Categorie archief: onze kringloop

Slow composting

Kippenrencompost

Makkelijker dan zo’n echte composthoop opzetten: we gooien gewoon al ons organisch afval in onze langgerekte kippenren, en die doen daar hun ding mee. Misschien beoefen je die luie methode ook al lang – maar lees verder en kijk hoe wij daar een heel systeem van maken, met onderweg en uiteindelijk een aantal fijne resultaten.

Biodiversiteit, ook bij het composteren

Onze ingrediënten zijn zo divers mogelijk: zo krijgen we de goeie mix van bijvoorbeeld groene en bruine materialen, maar zelfs daarin gaan we lekker breed. Ik som wat op:

  • Grasmaaisel – ook van de buren (en die gebruiken geen herbiciden of zo op hun gazon)
  • Keukenafval: als daar nog wat lekkers tussen zit, halen onze kippen plus haan dat er wel uit. Qua theezakjes weren we die driehoekige, synthetische dingen, want die verteren niet. Noten- en eierschalen, én fijngemaakte mosselschelpen: die gaan er zeker in, in weerwil van bepaalde reglementen en angsten.
  • Tuinafval – en dat is geen afval, dat weet je. Dus: alle groenteloof, inclusief aardappel- en tomatenloof (je moet of kunt de schimmelsporen immers toch niet vernietigen; je moet gewoon resistente aardappelrassen planten, en je tomatenblad zo droog mogelijk houden). Ook zoveel mogelijk snoeihout: zo dik als de snoeischaar  aankan, en gewoon in stukjes van 10 tot 15 centimeter lang. We hakselen niet, nee.
  • Kippenmest, gekregen houtsnippers en snoeisel van coniferen: hup, allemaal de ren in!

Met dat alles krijg je wel een goed evenwicht – en een moddervrije ren.

composteren-in-de-kippenren-6
Takjes van zwarte framboos, appeltwijgjes, en zoveel meer: onderweg naar de serre.

Schep & scharrel

Ik start in mei met een hoopje aan het kippenhok, en dat wandelt -nee: kruipt! – dan noordwaarts, naar de serres toe. Vijftien meter, heel op het gemak, maanden lang. Dat kruipen gaat zo: met de riek gooi ik, om de week of wanneer ik zin heb, de hoop een heel klein beetje verderop, richting serres. En dat maanden lang. Soms ontstaat er even een hoopje – en dat kan wel ’s broeien: dan zitten de kippen zich erop te warmen – maar even later scharrelen ze die hoop alweer uit mekaar, op zoek naar compostwormen, pissebedden en zoveel meer. Af en toe strooi ik een handvol gesteentemeel of bentoniet bovenop de hele laag: de pieren zijn er gek op.

Onderweg

Het hele proces gaat er dus traag aan toe: alles mag rustig half of heel verteren. Onze bessenstruiken, aan de castanea afsluiting, zitten ondergronds mee te genieten van zoveel eten dat voorbij schuift.

In het voorjaar schep ik de hele bovenste kippenrenlaag (20 cm dik) de tomatenserre in. Daar blijft dat spul een heel jaar verteren én eten geven aan de tomaten. Op het eind van het jaar komt het afgewerkte product (nu een laag van 10 cm dik) dan kruiwagengewijs naar de moestuin.

img_0021
Zo komt de compost dan uit de tomatenserre: heel af en toe nog een herkenbaar takje, hé.

Hoe lang is die compost dan onderweg geweest? Neem een frambozentakje dat ik in augustus 2016 in de kippenren verknip: omstreeks december 2017 komen z’n bijna helemaal verteerde restanten terecht in de moestuin.

Ach, het is tegenwoordig bon ton om te zeggen dat humus niet bestaat. Het is gewoon allemaal energie die onderweg is van de ene levende plant naar de andere, en in onze tuin gebeurt dat maximaal en bijzonder traag. De reis is belangrijker dan de bestemming, weet je wel.

Werk?

Ik krui en schep heel geregeld wat: fitness op m’n dooie gemak. Ik kan het je aanraden.

 

Winterwerk in de serre

Ligt onze serre droog en leeg de hele winter? Nee, natuurlijk niet: we gaan voor veel vocht en verse groentjes, want da’ s beter voor de serregrond én we hebben extra productie.

Dit jaar kwam de tomatenserre pas vrij eind december; gewoonlijk bepaalt een eerste strenge vorst in november al wanneer het uit is met de tomatenteelt. Hoe dan ook: op dat moment is de grond vrij – en kurkdroog.

Tijd dus om water te geven! Het staat in alle boeken, en ook alle ervaren tuiniers weten dat je de grond tijdens de winter moet doorspoelen, om opstapeling van zouten in de bovenste bodemlaag te vermijden. Sneeuw in je serre scheppen – zo’n oude methode – is achterhaald, hoor: je brengt daarmee véél te weinig water binnen, én intussen is je grond werkloos en koud.

Wat is dan onze methode anno nu? Wel: de bodem krijgt minstens 150 liter per vierkante meter, en dat over de hele winter gespreid. Ik maak daartoe rijstveldjes: bedjes van ongeveer 120 cm breed, met dammetjes ertussen. Gewoon met de hark gemaakt, hoor: door 22 jaar compostaanvoer is de grond lekker kruimelig.

'Rijstveldjes' bevloeien.
‘Rijstveldjes’ bevloeien.

Vervolgens laat ik elk veldje vollopen met opgespaard regenwater, en dan zakt het water na een kwartier wel weg. Uiteraard doe ik dat niet met emmertjes, maar gewoon door de kraan open te zetten: ondergronds komt er een hele leiding in de serre aan, die ons het opgespaarde regenwater van een vat (2000 liter) in de kippenren brengt. Op een uur tijd is dat vat leeggelopen, en staat de hele serre onder water.

IMG_0096
De vochtige veldjes: het water is net weggezakt.

Na een uur of twee is de grond dan bewerkbaar. Met de woelriek maak ik de grond los.

Links de losgemaakte grond, met woelriek
Links de losgemaakte grond, met woelriek

Volgende – zeer eenvoudige – bewerking: even harken. Vanaf nu werk ik uiteraard enkel nog vanaf de dammetjes en het hoofdpad: het zou zonde zijn om die losgemaakte grond weer aan te stampen.

Netjes geharkt
Netjes geharkt

Tot slot: zaaien! Rucola, sla, kervel, dille, tuinkers, radijs, … kunnen – zeker als jong plantje – behoorlijk wat kou hebben. Ze zullen de rulle, vruchtbare grond dankbaar doorwortelen, en in het voorjaar hebben we dan veel vers lekkers.

De rucola is gezaaid
De rucola is gezaaid

 

De polyvalente kippenren

In dit artikel leid ik je, op snavelhoogte, door de kippenren van De Lusthof.  Daar gebeurt heel wat!

Mondriaanschets van onze kippenren en omgeving
Mondriaanschets van onze kippenren en omgeving

Lang!

In onze tuin nemen onze twee kippen (een Bresse en een ordinaire marktkip) plus de haan (een zijdehoentje) een bijzondere plaats in. De schets geeft je een idee van de toestand ter plaatse. In totaal hebben ze een zigzagloop van bijna 30 meter lang, en ongeveer 140 cm breed.  De hele ren wordt aan de west- en noordkant afgeboord door de muur met de buren, en onze garage, en aan de andere kant met castanea-afsluiting.

Waarom zo’n heel langgerekte kippenren, en niet zo’n vierkant stuk? Tja, da’s natuurlijk organisch gegroeid, maar achteromkijkend zou ik het toch opnieuw doen. Voor ik je rondleid alvast dit: we slachten onze kippetjes niet; ze mogen hun dagen slijten tot ze van hun stok vallen.

Rood!

In het echt is dit stuk kippenren groengerand bruin, maar ik wou het wat visueler maken, snap je. Helemaal noordelijk stoot de kippenren op de twee serres en de muur van de buren.

Dat rode deel paalt aan de betonnen muur van de buren, aan de westkant: dat lijkt heel saai, maar is ’s avonds lekker warm, en daar zitten de kippen dan tegenaan te scharrelen.  Ook ’s ochtends zitten ze hier graag, want dan zit de zon pal op de muur, en dan maken ze van die gezellige stofnesten.

Aan de rechterkant is de kastanjehouten afsluiting tot menshoogte begroeid met heel wat bessenstruiken. Die hoeven we nooit te bemesten, want ze krijgen genoeg voeding uit alle verterende materialen. De kippen pikken natuurlijk wel wat bessen, maar dat houdt ze gezond – ook al omdat ze dan wat moeten springen.

In dit rode stuk storten we heel veel tuinafval en keukenrestjes. Van de buren krijgen we wel eens grasmaaisel, versnipperd haagsnoeisel en zo. Wat hier ook in terecht komt: al ons onkruid, onze oogstresten, de mest uit het kippenhok, en bijna alles wat we snoeien. Bijvoorbeeld, als ik onze appelbomen of bessenstruiken snoei: alle dunne twijgen, handmatig in stukjes van gemiddeld 15 cm geknipt, komen in deze groeiende laag. Noem het maar een wachthoop, uitgestrekt in tijd en ruimte.

Onze twee kippetjes en hun haan scharrelen daar bijzonder graag hun kostje bij mekaar: vooral  pieren en andere beestjes. Die zitten er ook massaal, aangetrokken door de vele voeding, inclusief de kippenmest. Een extraatje: ik strooi af en toe wat lavameel – in totaal pakweg 10 kg per jaar – en ook daar zijn pieren gek op. Een keer per jaar graaf ik de hele bovenste twintig centimeter af: die krui ik dan naar de broeihoop in onze achterste serre, en verteert daar vanzelf verder tot prachtige compost.

Blauw!

In het blauwe stuk van onze kippenren hebben we ons kippenhok, helemaal gemaakt van recuperatiehout: daar vinden we elke dag twee eitjes in een voormalig nachtkastje.  Verder in dit deel: de achterdeur van de garage, en een poortje naar het gazon. Aan het hok voederen we onze kippen dagelijks wat graan. Je ziet het dus al voor je: tussen de voederplaats en hun drinkbak moeten ze meer dan 10 meter afleggen, en dat houdt ze fit. Twintig jaar geleden was onze kippenren niet groter dan deze blauwe zone: het strikte minimum voor drie hoenders.

Geel!

Tot slot is er de hele strook langs de garage: hier ranken de bessen- en kiwiplanten in één langgerekte pergola over de hele lengte, en het is pas sinds 2014 dat we hier, door middel van castanea-omheining, ook een stuk kippenren hebben. De hoge garagemuur met overhangende dakgoot en de hele pergola geven dit stuk een droog, duister karakter. Onze hoentjes komen hier graag schuilen als het regent of waait, of ook tijdens die hittegolf.

Ook hier ligt een mulchlaag, maar dan wel een bijzondere: alle takken die net iets te dik zijn voor mijn gewone snoeischaar, die komen hierin terecht. Ik verklein ze even met zaagje of takkenschaar. Nee: een hakselaar hebben we niet, willen we niet. Met de jaren groeit er zo in deze droge zone een bizarre, dorre takjeslaag, waar onze kippen ook graag eens in scharrelen. Als we eens aanmaakhout willen voor een vuurtje, ligt het hier voor het grijpen, maar uiteindelijk vergaan ook de meeste takken wel vanzelf. Ook hier vallen wel eens bessen – vooral zwarte framboos –  op de grond, ten prooi aan onze kippen. Dat merken we dan wel aan hun paarse uitwerpselen…

Helemaal ten zuiden van deze strook staat een kruidenbak, gemaakt van pallettenhout, op poten. Daaronder schuilen de kippen bijzonder graag. Ze hebben er ook hun drinkbak.

Detail van deze gele strook: onder de dakgoot van onze garage hangt een meters lang insectenhotel. Lekker droog, aan de oostmuur: hier hoor je vooral in het voorjaar een heerlijk gezoem.

Tok!

Héhé, zo ben je helemaal rondgeleid. Zoals je ziet, heeft onze kippenren diverse functies: opslagplaats voor biomassa en dus onmisbare schakel in de hele kringloopwerking; loop- en voederruimte voor de kippen; in de hoogte en aan de rechterrand ruimte voor veel eetbare planten. Maar ook doorgang voor ons: een soort dienstgang om de linkerkant van de serre te bereiken. Enkele keren per jaar kom ik bijvoorbeeld door die lange (rode) gang met kruiwagens paardenmest, die dan in de broeihoop van de achterste serre verdwijnen.

Tot zover het ontwerp van onze kippenren, dat dus helemaal past in onze tuin, in onze manier van tuinieren. Werkt zo’n langgerekte ren ook in andere omstandigheden? Het lijkt me in ieder geval een behoorlijk diervriendelijk ontwerp: er valt meer te beleven en te bewegen voor een kip dan in een vierkant stuk, denk ik. Hoe zou je zelf zijn?

Permacultuurontwerpers benadrukken altijd het belang van randen: de bosrand, bijvoorbeeld. Heb je ooit van een kippenrand gehoord? Ik zag bijvoorbeeld ooit ergens een moestuin (ongeveer 50 op 50 meter) die omgeven was door een dubbele omheining van anderhalve meter breed: daarin liepen de kippen, en die hielden onder meer woelmuizen, mollen en slakken buiten.

Overigens is het wel grappig werken (of gewoon vertoeven) in onze tuin: over de hele lengte kunnen de kippen meelopen – ze krijgen vaak een hapje. Iedere slak, ieder slablad, … gooien we vlot over de omheining, en dan komen ze wel. Helemaal vooraan (dus aan de onderkant van dat gele stuk) zitten onze kippetjes trouwens op amper drie meter van onze achterdeur plus terras. Zo krijgen ze al makkelijk eens een korstje brood.

Tam!

Telkens als ik de kippen iets lekkers geef, maak ik klikgeluidjes. Da’s pure Pavlov, en zo komen ze graag op mij af. Helemaal handtam zijn ze dan nog niet – dat zou wat meer tijd vergen, maar ze komen wel als ik roep. Ik hou ze ook in het oog wanneer ik ze keuken- of tuinresten geef: wat vinden ze lekker? Ik merk daarbij echte individuele verschillen – persoonlijke smaak, zeg maar. Een paar keer per week zet ik het poortje naar het gazon open, roep ik ze, en dan zijn er ze er als de kippen bij om gras en klavertjes te eten. Niet dat ze daarmee ons gazon netjes afmaaien – bemesten doen ze wel wat – maar het is een leuk extraatje. Dat groen bevat onder meer veel omega 3, dat fameuze gezonde vetzuur, en dat komt de kippen en ook ons, via de eitjes, dan ten goede. Ik blijf wel in de buurt, want ze zouden al eens durven afdwalen naar de moestuin.

Slotsom: onze kippen werken en leven goed, en horen helemaal thuis in ons multifunctionele moestuinuniversum.

Wat doen we met snoeihout?

Afval?

Snoeihout is tegenwoordig voor de doorsneetuinier onhandelbaar afval. Dat was eeuwen lang anders: iedere boerderij had hagen van knotbomen, en met hun takkenopbrengst bouwden onze voorouders mutsaards, takkenmijten dus die ideaal waren om de leemoven mee te stoken. Behalve in Bokrijk vind je dit nuttig gebruik van snoeihout tegenwoordig enkel bij heel overtuigden. Komt die tijd ooit terug, na de laatste druppel aardolie uit teerzanden en boorplatforms?

Snoeihout buiten opstoken mocht nog enkele decennia geleden, maar toen de hakselaar op de markt kwam, werd stoken verboden, en op den duur kreeg je zelfs subsidie voor je (sssst!) fluisterhakselaar.

Tja,zo’n elektrische huis-tuin-en-keukenversnipperaar is dan wel vrij stil, maar vreet kilowatts, en na een hele voormiddag snipperen heb je amper een kruiwagen hakselhout. Echt en veel haksel je vlotter met een hakselaar op benzine – duur te huur of te koop. Leuk om eens mee te werken: hele bomen gaan erin, en de resulterende hakselhoop is machtig. Afdoende oordoppen en onflink verbruik van fossiele brandstof zijn de keerzijde.

Ik beperk me meestal tot het krijgen van houtsnippers: als ze dan toch ergens gemaakt worden, is het zonde om ze te laten liggen. Zo krijgen we jaarlijks enkele kubieke meters snippers uit een natuurreservaat. Die gebruiken we dankbaar en nuttig: we strooien een laag op de paadjes en tussen onze fruitbomen en bessenstruiken. Het merendeel gaat de broeihoop in, waar ik al eerder over schreef, en ik zou nog eens eetbare paddenstoelen willen kweken op houtsnippers. Het snelst verterende spul krijg je van verse groene takken – met loof, als het nog even kan – van snelle groeiers zoals wilg en berk.

Verzuurt dat haksel de bodem niet? Loofhout in ieder geval niet, en als je naaldhoutsnippers mengt met ander materiaal, komt de pH ook wel in orde. Puur naaldhouthaksel is overigens het beste materiaal voor op paadjes. Wat je in ieder geval moet vermijden is het onderwerken van snippers. De bacteriën die je hout willen verwerken – en dus koolstof moeten afbreken – hebben daarvoor vrij veel stikstof nodig, en dat halen ze tijdelijk uit je bodem. Stikstofgebrek is dan het gevolg, niet zozeer verzuring.

Snoeien: minder is meer

Om te beginnen: we snoeien zo weinig mogelijk. Wie verstandig aanplant, volgens de principes van ecologische siertuin, zet bijvoorbeeld geen joekels van bomen in te kleine tuintjes. De juiste plant op de juiste plaats, da’s al een goed begin, en dan mogen struiken en bomen ook uitgroeien tot hun volle grootte.

Onze bessenstruiken en fruitbomen produceren wel onvermijdelijk snoeihout: het zijn planten die moeten opbrengen, en deze gecultiveerde gewassen zouden zonder jaarlijkse snoei verworden tot ondoordringbare struwelen. Bij bramen en frambozen is het snoeiwerk simpel: gewoon na de oogst de afgedragen takken tot op de grond wegnemen. Bij het geslacht ribes (kruis-, josta-, Crandall-, witte, rode, roze, en zwarte bessen) pas ik een heel vereenvoudigde snoeiwijze toe: elke winter knip ik de dikste en oudste tak tot tegen de grond weg. Deze verjongingssnoei kun je beginnen toe te passen zodra je struiken vier, vijf jaar oud zijn. Uiteraard zijn er veel fijnere snoeimanieren voor deze bessen, maar in dit bestek en in onze tuin vereenvoudig ik graag.

Wat doen we met al onze takken?

  • De mooiste bessen- en druiventakken worden stekken, die ik op een apart bedje laat wortelen. Stop ze half de grond in, en je ziet wel wat groeit.
  • Van onze zwarte bessen knip ik kleine stukjes voor in de theekan. Bijzondere geur en smaak, hoor, en oergezond! Een gelijkaardige winterse takkenthee kun je ook van berk, druif, braam, en veel andere bomen en struiken maken. Niet dat je zo al je snoeihout mee kwijtraakt, maar alle beetjes helpen. Disclaimer, beste snoei-het-zelver: taxus en andere giftige planten mijd je in je thee, maar zijn uiteraard prima voor alle andere doelen.
  • Takkenrillen, takkenwallen, vlechtwerk, snipperwanden, knuppelpaden, … vinden we leuk in brochures, maar passen we zelf nauwelijks toe.
  • In de moestuin hebben we constant stokjes nodig om bedden en rijen te markeren. Waar heb ik radijsjes gezaaid? De berkentakjes tonen mooi de rij.
  • Ik ben pas gaan experimenteren met stammetjes in de grond als afbakening tussen bed en pad: tot 15 cm dik, 50 cm of iets langer, en dan de grond in heien. Reken maar dat daar mooie zwammetjes op komen de komende jaren!
  • Gedoornde takken – van kruisbes, meidoorn, roos, …- beschermen onze zaaibedden tegen gravende katten. We leggen die takken, of duwen ze half in de grond, tot een tijdelijke tent over de gevoelige teelten.
  • Dat zo’n takje of stam na een tijd halfweg rot en afbreekt, is het natuurlijke vervolg: juist op de grens tussen lucht en aarde is het bodemleven het massaalst aanwezig en het actiefst.

Een waardig graf voor snoeihout; het heuvelbed

Twintig jaar geleden maakte ik regelmatig heuvelbedden in de moestuin, en dank zij een oude tuinmaat ben ik eind 2013 weer van die tumuli gaan aanleggen. Het is een leuk werkje, waarbij je niet veel fout kunt doen, en met als voornaamste resultaat dat ons snoeihout er allemaal in kruipt.

Het concept komt blijkbaar uit Duitsland, en heet daar ‘Hügelbeet’. Wie dat woord googlet, vindt foto’s, schema’s, filmpjes, en veel uitleg. Heuvelbedden worden blijkbaar manshoog opgebouwd, zelfs met gebruik van zware machines en dikke boomstammen. Hieronder beschrijf ik mijn bescheiden manier van werken, met zweet, schop en vooral veel gesnoeide takken.

Laten we eerst eens de fantastische voordelen opsommen – in vergelijking met een vlak groentebed:

  • Het oppervlak wordt groter, vooral als je heel hoog zou bouwen.
  • Al die ondergegraven materialen geven hun voedingsstoffen geleidelijk af – en daar varen de groenten wel bij.
  • Terwijl de inhoud verteert, zorgt dat proces voor een iets hogere temperatuur.
  • De hele heuvel is heel luchtig, door al die begraven takken, en ook daar profiteren pieren en planten van. Natuurlijk betreed je dat bed niet meer, anders gaat dat voordeel te niet.
  • Je bed ligt hoger, en zo krijg je vanzelf een betere afwatering.
  • De komende jaren heb je er geen werk meer aan – zeker al niet spitten.
  • Afhankelijk van de dikte van je bouwmaterialen is de inhoud van je heuvel tussen de drie en de zeven jaar later helemaal verteerd en heb je één grote berg van de beste compost.

Noot voor wie op droge zandgrond tuiniert: een heuvelbed kan door zijn hoogte droger uitvallen dan de rest van je tuin, zeker tijdens het eerste jaar. Zandtuiniers experimenteren daarom eerst kleinschalig met heuvelbedjes, en mulchen goed vanaf mei. Als je de eerste zomer dan zonder veel gieten doorkomt, kun je stilaan verder heuvelen.

Hoe begin je eraan?

  • Verzamel het hele jaar de nodige ingrediënten – begin vandaag! Snoeihout hou je bij in bundeltjes of takkenrillen; bladeren zijn facultatief en bewaar je in een aparte hoop; je vindt wat mest en al dan niet geslaagde of rijpe compost, plus allerlei tuinafval, zoals verhoute stengels van vaste planten.
  • Bijna alles is bruikbaar, hoor, zelfs cypressen, (ongekookt!) keukenafval, graszoden, maaisel…Vermijd verse wilgentakken, kweekgras – en andere doorlevende onkruidwortels, want die gaan gegarandeerd schieten en de heuvel inpalmen, en dat willen we niet.
  • Leg, zoals een tv-kok, alles klaar voor je begint.
  • Zoek een of meer vrienden die helpen, en zet het bier koud.
  • Leg je heuvel aan in het najaar, dan kan alles nog goed zakken, vochtig worden, verteren, … tijdens de winter.
  • Baken het bed af: neem bij voorkeur een breedte van 120 cm, dan kun je achteraf het hele bed bereiken vanaf de paden.
  • De orientatie: noord-zuid zou ideaal zijn, omdat dan het hele bed perfect bezond wordt. Onze heuvelbedden liggen oost-west, omdat dat zo uitkwam. Ik verwacht dat we daardoor net een mooi verschil gaan zien tussen de warmere zuidflank en de koelere noordflank.
  • Graaf één spadesteek weg over het hele bed en leg al die grond opzij. Dat is het zwaarste werk, maar je wou toch iets aan je conditie doen, hé.
  • Vul die hele groeve terug op, met lagen snoeihout, bladeren, en ander tuinafval.
  • Wissel die lagen af met af en toe een schep grond, wat mest en/of compost, en eindig met een laag grond en/of compost. Je kunt heel hoog gaan met die lasagna, maar wij zijn al tevreden met een eindhoogte van een half metertje.
  • Nootje: mest, (onverteerde) compost en verse bladeren of maaisel bevatten de nodige stikstof om de houtige delen (koolstof) te helpen verteren – dat is hetzelfde principe dat ik net al bij de snippers uitlegde.
  • In droge periodes zou je tijdens de aanleg regelmatig water moeten geven, zodat het bodemleven op gang komt. Wij hier zijn zo slim om onze heuvels te bouwen tijdens een perfect regenachtige herfst.
  • Je kunt meteen planten en zaaien: half augustus plantten we nog prei, selder, aardbei, … in de pas aangelegde heuvel; een maand later zetten we een halve flank vol winterplantuitjes. Het hele najaar kun je scherpzadige spinazie zaaien, rucola, veldsla, winterkers, kervel, … We merkten al na een paar weken dat die plantingen en zaaisels een voorsprong hadden tegenover de groenten op de andere bedden. En ja, in december ben ik met de riek een gaatje gaan prikken in twee van onze nieuwbakken heuvelbedden, uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Het zit daarbinnen tjokvol pieren, merkte ik: wat wil een tuinier nog meer?
heuvelbed met rand van stammetjes (4)
Heuvelbed met een rand van stammetjes

Slotsom: heuvelbedden zijn een soort langzame composthoop, waar we veel (energie, afval, plezier) in kwijt kunnen. Een heel andere manier van werken dan het niet-spitten-verhaal dat ik al lang verkondig en in de praktijk breng, maar leuk om te doen, en met duurzaam resultaat.

Onze broeihoop

Hier volgt een broeiend, stinkend relaas: over hoe je biomassa kunt benutten om de serre en vooral jonge plantjes warm te houden. Ja, dag en nacht, en ongeveer 25 graden als bodemwarmte: dat geeft gegarandeerd goeie groei.

Onze tomaten, pepers, komkommers en veel andere gewassen kiemen en groeien op boven op onze grote broeiende hoop. Extra voordeel: ze ontvangen heel veel licht, daar in de serre. Zo krijgen we stevig jong plantgoed. Heel wat anders dan de uitgerekte zaailingen die ik vaak zie in vensterbankkweeksetjes.

Tijdens de eerste helft van maart verzamel ik weer eens materiaal voor een flinke broeihoop. Zo sluit ik aan bij een mooie traditie: generaties lang gebruikten tuiniers paardenmest om vruchtbare warmte op te wekken voor de vroegste gewassen. Is er nog iemand die deze techniek kent? Hieronder in ieder geval mijn manier van werken.

Stap voor stap:

  1. Neem een paar aanhangwagens vol:
    1. paardenmest
    2. en/of (verse) houtsnippers
    3. en/of vers grasmaaisel
    4. en/of ander vers tuinafval
    5. liefst een mengsel van bovenstaande ingrediënten
  2. Gooi alle ingrediënten op een hoop van 1 op 1 op 1 meter: dit zijn minimale afmetingen. Hoe groter, hoe beter, hoor! Net zoals één kopje koffie sneller afkoelt dan een hele ketel soep, zal ook een grote hoop beter en langer broeien.
  3. Wanden helpen: een muur aan de achterkant, betonnetten of planken als ‘bekisting’ voor je hoop;
  4. Isolatie helpt nog beter: karton of stro rond de hele constructie zorgt dat straks het broeiproces alle hoekjes van de hoop bereikt. Een onbedekte/ongeïsoleerde hoop koelt namelijk aan de randen heel erg af, waardoor die niet mee broeien.
  5. Maak de hoop vlak van boven: dan staan straks je zaaibakjes behoorlijk waterpas;
  6. Is je hoop vochtig genoeg? Neem een handvol van het mengsel vast en knijp: als er druppels uit komen, hoef je geen water toe te voegen. Anders: gieten!
  7. Dek af met een groot stuk oud plastic;
  8. zaailingen op broeihoopNu gaat alles broeien: miljarden micro-organismen gaan meteen aan het werk in die grote hoop. Ze zijn warmteminnend én warmteveroorzakend, zodat ze een wonderbaarlijke kettingreactie op gang brengen, die wij ‘broei’ noemen
  9. Wacht twee dagen tot de hoop egaal warm is, en zet dan je zaaibakjes erop, compleet met potgrond en zaadjes.
    We hebben enkele thermometers die in de potjes-met-potgrond zitten. Zo kan ik bijsturen wanneer nodig: als het te warm wordt, leg ik bijvoorbeeld wat karton (isolatie dus) tussen het vel plastic en de zaaibak; als de temperatuur in de potjes onder de 20 graden zakt, weet ik dat de broeihoop wat uitgewerkt is, en dat ik moet omzetten en/of aanvullen met verse grondstoffen.
    Die zaaibakken vul ik dus met potjes en potgrond (die is meestal zelfgemaakt van overrijpe compost en tuingrond) en dan kunnen we zaaien:

    • eind februari mogen al de aubergines en paprika’s al gezaaid;
    • tomaat, komkommer, basilicum en uien volgen omstreeks 20 maart;
    • rond 20 april zaaien we dan pompoen en courgette.

    Kool, boontjes, en nog een aantal andere teelten laten we ook vaak kiemen op de broeihoop, maar sla bijvoorbeeld kiemt net veel moeilijker boven de 20 graden

  10. Hou de temperatuur en ook de vochtigheid van je zaaibakjes dagelijks in de gaten; plaats een compostthermometer in de hoop, en leg nog een thermometer in de zaaibakken;
  11. Als de hoop voortijdig uitgewerkt geraakt: voeg weer minstens 1 m3 materiaal toe, en meng, als dat kan;
  12. Wat doe je achteraf met je broeihoop?
    1. Gewoon verder laten rijpen – of:
    2. Dik uitspreiden, in een laag van 50 cm of meer, met ongeveer 10 cm tuingrond of overjaarse compost. Plant daar eens je komkommers in, en na enkele weken dragen ze al vrucht!

Voor je zelf een broeihoop maakt:

  • Vooral in een (grote) serre werkt zo’n broeihoop prima: omdat het broeiproces daar net iets beter gaat dan buiten – minder afkoeling dus. Verder merk ik dat die broeistoof de hele serre vorstvrij houdt, en dat de broei even massaal CO2 produceert. Dit letterlijke broeikasgas doet de plantjes extra hard groeien!
  • Ooit zette ik de hoop op eind januari en zaaide ik al pepers en zo, maar het verschil met zaaien in maart bleek minimaal, en de moeite niet waard. In maart is er immers zoveel meer licht. Geduld, observeren, en ervaring dus.
  • Jean Pain deed iets gelijkaardigs, maar veel grootschaliger: met tientallen kubieke meters houtsnippers werkte deze pionier. Zelfs zijn huis verwarmde hij met zijn  megahoop, én hij kookte ook op het geproduceerde methaangas . Ons bescheiden hoopje werkt prima in de serre, en daar zijn wij tevreden mee.
Zo warm kan het midden in de broeihoop worden
  • Het kruien en scheppen en opzetten is een leuk fysiek werkje, dat de tuinier al verwarmt. Jen, de boerin van CSA De Witte Beek, heeft deze techniek van the shit stove, zoals zij die noemt, overgenomen.
  • Als je in het voorjaar ook eens wilt komen kijken/leren/helpen dan laat je dat maar weten.

Mest nu zelf!

Onze moestuin bemesten we. Zo heet dat.  En daarvoor kun je bij Velt biologisch bemestingsadvies krijgen – gratis als je lid bent. Dat bemestingsadvies geeft dan aan hoeveel compost, kalk en nog een paar zaken je best aanbrengt op je grond, maar zegt niets over … mest.

Wie ecologisch tuiniert, werkt met compost. Als je die zelf maakt, kun je daar heel wat mest in kwijt, ja. Rechtstreeks mest ondergraven, dat is not done  in biologische moestuinen, want niet goed voor je bodemleven, bijvoorbeeld. Wat wel mag, en heel hard mag: mest in je composthoop verwerken, en ten tweede je tuin tijdens de winter afdekken met mest van bijvoorbeeld paarden.

Hoe ging dat vroeger?

Voor de komst van de aardolie verzamelden de boeren alle mest die ze vast konden krijgen.

Ten eerste: dierlijke mest. Door de verpaarding van het Vlaamse verkavelde landschap gooien paardenliefhebbers je tegenwoordig om de oren met hun keutels, maar dat was ooit anders. Dieren dienden eeuwen lang niet enkel als lastdier of voedsel, maar soms (vooral) voor de mest die ze produceerden.

Van voor de Keltische tijd tot aan de industriële revolutie bestonden Europese dorpscentra namelijk uit hoeves met daar rond de akkers. Op de gronden aan de rand van het dorp lieten de boeren hun dieren dagelijks grazen. Door die dieren in de potstal te laten overnachten en/of overwinteren kon de boer dan de nodige mest verzamelen om zijn akker (dicht bij het erf)te verrijken. Biomassa stapelen, heet dat nu in permacultuurliteratuur.

Zo kreeg je aan de dorpsrand uiteindelijk verschraalde gebieden, waar dan enkel heide wou groeien. Aan veel buitenwijken plakt die naam zelfs nog: Veerle-Heide, Rotselaar-Heikant, bijvoorbeeld. Meer nog: het volk dat in dat marginale gebied woonde, ging – door de afstand – nooit ter kerke, en heette daarom letterlijk heidenen. Allez, dat weten we dan ook alweer…

Mensenmest?

En dan: onze eigen, menselijke mest. Duizenden jaren lang werden menselijke meststoffen in de landbouw gebruikt; waarom doen we dat nu niet meer? Ooit werd er zelfs zeer lucratief handel gedreven in menselijke uitwerpselen – lees hierover de onvolprezen Nederlandse vertaling van ’Farmers of forty Centuries’ van F.H. King, door Sietz Leeflang, getiteld ‘Vierduizend jaar kringlooplandbouw‘. Nu spoelen we onze drol gewoon zover mogelijk weg, met massa’s drinkbaar water, meestal. Tonnen en tonnen stikstof, fosfor en kalium gooien we zo weg.

Wie nog niet bekend is met het composteren en hergebruiken van eigen plas en drol: leess Humanure, het heerlijke boek van Joseph Jenkins. Mijn slogan mag er ook zijn, vind ik: Sluit je kringloop, open je kringspier!

Serieus nu: de meest voor de hand liggende output van de mens is immer wat er uit ons zelf komt.

Composttoiletten zijn er in verschillende soorten en prijzen. Zelf heb ik een poepsimpel getimmerd model met een emmer eronder. Kijk naar je gemak en je portemonnee!

Iedere tuinbezoeker wordt hier ook uitgenodigd om het toilet te bezoeken. Steevast heb ik het dan over de blijde boodschap of een persoonlijke bijdrage aan de vruchtbaarheid van de tuin. Aan het composttoilet ligt dan ook een A4-tje met de nodige instructies en motivatie: zo wordt het toiletbezoek helemààl interessant.

Voor fronsende, nieuwsgierig geworden lezers:

  • Zo’n zelfgeknutseld verplaatsbare toilet gaat wel eens mee op voordrachten: handig!
  • Het staat meestal achter in het tuinhuis; iets te fris in de winter, dat wel;

    composttoilet anno 2014, met grote curverbak als opvang
    composttoilet anno 2014, met grote curverbak als opvang
  • Ik strooi met kaf, dat ik gratis bij een maalder haal; zaagsel of houtsnippers werken even goed, hoor;
  • Ik laat de emmer niet te vol worden…;
  • De inhoud gooi ik op de composthoop en daar broeit alles lekker mee tot een mooi eindproduct. Uiteraard moet je een kringloop van heel eventuele besmetting voorkomen, door goede compostering. (Terzijde: kattendrollen in de moestuin, dat is pas een haard van wormbesmetting!)

Hoe zit het met de hormoonverrijkte damesplasjes, met onze uitscheiding na inname van antibiotica. Kunnen onze bodemfauna en –flora wel omgaan met al die farmaproducten?
Antwoord van http://villavanzelf.wordpress.com: die pillenrestjes worden beter (en zelfs volledig) afgebroken in een warme composthoop dan in (koud) oppervlaktewater.

Hoe efficiënt is je tuin?

Wat brengt je tuin op?

Vaststelling nummer één: de modale Vlaamse tuin kost handenvol (fossiele en spier-)energie maar brengt geen gram eten op. Gazon, terras, een paar sierstruiken: mag het even, zul je me vragen. De oorlog ligt toch al lang achter ons, een krop industriesla kost amper enkele centen, hé.

Opbrengst? Tja, wat brengt een tuin allemaal voort?

  • Mag ons tuintje ook niet gewoon dienen als kijksalon, barbecueplek en sjotpleintje? Tuurlijk: als langdurige tuinier ben ik de eerste om tuinplezier te stellen boven pure in- en output.
  • Werken in de tuin levert gezonde in- en ontspanning, zeggen studies.
  • Werk, ja! Één are moestuin vraagt, op jaarbasis en heel gemiddeld genomen voor gemiddelde moestuiniers, één uur per dag werk. Je werkt dan best bijna dagelijks even in je tuin tijdens de piekmaanden (vooral april tot juni): om de maand grote wiedrazzia houden is niet goed voor je tuin en je rug! Door te mulchen en andere slimme technieken toe te passen kun je deze input makkelijk halveren, hoor.
  • Biodiversiteit zou je wel kunnen tellen: hoeveel soorten vlinders, spinnen, enzovoort herbergt je tuin? Een bezoeker vertelde me trots dat hij ringslangen ‘heeft’ in zijn tuin; zelf vond ik eens een alpenwatersalamander in het Tieltse veld: tegen dat wow-gevoel kan niks op!
  • De ultieme meetbare opbrengst is die aan calorieën: eten, dus. Tip: aardappelen scoren in ons klimaat heel hoog qua opbrengst – dat schrijf ik elders. Als er een dappere tuinier eens wil eens bijhouden wat haar/zijn tuin aan calorieën opbrengt – en ook verbruikt, dan hoor ik dat wel graag. Met andere woorden: wat zou jouw tuin-EPC zijn? Zelf begin ik wijselijk niet aan deze rekenoefening: ik tuinier liever dan dat ik excelbestanden zit te vullen…

Wat leert ons de geschiedenis over energie-efficiënt omgaan met voedsel?

Het kan je verbazen, maar zogezegd primitieve jagers-verzamelaars gebruiken amper 1 calorie om er 10 te winnen. Ze hebben namelijk heel veel terreinkennis en overlevingsvaardigheden, en weten gewoon wanneer de noten vallen, hoe ze hagedissen moeten vangen enzovoort. Voorraden leggen deze nomaden niet of nauwelijks aan: ze volgen de seizoenen, het wild, de oogst – en dus lijden ze wel eens honger. Met zoveel zijn die natuurvolkeren niet meer, maar dat ligt niet aan hen.

Tienduizend jaar geleden dan begon de mens landbouw te bedrijven. In de oorspronkelijke versie, met menselijke of dierlijke tractie, stopt de boer ongeveer 1 calorie in zijn bedrijf om er 1 uit te halen. Hou hier al rekening mee als je zelf je voedsel wilt verbouwen, beste lezer! In die traditionele boerenmaatschappij, tot pakweg 1900, kwamen misoogsten hard aan. De eerste grote aardappelplaag, eind de jaren 1840, eiste miljoenen levens van Ierland tot ver op ons vasteland.

Het petroleumtijdperk, van 1900 tot nu toe, heeft de wereldbevolking doen exploderen. Tegenwoordig verbruiken we gemiddeld tien – voornamelijk fossiele – calorieën om er 1 calorie aan eten mee te produceren. Kunstmest, tractoren, wereldwijd vervoer: ze zijn zo onvermijdelijk dat de Amerikaanse voedseljournalist Michael Pollan stelt dat ons eten vooral uit olie bestaat. Onze maatschappij zou dus – volgens mij – veel efficiënter zijn als we gewoon dagelijks ons half litertje ruwe olie zouden drinken – zonder al die omwegen dus.

Sterker nog: in een wereld waar efficiëntie zogezegd primeert, vind je Ierse boter in Oostenrijkse supermarkten en andersom. Zouden die vrachtwagenchauffeurs mekaar halverwege soms ontmoeten? Keniase boontjes, Chileense bio-appels, Braziliaanse verse kippen, …: de wereldmarkt gooit ze tegen belachelijke prijzen op je bord, en hoe hard moet je je best doen om als zelfvoorziener tegen die consumptiestroom in te roeien?

Voor en na het petroleumtijdperk.

Zou onze tuin – na de oliepiek – kunnen functioneren met minder of zelfs zonder fossiele brandstof? Sjonge: lastige vraag, want net als elke andere moestuinier hangen wij af van aangevoerde voeding. Alle planten verbruiken immers stikstof, fosfor, kalium, magnesium en kalk – plus nog een handvol sporenelementen – en die moeten ergens vandaan komen. Aanvoer dus, want onze kringloop is helaas niet gesloten.

Heel veel tuiniers kopen compost aan; ik doe dat zo min mogelijk omdat ik het composteerproces maximaal wil benutten – over die broeihoop schrijf ik elders. Daarom dus sleur ik massaal composteerbare materialen aan. Buurman Marc levert graag en gratis paardenmest (zoveel als ik wil); Natuurpunt Aarschot is gul met verse houtsnippers (jaarlijks zo’n kuub of 4 of 5) van een beheerswerkdag; van enkele buren krijg ik af en toe een paar zakken vol vers grasmaaisel; op het veld in Tielt brengt een brave reservaatbeheerder jaarlijks reusachtige balen maaisel aan; … Ik ben er trots op dat ik al die materialen (zo goed als) gratis vast kan krijgen: het heeft wel enkele jaren geduurd eer ik de juiste personen op de juiste manier aansprak…

Al deze ingrediënten kosten vanzelfsprekend heel wat fossiele brandstof eer ze bij mij komen: hoe lang zal ik nog (bijna) gratis over deze lokale maar energie-intensieve bronnen kunnen beschikken?.

Al die bronnen zullen in post-petroleumtijden – dat is een kwestie van enkele jaren, zeker? – opdrogen, dat staat vast. Hoe zal ik dan biomassa vinden om mijn planten te voeden om mijn gezin te voeden?

Één alternatief, las ik ergens, bestaat erin dat je de helft van je perceel vol luzerne en smeerwortel zet. Die twee planten wortelen immers heel diep en ze produceren – zeker in combinatie met mekaar – jaren na mekaar massa’s groen dat je kunt blijven snijden.

Smeerwortel bloeit sierlijk.
Smeerwortel bloeit sierlijk.

Prima gratis materiaal om mee te mulchen en te composteren, dus. In Engelstalige permacultuurboeken horen die twee planten tot de dynamic accumulators. In het Nederlands zou ik die opslagplanten of doorlevende groenbemesters noemen. Dat zijn (een hele reeks) planten die zonder moeite uit de grond veel voedingsstoffen oppompen, die je dan kunt inzetten voor je voedingsgewassen.

Voor wie al die theorie moeilijk vindt: gras, paardenbloem en klaver zijn ook van die vanzelf groeiende opslagplanten. Meer heb je niet nodig om zelf wat konijnen te kweken: ook al zo’n pre- (en post-) industriële zelfvoorzieningsmethode.