthoop, zoals ik die noem. Rijke bodem, stoffig droge lucht: daar komen onze tomaten vandaan! Droger kweken geeft wel wat minder kilo’s, maar dan ook minder water in de vruchten: meer smaak!
        • Ik bespuit niet met bordeauxse pap. Velt raadt dit middel immers af: de actieve stof, kopersulfaat, is immers nadelig voor het bodemleven en voor de opname van diverse voedingsstoffen voor de plant.

        Jaarlijks organiseren we onze tomatenproeverij. Kom proeven, breng je zelfgekweekte tomaten mee en deel zaadjes met iedereen.

Biodiversiteit in de tuin

Hoe gaat het met de biodiversiteit in de wereld?

Niet goed: per uur verdwijnen er drie soorten, lees je op www.bbc.co.uk/news/magazine-17826898.

Wat kunnen we daar zelf aan doen? Gelukkig voor de planeet eet ik geen vlees : de vleesproductie is immers de grootste bedreiging voor de biodiversiteit, lees ik op www.evavzw.be (tik biodiversiteit in het zoekvakje). Verder eet ik geen tonijn meer – voor wie dat wel nog doet: haast je, want het zijn de laatste! – wist je dat er nog minder dan honderd volwassen kabeljauwen in de Noordzee zwemmen? Brrrr!

De term biodiversiteit dekt intussen vele ladingen, en dat heeft ze gemeen met transitie, duurzaamheid, …

Astronomy Domine is een waanzinnig kruisingsmengsel – zie http://alanbishop.proboards.com/thread/3348

Zo bedoelen de Boerenbond en het bedrijfsleven net iets anders met die hippe termen dan de gemiddelde lezer van deze blog, neem ik aan. En industriële gigant Syngenta produceert tonnen pesticiden per dag, maar deelde in 2011 wel bloemenmengsels uit om de bijen te helpen. Hype, hype, hoera dus voor die greenwashing. Een bevriende bioboer kreeg zelfs te horen (van een gangbare collega) dat GGO-aardappelen ook bijdragen tot de biodiversiteit: Ah, ja, want dat zijn nieuwe soorten, en hoe meer soorten, hoe beter!

In eigen tuin dan: geen eenheidsworst…

Iedere tuinier kan makkelijk biodiversiteit aanmoedigen. In je siertuin zet je om te beginnen niet zomaar overal buxus en lavendel! Zet liever de juiste plant op de juiste plaats: www.velt.be/plantenzoeker/ biedt je, op een schoteltje, de slimme manier aan om op elk stukje grond de beste plantencombinatie te zetten.

In de ecologische moestuin vermijden we best monoculturen, dat is bekend. Gewoon al omdat plagen en ziekten zich beter verspreiden op een veld met identieke planten. Stel je voor dat in je straat of op je werk alleen maar klonen van jezelf zitten. Zodra er eentje begint te niezen, heeft de rest ook het virus te pakken.

Wie de Lusthof al bezocht heeft, weet dat wij – op het eerste gezicht – alles door mekaar kweken. Ha, nee: hier heerst gewoon een ingewikkelde orde 🙂  We bieden plaats aan een hele waaier aan “begeleidende” plantensoorten (onkruid, vaak lekker), nuttige beestjes en plaaginsecten, bodemflora- en fauna, …

… maar lekker gemengd!

Eén van de vele manieren om biodivers te kweken bestaat erin dat we rassenmengsels maken:

  1. we kopen (of krijgen) en mengen zaadjes van bijvoorbeeld tien verschillende radijsrassen in één potje; idem voor andijvie plus groenlof plus roodlof; diverse bietenrassen vormen een veelkleurig mengsel; twee winterspinazierassen klutsen en zaaien we samen; enzovoort!
  2. we laten vijf slarassen met mekaar kruisen en zaaien de nakomelingen; dat doe ik ook al jaren met pompoenen (wel met de hand bestoven), veldsla, peterselie, broccoli, rammenas, …

    Als je courgetterassen met mekaar kruist, krijg je onder meer deze variatie…

De voordelen van al dat mixen:

  • Een heerlijke oogstspreiding: in plaats van productiepieken (gevolgd door indigestie bij de tuinier en doorschieten bij de groenten) kun je weken of maanden lang blijven oogsten;
  • Het verrassingsaspect of paaseitjesgevoel, elke dag. Ik ga de tuin in en kijk wat er nu weer op zijn best is.
  • Risicospreiding: dat zijn de verschillen qua gevoeligheid voor ziekten, droogte, insecten, …

Mengen is ideaal voor amateurs zoals jij en ik: een beroepsteler zie ik nog niet meteen twee maanden lang elke dag de mooiste krop van zijn akker oogsten!

Eetbare biodiversiteit vinden we belangrijk, maar ik ben zeker geen verzamelaar. Ik selecteer elk jaar enkel die rassen en soorten die in mijn manier van tuinieren goed opbrengen en die een goeie smaak hebben – heel subjectief, hoor. Lekker en veel is dus ons tuinmotto; iemand bezwaar?

Die hele verzameling (zo zal ik die toch maar noemen) is vooral door ruilen tot stand gekomen. Behalve interessante rassen leren we zo ook heel boeiende medetuiniers kennen, en daarvoor doen we dit ook allemaal.

Biodiversiteit aan beestjes.

Deze pottenbakkerswesp metselen met donkere specie haar nestje dicht.
De pottenbakkerswesp metselt met donkere specie.

Aan de oostkant van onze garage, onder de dakgoot, hangt sinds eind 2009 een insectenhotel van 500 (!) x 10 x 10 cm. De Solitaire Beestjes Suite! Met honderden holle stengels, vooral van wilde venkel, was het een rustig knutselwerkje in december. Ongeveer alle dorre stengels, met merg of hol van binnen, lenen zich hiertoe: je ziet maar wat je voor handen hebt. Verder ook veel takken van bijvoorbeeld appel of pruim, in stukjes van 10 cm lang gezaagd, en dan op de korte kant voorzien van vele geboorde gaatjes.

Op tijd maken, dat wel: de vele solitaire bijen, wespjes, enzovoort beginnen soms al van in het vroege voorjaar de nieuwe woonst te verkennen. Daar ik zelf geen entomoloog ben, stuur ik gewoon een fotootje van zo’n beestje naar iemand die dat kan determineren, en daarna google ik dat beest zijn naam. Zo zegt Wikipedia over de pottenbakkerswesp: “Deze soort vangt kleine spinnen die als voedsel gebruikt worden voor de larven. “ Welwel, ik leer bij!

Bloeiende groenten (voor zaadteelt), kruiden en … bloemen, takkenwallen, nestkastjes, mulchlaagjes, …: ze maken van onze eettuin een hele dierentuin, waarvan de bewoners zich heel soms laten zien – en fotograferen. Vaak vraag ik me dan af: wat is in godsnaam het nut van precies dit beestje? Tja, dat kun je evengoed over iedere mens wel vragen, en toch is zo’n wespje of spinnetje (of mensje) blijkbaar onmisbaar in zijn netwerk.

De ene vreet bladluizen; de andere leeft op rupsen; nog een andere zet zich in voor de bestuiving, … Ons tuindersverstand en onze eigen ogen vertellen me elk jaar weer: hoe meer soortenrijkdom, hoe sterker dat ecologisch netwerk. Het geheel is duidelijk veel meer dan de som van de delen.

%d bloggers liken dit: